Project Gutenberg's De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906, by Various

This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever.  You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.org


Title: De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906

Author: Various

Release Date: November 21, 2005 [EBook #17121]

Language: Dutch

Character set encoding: ISO-8859-1

*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE AARDE EN HAAR VOLKEN ***




Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at https://www.pgdp.net/






De Aarde en haar volken

1906.
HAARLEM,
H. D. TJEENK WILLINK & ZOON.

Inhoudsopgave

Door Holland met pen en camera

Naar het Fransch van Lud. Georges Hamön.1

Op de kermis.

Op de kermis.

Elk land heeft een eigen karakter, dat is onbetwistbaar. Holland nu is, zoowel om den aard van zijn grondgebied als om de kleeding zijner boeren, tegenwoordig het schilderachtigste land van Europa.

Een mager oudje.

Een mager oudje.

Het is de moeite waard, zich op te maken om met eigen oogen te aanschouwen die pijpjesrookers en kermisdansers, die langzame schuiten en reusachtige bruggen, die zwaaiende molenarmen en kalme overpeinzingen van rustige burgers over hun glas bier, die boerin met breede heupen, de producten der eigen boerderij naar de stad brengend, die spannen van trekhonden, die eeuwige kanalen, bevolkt met eenden, die nette dorpen en aardige huisjes, die zonderlinge visschers, grillige luchten, moerassige vlakten. Men kan dan op zijn gemak, zonder de oogen dicht te doen, vóór zich zien verschijnen de landschappen door Ruysdael’s penseel op het doek gebracht, en de tronies der bierdrinkers die Teniers teekende.

Naar Holland gaan beteekent trouwens zooveel niet.... Men stapt ’s morgens aan ’t Noorderstation in een exprestrein, en ’s avonds zit men kalmpjes in een “koffiehuis” te midden van de diepe rust der weiden en de tonen van een klokkenspel.

Als men in één adem België is doorgespoord, wat niet moeilijk is met het oog op de kleinheid van het land, komt men te Roozendaal, het grensstation, waar het gebruikelijk is, zijn krachten eenigszins te herstellen. Daarna stapt men in een langzamen [2] trein, die er saai uitziet en op weg is naar Zeeland, het land der eilanden met zonderlinge namen, doorsneden door vaarten, kanalen, rivieren, slooten en booten, en bevolkt door vrouwen met bloote armen.

Maar men houde wel voor oogen, dat Holland een wanhopig vlakke en eentonige streek is, dat het geen heftige aandoeningen wekt, noch tot opgewonden geestdrift stemt of stille innerlijke verrukking teweegbrengt. Holland is het land der rust, waar men zich dompelt in het kalmste welbehagen.

I

Een hollandsche stad.—Middelburg.—De wolken.—De “boerinnen”.—Het huis.—De brugwachter.—De markt.—Een hollandsch dorp.—Zoutelande.—Goede herbergiers.—Typische avond.—De klompjes der kleine kinderen.—De kermis.—De vroomheid van den Hollander.

Na veel eentonige moerassen te zijn voorbijgegaan en vochtige landerijen; na bruggen te zijn overgereden, stopt de langzame trein te Goes en daarna te Middelburg, de hoofdstad van het eiland Walcheren.

Het was grijs, donker weêr op den morgen van mijn aankomst. In Holland vinden de wolken geen klokkentorens om ze tegen te houden, noch boomen of heuvels, en dus komen ze van alle kanten aandrijven, wit en rose en zwart, bruin, oranje of rood, al naar den tijd van den dag, en door den wind voortgestuwd. Zij lossen zich op in zware regenbuien of vluchten in compacte massa’s heen, trachtend zich hier of daar vast te zetten; maar de molens, die steeds maar blijven zwenken en draaien, schijnen ze uit te lachen, net als de baders, die in het water duiken, als men ze roept.

O, hollandsche wolken, wat hebt ge mij een last bezorgd!... Moet ik er boos om blijven?... Ik weet het niet, want gij ziet er toch niet kwaad uit, en Holland zonder wolken zou een afschuwelijke woestijn zijn; daarom hebben de wolken en het water samen vriendschap gesloten ten bate van het landschap.

Het was dan grijs en leelijk weêr, toen ik in Middelburg uitstapte.

Middelburg, hoort ge wel? is een echt type van een hollandsche stad, half en half grootsteedsch en half en half boersch. Naast Goes en Wemeldinge is het de interessantste plaats, waar ik geweest ben.

Het was morgen. Overal ontmoette ik groenteboeren en groenteboerinnen, sommigen in lage wagentjes, getrokken door kleine, harige paardjes, anderen, bezig karren voort te duwen, hoog opgestapeld vol met groente, boter, eieren of melk.

Trip, trap, trip, trap.... Dat stapte maar voort zonder haast. Niemand heeft ooit haast in Holland. Het paard, in een zacht drafje gebracht, stond dadelijk stil, als ’t noodig was.

Boerinnen, jonge meisjes nog, goed gekleed in haar nauwsluitende jakjes, met dikke heupen door de zware rokken, liepen waggelend met een juk op de schouders en boden aan de klanten melk en boter aan in blauwe of groene emmers met deksels, alles van de uiterste zindelijkheid getuigend.

Het type is niet bijzonder mooi, ik bedoel, niet erg fijn; maar schoonheid is een zaak, die moeilijk uit te maken is, en tot veel verschil van meening aanleiding geeft. Ziet men niet dagelijks de menschen bewonderend stilstaan voor de schilderijen van Rubens, alles vleesch, want men weet, dat hij bijna niet anders dan dikke Vlamingen op zijn doeken bracht.

Deze jonge dames kennen in ’t geheel geen beschroomdheid. Meer dan eene, die op mij afkwam met de handen in de zij en met de schouders schokkend in een droge beweging van onverschilligheid, stond stil, als ik haar aankeek, ging met een coquet airtje vóór mij staan en gaf mij door teekens te verstaan, dat een geldstukje haar niet onwelkom zou wezen. Als ik beproefde haar onverwacht te kieken, stiet zij een kreet, van toorn uit en keerde mij met ostentatie den rug toe. Op andere plaatsen, bij voorbeeld op Marken, wordt die belasting van den vreemdeling bijna als een recht geheven; een belachelijk misbruik.

Middelburg!... Zeer net stadje, met straten die alle aan elkaâr gelijk zijn. Rondom kanalen en, boven de daken uitstekend, twee of drie groote molens. Enkele oude monumenten, geheel in stijl. Zangerige klokken spelen de uren en laten hun tonen plotseling druppelen in de doffe stilte der bijna verlaten wegen en straten, waar men weinig winkels ziet.

Er wordt in Holland niet veel gewandeld, en aan flaneeren wordt in het geheel niet gedaan. Men leeft te huis opgesloten in zijn dicht en keurig, goed onderhouden vroolijk woonhuis. Geen huurhuizen van vijf, zes of tien verdiepingen. Elk gezin heeft zijn thuis, zijn eigen woning, waar alleen bekenden binnentreden, van wie men zeker is.

Maar wat houdt men dan ook veel van dat “home”, hoe graag versiert men het en tooit het op, wascht het, verft het en boent erop naar hartelust! Zulk een pijnlijke bezorgdheid doet het oog goed, want men gevoelt, dat zij één is met de plaatselijke zeden en gebruiken.

De straten, geplaveid met baksteenen, vertoonen geen enkele onreinheid. De vensters, van zonneblinden voorzien, zijn niet gestoffeerd met nieuwsgierige gezichten, die op den voorbijganger neerzien met ingenomenheid of afkeuring. Men ziet geen vrouwtjes bij de deuren staan praten of gewichtige samensprekingen houden op drukke kruispunten van wegen. Zelfs de kinderen zijn maar juist even druk genoeg, om te bewijzen, dat de stad niet door spoken wordt bewoond.

Alleen de spionnetjes kijken u aan, spiegels, die van buiten aan de vensters zijn bevestigd en waarin de vrouw des huizes, gemakkelijk achter haar horrikje gezeten, dat is een groen scherm in den vorm van een klaverblad, uren aaneen gadeslaat wat er voorbijgaat, juist als visschen doen in het water van een goudvischkom.

O, die vriendelijke doodschheid der hollandsche woningen op een grijzen achtermiddag in September!

Met mijn camera in de hand, ben ik de kleinste straatjes doorgegaan, overal met mijn onbescheidenheid binnendringend, waar ik er maar kans toe zag. Ik dwaalde langs de plechtige kaden, waar het rood der daken zich voegde bij het bruin van ’t vele hout, dat in het water dreef en bij het rossige waas der boomen, dat den herfst verkondigde. Ik liep langs [3] de oevers van het groote kanaal; jonge meisjes wisselden er teekens met de melkboeren aan den overkant, omlijst door den vlakken horizon, waarin een molen draaide.

Jong boerinnetje.

Jong boerinnetje.

Ik kende spoedig tot in de kleinste bijzonderheden den korten doolhof van wegjes en straten, die alle zonder onderscheid naar het hoofdplein leiden, waar ’t stadhuis te vinden is met al zijn beeldhouwwerk, waar de weekmarkt wordt gehouden en waar de tram van Vlissingen stopt, de zeehaven, waar stoombooten van allerlei naties binnenvallen.

De voorstad, die erheen leidt, brengt u aan een brug. Die brug gaat in het midden omhoog als een dubbel luik, om de schepen met masten door te laten. De bewerking duurt een goed kwartier, gedurende welken tijd de weinige personen, die over de brug wenschen te gaan, in ’t minst geen blijk geven van verveling. De brugwachter leunt, als een mandataris in het volle besef van zijn verantwoordelijkheid, tegen de leuning; hij zwijgt en wacht op wat de schipper zal verkiezen te doen, die zijn schuit met de plechtige langzaamheid van een voorvaderlijke schildpad doet voortschuiven.

Die brugwachter was inderdaad op zichzelf een echt hollandsch poëem. Rossig in de rossige omgeving, stond hij daar met zijn pijpje tusschen de lippen geschroefd; een kalme wijsbegeerte straalde van hem af: de philosofie van de neutrale lichamen, bij tusschenpoozen zich bewegend naar een onduidelijk aangewezen doel. In hem herleefden de gestorven geslachten der Nederlanders met de afgemeten gebaren, die zwegen en droomden en eeuwen van geduld stelden tegenover de koppige aanvallen van de verraderlijke zee.

Dit is wel echt het karakter van den Hollander. Omringd door het water, vechtend tegen het water, gevoed door het water, heeft hij de zachte zwaarte van het water zich eigen gemaakt, dat geluidloos nadert en onder zijn kleurrijke oppervlakte vreemde werelden verbergt.

Met zijn glad rond gezicht, zijn naar de mode van Lodewijk XI geknipte haren, zijn dikke handen en zijn beenen in een wijde broek, lacht de Hollander zelden of nooit, schreeuwt nimmer, vecht niet met woorden en schijnt in zijn ernstigen blik een wereld van gedachten of van nevelachtig gepeins te weerspiegelen.

Ophaalbrug te Middelburg.

Ophaalbrug te Middelburg.

Rossig in de rossige omgeving, rookte de symbolische brugwachter zijn pijpje, onbekommerd om de overdenkingen, waarin zijn beeld mij dompelde. Toen het schip voorbij was, draaide hij een ijzeren kruk om, en de toegang was weer open.

Dit hoekje van de stad was nog stiller dan het overige. Een peinzende moeder liep er met haar kleinen jongen, die in een doek gewikkeld was, en geen ander levend wezen was er te zien, geen geluid te hooren dan het geklepper van den nabijzijnden molen.

De volgende dag was een Donderdag, marktdag te Middelburg. De zon weigerde mij niet alles op mijn smeekingen en tintte rose de jagende wolken, die uit den Oceaan gekomen waren. Ik ontbeet vlug met eieren en ham, verkwikte mij met thee en bereikte de Groote Markt, het tooneel van den handel. [4]

Drie of vier verplaatsbare winkels, een stroom van boeren en boerinnen en wagens met witte kappen bewees, dat er wel lust was om zaken te doen; maar ik zocht overal tevergeefs naar de menigte, die er moet wezen om aan den straathandel levendigheid te schenken.

In Zeeland is er om zoo te spreken noch landbouw noch industrie. Bij gevolg kan men er niet uitstallen, als bij ons, die hoopen groenten, eieren, vruchten of bloemen, waar omheen de huisvrouwen zich verdringen.

In Zeeland produceert de boer niet veel anders dan melk, boter, beetwortels en aardappels. De melk en de boter worden bij de klanten thuis gebracht door de boerinnen, zooals wij reeds hebben gezegd. De beetwortels gaan per schip naar de fabrieken.

Te spreken van een “markt” voor die wekelijksche bijeenkomst die ik bijwoonde en die nog voortdurend blijft bestaan, zou eigenlijk minder geschikt zijn. Onder voorwendsel een paar kilogrammetjes boter te verkoopen, komen de brave luidjes in de stad hun wekelijksch uitstapje maken, om er kennissen te ontmoeten, enkele inkoopen te doen, pijpjes te rooken vóór het stadhuis en met de handen in de zakken te droomen in een herberg, waar een biljard staat, zittend achter een groot glas bier en luisterend naar het droge geluid der ballen, door zwijgende spelers bewogen.

Huisvrouwen aan ’t inkoopen doen.

Huisvrouwen aan ’t inkoopen doen.

Welk een kalmte! Dit volk, met meel en vet gevoed, heeft geen zenuwen. Breed, zwaar, gezet zonder dik te zijn, herinneren die mannen, die geen begrip van gebrek en ellende hebben aan chineesche bonzen, in rieten stoelen gezeten, die langzaam onder hun bolle oogen hun duimen draaien boven hun buik in stille overpeinzing, zonder op den voortgang van den tijd te letten.

De mannen voegen zich te zamen op een hoek van de markt, om elkander hun indrukken mee te deelen over den stand van beesten of beetwortelen en over de gezondheid van hun kinderen. Op enkele vierkante meters staan daar een heele menigte typen, die van vreugde kunnen doen beven de afstammelingen van Teniers, Ostade en Potter, al die goede, overleden schilders.

Huisvrouwen aan ’t inkoopen doen.

Huisvrouwen aan ’t inkoopen doen.

Groepen oude boeren met korte broeken, gebloemde kousen en hooge ketelhoeden, wier kaalgeschoren gelaat door losse haarvlokken omgeven is, voeren den geest naar voorbijgegane eeuwen.

Die oudjes zien er voor ’t meerendeel gezond, maar zeer mager uit, in tegenstelling met de dikke jongelui en aantoonend, dat juist zij het oudst worden, die wat droog van spieren zijn.

Uit die algemeene zwaarwichtigheid moet niet worden afgeleid, dat de intellectueele vermogens beperkt zijn. De Hollander is goed onderwezen; hij leest wel niet veel, maar onthoudt, wat hij leest. Zijn goedaardigheid en stugge, massieve manieren zijn dikwijls slechts iets uiterlijks; men zou, eer men er te vast op bouwde, den onmerkbaren glimlach moeten kunnen verklaren, die soms rimpels om de ronde, blauwe oogen doet verschijnen en om de zachte, ongerimpelde monden. Hij heeft, wat men [6] noemt, den moed om tegen de dingen in te gaan, voortkomend uit gezond verstand en uit berekening. De eeuwenlange strijd, ondernomen tegen de zee en de vernielende rivieren, heeft hem groote volharding geschonken en een onbegrensd geduld, een echte kracht van inertie. Hij is werkzaam, maar die activiteit is niet onstuimig en wordt aan den dag gelegd in stillen, geregelden, volhardenden arbeid.

Spaarzaam is hij ook, en in dagen van overvloed blijft hij zuinig; grootheid en ijdelheid toont hij alleen bij groote gelegenheden, openbare inschrijvingen, bruiloften of kermissen.

Conferentie over de dikte van de bieten.

Conferentie over de dikte van de bieten.

Als een hollandsche boer zijn dochter uithuwelijkt, geeft hij een gastmaal van stavast. Oudtijds waren de feesten bij bruiloften zoo algemeen in de zeden doorgedrongen, dat een wet tusschenbeide moest komen, om te bepalen hoeveel violen er mochten zijn, hoe groot de waarde der geschenken mocht wezen, en wat de prijs per couvert moest zijn.

Bij tweeën en drieën staan de melkboeren te praten over allerlei kleinigheden, op neutralen toon gezegd, terwijl de rook der sigaren hun oogen in een zilverachtig schijnsel hult, of wel, ze gaan met langzame schreden naar de herberg en zetten hun vertrouwelijk praatje voort op de banken langs den muur.

Groote boerenwagen met witte kap.

Groote boerenwagen met witte kap.

De herbergzaal, of liever de biljardkamer, heeft veel overeenkomst met onze herbergen en café’s. Al de ruimte wordt ingenomen door het enorme biljard met zakken aan de vier hoeken. Verder staat er een ronde tafel met een gestreept kleed er over, en alles, wat er noodig is, om te schrijven; stoelen, netjes in rijen geschaard, voltooien het eenvoudig ameublement voor de wijze klanten.

Men zou, als men daar binnentreedt, kunnen meenen, dat men in het huis van een particulier is, die u vriendschappelijk, met de ellebogen op de tafel geleund, een lekker glaasje zal aanbieden.

Op het marktplein ziet men beslist alleen mannen. Waar gaan wel de vrouwen heen? Ik krijg een drietal huisvrouwen in het oog, die voortloopen met manden aan den arm, en ik volg ze. Zij brengen mij weldra op een groote binnenplaats, omringd door een klooster, en in het midden geeft een oude iep koele schaduw.

Dit is het heiligdom der huisvrouwen. Zij staan er kalm en langzaam en nauwkeurig zaken te doen in haar wijde rokken, groote boezelaars en helder gekleurde doeken, de witte mutsen versierd met goud en zilver. Enkele hebben hun manden neergezet op schragen, die ervoor klaar staan, of op den grond naast de afgevallen bladeren en wachten met eindeloos geduld, tot er een koopster opdaagt, om haar te ontlasten van de vette koopwaar. Anderen staan stil, draaien wat heen en weer, loopen rond en staan weer stil, zwijgend met onbeslisten blik en dwalend oog, alsof ze er niet heel zeker van waren, dat zij den vasten grond betreden.

Verlangt u boter?

Wij wenschen boter.

Hebt u kaas?

Wij hebben kaas; zie, hoe zacht ze is.

Die vragen, die antwoorden, suizen zachtjes met het geluid van den wind door de takken van den grooten boom, en enkele vrouwen vertellen elkaâr kalm, op welke wijze zij het smakelijke product bereid hebben met de melk van dien en dien dag, afkomstig van een bepaalde koe.

Onbeduidend en bolbleek zouden die hollandsche dames zijn zonder haar bijzondere kleeding, juist als die anderen in moderne toiletten, die alle bekoorlijkheid missen. Met de eigenaardigheden van het land passen zij op het archaïsche fond en blijven in haar rechte, statige houding, alsof ze altijd en overal op doek vereeuwigd moesten worden.

Haar bloote armen, hard geworden door den wind, dragen manden, die met roode, blauwe of gele doeken toegedekt zijn, en daar het nog zomer is, dragen zij hoeden op het hoofd in den vorm van omgekeerde bloempotten met groote pompons versierd.

Onder den olm met bruine takken komen haar gestreepte sjaals flink uit, zooals zij zich buigen naar de geopende manden der boerinnen, die mooi zijn als ze nog niet veel jaren tellen, zooals al wat jong is, ondanks de stijve kleeding, die de buste in rechte hoeken omspant.

Haar voeten, die niet weten wat haast is, drukken de steenen van het oude plaveisel, en dat is het eenige geluid, dat men verneemt, gedempt nog in de algemeene stilte.... De zeeuwsche vrouwen schijnen, zou men zoo zeggen, aanhoudend kostbare geheimen met zich rond te dragen, die zij enkel aan elkander kunnen openbaren achter een muur, beschilderd met lichte en donkere strepen en achter de groene zonneblinden vóór de vensters. Haar vochtige [7] oogen weerspiegelen de groote weiden, waar de jonge koeien grazen, die dikwijls worden gemolken; haar smalle voorhoofden, stijf geknepen in het kanten omhulsel, zijn blijkbaar nog onder den indruk van het liedje van ’t melken, dat tweemaal per dag wordt afgespeeld, dat liedje van de melk, die druppel na druppel met bobbels in den emmer valt, en haar handen zetten nog de bewegingen als van een harpspeelster voort, waarmee zij de blanke uiers streelen.

Boerengezin aan ’t markten in Middelburg

Boerengezin aan ’t markten in Middelburg

Zouden ze zoo zacht zijn als dat voedend vocht?... Laat ons geen te haastig oordeel vellen! In Zeeland, in Friesland en in Groningen zijn er brunetten en blondines, rossigen en anderen met kastanjebruine haren, en zoo de overdaad van zachte spijzen haar aderen heeft gevuld met een flauw en waterachtig vocht, zij zullen zonder eenigen twijfel in haar gevoelens niet verschillen van de andere dochteren Eva’s.

Dat zijn overdenkingen, waartoe de marktdag in Middelburg iemand brengt. Zonderlinge markt voorwaar, waar men op de teenen loopt in eeuwigdurend geflaneer.

Een zeventigjarige, steunend op zijn kleinzoon, lacht mij vriendelijk toe. Hij is het verleden, hij met zijn costuum van een vlaamsche schilderij; het kind is het tegenwoordige, de toekomst met zijn knellend petje en vierkant afgesneden buisje. Ik wenk en wijs op mijn camera. De kleine wil den ouden heer wegtrekken van dat gevaar, dat mijn instrument opraper van beelden wezen kon; maar de oude staat stil en neemt een nobele houding aan als een groot heer, die wel graag bewonderd wordt.

Een hevige regenbui valt plotseling neer op markt en straten en huizen met puntdaken; een uur lang klettert het en ruischt en spat en drijft de kalme boeren in de herbergen; dan schijnt de zon weer, en er worden toebereidselen gemaakt voor de thuisreis.

De groote wagens in den vorm van schuiten, overdekt met witte huiven, komen van alle kanten te voorschijn en staan in rijen geschaard. De meisjes, blij dat ze eens uit zijn; de huisvrouwen, tevreden over haar inkoopen en haar gezellig gebabbel; de boeren, voldaan over hun marktwandeling en verzadigd van bier en jenever, allen stijgen in.

Tott werziens! ... Goedag!

De paarden schudden met de ooren, tillen de slappe beenen op en vertrekken, trip, trep, trip, trep, langzaam door de nauwe straten die goed geplaveid zijn, met zoo min mogelijk gedruisch, naar de stallen.

De stad, die een oogenblik druk en woelig is geweest, herneemt haar gewone, slaperige kalmte. De zon daalt lager. De grachten schitteren in veelkleurig licht. In de vallende schemering gaan booten voorbij, stil met opgezette zeilen en een licht geklots van het water. De donkere molens maken ter begeleiding van den zonsondergang stomme teekens, voorbijgaand als de minuten. Achter de neergelaten gordijnen der huizen verschijnen bleeke lichtschijnsels. Stilte, stilte, stilte.... Middelburg, hoofdstad van Zeeland op het eiland Walcheren, verdwijnt in den nacht ...

Zoutelande, een dorp verloren achter de duinen, dichtbij de zee. Een groote molen wijst de plaats aan. De avond valt. Langs de steenachtige wegen, met slooten er naast, huilt de wind, kondigt den naderenden vloed aan. Aan den voet der hooge bergen van zand een hoofdstraat, schoon als de vestibule van een hôtel, met een bruin plaveisel en lichte, geschilderde en gewasschen huizen. Een enkele herberg, waar ik tegen de deur stoot. Rondom het biljard vier of vijf mannen met korte broeken, die rustig spelen. De waard, een kleine grijsaard met een rond, verheugd gezicht; de waardin, een groote veertigjarige met verstandige oogen. Zij gaat vóór mij staan met de handen op de heupen en begint in ’t Hollandsch een lang gesprek. Ik glimlach en maak een beweging van spijt. Met behulp van het woordenboek, dat ik uit mijn tasch haal, geef ik haar te verstaan, dat ik een kamer noodig heb en voedsel.

Zij brengt een vinger aan het voorhoofd: “Begrepen!” en gaat heen. Zij komt eenige oogenblikken later terug met haar dochter, ook groot en forsch, [8] en begint opnieuw een gesprek. Ik leg voor het meisje mijn wensch bloot, en beide zijn het geheel eens, zeggende: “Begrepen!” Helaas!... het meisje gaat den vader halen, die ja zegt op alles, wat ik aanwijs, steeds maar lacht en met het hoofd knikt op de manier van porseleinen poppetjes. Wanhopig doe ik mijn mond open, steek er den voorvinger al kauwend in, en buig mij over een tafel met de oogen dicht.

Grootvader en kleinzoon.

Grootvader en kleinzoon.

Zij vouwen de handen, zijn verrukt en kijken elkander aan: “Wat is die man toch gek en wat doet hij dwaas!”

“Begrepen, begrepen,” zeggen ze, en verwachten misschien, dat ik nog meer door gebaren zal aanwijzen; maar ik zeg bij mij zelven, dat ik hier toch geen Kaffers of Berbers vóór mij heb, en ik ga waardig op een stoel zitten, de tong uitstekend als bewijs, dat ik wel zou willen drinken.

Er wordt mij melk gebracht. De schemering wordt zwaarder. In de hoop, dat ze wel wat voor mij zullen braden, ga ik uit. De wind is hevig, blaast door mijn haren, en ik zie niemand buiten. Ik beklim het duin; men kan er niet staan. De zee schuimt tegen de palen, geplaatst langs de dikke steenen, die het zand moeten tegenhouden. In de verte vecht een antwerpsche stoomboot tegen den wind en schuin waait haar rookpluim achter haar aan.

Brr, wat is het koud! Ik ben wel genegen den lof der Zeeuwen te zingen hier boven van mijn berg; maar de molen, die statig ronddraait ginds aan ’t eind van het dorp, schijnt mij uit te lachen met zijn groote, zwaaiende armen.

Ik ga terug naar de “Roode Leeuw, logement en koffiehuis.” De biljardspelers zijn weggegaan. De baas rookt zijn pijp bij ’t fornuis, terwijl zijn dochter aardappelen zit te schillen.

De huisvrouw houdt mij haar vinger voor en wijst naar de deur van een kamer. Ik geef gevolg aan die peremptoire uitnoodiging en vind op een tafellaken een glas melk, twee eieren en kaas, bescheiden menu van de kluizenaars uit Gallië in den tijd der barbaren.

Mijn maag voelde hol en leêg na zoo’n middag van beweging, en ik vroeg luidop om meer. Er was niet meer. De vrouw keek mij met ontzetting aan en stelde een nieuwe speech samen, waarvan ik niets begreep.

De pijpjesrookende brugwachter.

De pijpjesrookende brugwachter.

“Brood en melk, lief moeder”, wees ik haar in het woordenboek, met een gebiedende beweging.

Begrepen!

Helaas, ik kreeg dan ook niets anders dan brood met boter, besproeid met bier en melk. [9]

De dochters van den herbergier uit Wemeldinge.

De dochters van den herbergier uit Wemeldinge.

Toen ik mijn razenden honger had gestild, voegde ik mij bij de familie om ’t fornuis, waar een ketel met water stond te koken. Het meisje schilde nog altijd aardappelen, en de moeder, met het hoofd voorover, krabde zich den hals, terwijl de vader, diep gedoken in een houten leunstoel, kringetjes blies uit zijn groote pijp.

O, hollandsche avond, daar in die dichte herberg, glimmend van properheid, ik zie u nog! De geverfde hangklok scandeerde de minuten met haar rooden slinger. De muren, behangen met porseleinen borden met blauwe bloemen, gaven bij het schijnsel van de lamp een illusie, alsof ze van marmer waren en een lichtende lijst vormden om de massieve meubels van bruin mahoniehout.

Pietje is een aardig boerinnetje, en de ouders ook zijn beste luidjes. De taal der oogen, die rijk is aan uitdrukking, vervangt in voldoende mate die der tongen, en wij vangen weldra elkanders gedachten op, als we ons best doen er uitdrukking aan te geven.

Die stilte en rust irriteeren echter na verloop van een uur mijn zenuwen van levendigen Franschman. De oude is zoo tevreden, dat hij mij ergert, en het gekrab van de moeder werkt aanstekelijk. Ik profiteer van het oogenblik, waarop de dochter met haar werk klaar is en wijs met een energieke beweging naar de zoldering.

De moeder heft het hoofd op en glimlacht. Dat behoort tot haar departement. Ze legt haar breiwerk neer en voert mij naar een ladder, achter de keuken, steekt den vinger in de hoogte en reikt mij de kaars aan onder het uitspreken van een ingewikkelde redevoering.

“Goed, goed”, zeg ik, “lief moeder, ik wensch u een goeden nacht, u en uw ronden echtvriend en uw dochtertje en ’t heele huis!”

Ik klauter de ladder op en kom op een soort van zolder, waar de rijkdom aan groente der familie ligt opgestapeld, rechts een hoop aardappelen, links een pyramide van wortelen, vóór mij een berg uien, elders erwten en boonen en gereedschap; tusschen twee balken eindelijk een alcoof van ruwe planken en daarin een matras, twee lakens en een deken.

Ik sla de armen over elkaâr, vol verontwaardiging ... maar ik bedenk, dat in een dorpje verloren onder tegen de duinen van een afgelegen eiland, men geen pretensies hebben moet, en ik volg Napoleon na, die, uit vrees verrast te worden, zich geheel gekleed te slapen legde.

De wind joeg over het dak, deed de pannen kletteren met krachtige stooten; maar mij vastklampend aan de geruststellende gedachte, dat hij eerst het dak moest kapot hebben, vóór hij mij kon bereiken, sloot ik de oogen en viel in slaap....

’s Morgens stroomde een prachtige zonneschijn door het zolderraampje en legde een stralenkrans om mijn hoofd. Ik haastte mij naar beneden en naar buiten, waar ik tot mijn verbazing een abnormale drukte van klompen hoorde.

Dat geluid van het hout op de steenen riep in mijn herinnering Bretagne op en de kadans van de klompen op de bestrating der oude stadjes.

Maar dat is toch niet mogelijk, zei ik tot mijzelven, dat de jongens van Guéméné en de meisjes van Fouessant de zee zijn overgestoken in den nacht, om mij deze aubade te brengen? Misschien ook zijn het de geesten der gestorvenen uit mijn land, die mij willen verrassen en mij beletten, mij te laten [10] naturalizeeren als Hollander. Ze hadden anders in dat opzicht niet heel veel te vreezen....

Beneden aan de ladder lachten de vrouwen mij toe; de baas, weer in zijn stoel gezeten, stiet een groote rookwolk uit en rolde met zijn blauwe oogen.... De weg was eenvoudig vol met kleine kinderen, die vóór schooltijd heen en weer drentelden.

Verrassend, die kinderen! In andere landen maken huns gelijken een diabolisch lawaai, schreeuwen, stampen, loopen elkaâr achterna, spelen krijgertje, verstoppertje of springen touwtje.... Hier wandelen ze maar. De jongens met de handen in de zakken, de pet op één oor, duwen elkaâr zoo’n beetje weg. De meisjes, als groote menschen gekleed, met wijde rokjes en groote doeken, dansen in ’t rond, elkander bij de hand houdend, of loopen hard bij ’t klepperen van de wijde klompjes, terwijl ze met de dunne, bloote armpjes zwaaien.

Dit was een frisch, opwekkend gezicht. Een heldere Septemberzon, een straat, zoo schoon en rein als ’t schip van een kerk, roode, bruine of witte huizen met roode daken, kleine meisjes, in het blauw gekleed, in druk bewegen vol gratie; men kan er werkelijk spijt van hebben, dat men niet met één penseelstreek al die kleuren op het doek kan brengen, waaruit een tooneeltje van dezen aard bestaat.

De kinderen werden mij gewaar en vlogen weg als opgeschrikte vogeltjes, toen ik de beweging maakte van hen te willen photografeeren. Ik liep ze achterna. Zij lachten, liepen achter muren om, verborgen zich, kwamen weer voor den dag, en ik kon mij al gauw verbeelden een wolf te zijn, die schaapjes achtervolgde.

Klik, klak, daar had ik ze! Ik overviel hen in een schuilhoekje, waar ze zich verbergden, en waar de meisjes de handen vouwden, als om genade te smeeken, terwijl de jongens daarentegen mij brutaal trotseerden.

Maar de kinderwereld met haar levendige kleuren liet mij in Zoutelande weldra alleen en trad het schoollokaal binnen.

Ik deed een omgang door het dorp. Geen levend wezen te zien. Overal dichte deuren. Geheimzinnig gesloten vensters. Stilte. Geen waschplaats, waar men het kloppen op het linnen hoorde. Geen enkele huisvrouw aan ’t keuvelen met een burin of aan het werk op haar plaatsje of in haar tuintje. Nu en dan treedt een vrouw naar buiten met emmers water en een ontzaggelijken bezem. Zij wascht haar huis van boven tot beneden af, plechtig en ernstig, en met een ladder klimt ze tot het dak, om de pannen af te vegen, en doet dan haar deur weer dicht, waarachter men zich haar denkt, altijd wasschend, boenend, vegend, poetsend en opsierend.

Er is veel gesproken over de hollandsche zindelijkheid. Die is geen mythe. Dit volk heeft den trots der properheid. Te midden van water levend, onder een regenrijken hemel, door wind geteisterd, gebruikt het wind en regen, om vuil en stof weg te waaien en weg te spoelen.

Armoede schijnt in deze streken onbekend; zoo zij bestaat, is ze zoo zindelijk, dat men haar niet herkent. Elke familie behoudt van geslacht tot geslacht de zware, massieve meubels, waaromheen een ongeschokt en rustig leven wordt geleid.

Het omringende water, de gedwongen beperktheid van de wegen te land, het ontbreken van landbouw en industrie hebben tot die zeden en gebruiken aanleiding gegeven. En Holland is een land van burgers, van schippers en makelaars, maatschappelijke kringen, waar men aan comfort is gewend.

De kleinste boer overbluft u nog met zijn kleeding, zijn porselein en zijn blinkend huisraad. Hij maakt den indruk van iemand, die zeker is van zichzelven, van zijn verleden, zijn heden en zijn toekomst, in ’t minst niet verontrust door een progressieve belasting, dreigende politiek of ongemotiveerde zenuwachtigheid.

Van nature is de Hollander teruggetrokken en stil; uit gewoonte hecht hij zich aan zijn werk, zijn zaken en het familieleven.

Hij is godsdienstig, maar zonder in uitersten te vervallen. Het hervormde geloof, dat hij aanhangt, lokt niet uit tot vroomheidsvertoon en staat geen weelde toe in beeldjes of heilige voorstellingen, zooals men wel in andere landen ziet.

De kerken hebben enkel kale of gewitte muren. Men gaat er des Zondags heen, om naar de preek te luisteren. Geen bevallige feesten of symbolieke dagen of herinneringsplechtigheden. Men gaat naar de kerk, omdat het nu eenmaal zoo behoort, en omdat men doen moet, wat volgens de traditie altijd gedaan is.

De Bijbel is een nationaal monument, dat de hervorming op één lijn stelt met de vaderlandsliefde, een gevoel, dat diep geworteld is in ’t hart der Nederlanders, en toen Lodewijk XIV, na Utrecht te hebben vermeesterd, op de groote markt alle exemplaren liet verbranden, die men ervan kon vinden, zou hij zonder grootspraak zich hebben kunnen beroemen, het intellectueele Holland van dien tijd aan de vlammen te hebben overgeleverd. De vrijheid van geweten wordt echter overal geëerbiedigd en dat wel sinds onheugelijke tijden. De godsdienstige secten zijn ontelbaar, en alle leven in de beste verstandhouding met elkander. Katholieken, protestanten, joden, muzelmannen, allen genieten precies dezelfde rechten en prerogatieven.

Men is er streng van zeden. Nooit hoort men van misdaden of avonturen, waarbij de liefde in het spel is. De jonge man, die zijn oog laat vallen op een jong meisje, doet zijn best om het tot een huwelijk te brengen, als ten minste het onderling belang erbij gebaat wordt; alles blijft kalm in de polders, ook de gevoelens.

Die ingetogenheid verdwijnt één keer in het jaar en wordt tot een deelneming aan woeste gelagen; dat is bij gelegenheid der kermissen.

Gedurende de dagen, gewijd aan deze nationale feesten, brengt de boer naar buiten alles, wat hij in gewone tijden moet binnenhouden en onderdrukken, namelijk de leelijke zijden van zijn natuur; hij danst als een schuit op hooge zee, rookt als een antwerpsche stoomboot en drinkt als den Helder op de dagen van overstrooming. Drie dagen en drie nachten lang verlaat hij, meer bepaald in sommige steden, het koffiehuis niet. Op de tafels en den grond uitgestrekt, verbijsterd door de muziek en ongevoelig geworden door den drank, blijkt hij een ander wezen geworden met buitensporige gebaren en luid klinkende woorden, en men zou niet weten, waar men hem bij moest vergelijken, als het niet bij Bacchus zelf was op zijn [11] dagen van groote uitbundigheid. De schilderijen van Rubens in het Louvre, zoo cru in hun realisme, kunnen nog als symbolen dienen, indien een schets vol echte waarneming symbool kan zijn voor een veeleischend geslacht.

Sterke paarden aan het werk.

Sterke paarden aan het werk.

Het bacchanaal,—dat moet erkend—verschilt naar gelang van de provincies en krijgt meer en meer neiging, tot een familiefeest te worden, ’t geen dan weer op verlies van schilderachtigheid te staan komt.

De kermissen hebben voor de jongelieden bijzonder groote beteekenis, omdat ze voor hen zeer zeldzaam voorkomende gelegenheid zijn, zich vrij te bewegen, uit te gaan. In dit moerassige land, waar van eigenlijke velden en buiten zijn geen sprake is, kan men niet, als bij ons, des Zondags gaan wandelen langs schaduwrijke wegen tusschen bloeiende weiden.

Van tijd tot tijd gaat men wel eens per boot naar Rotterdam of Zierikzee, maar die uitstapjes halen niet bij een kermisdag in de hoofdstad der provincie. Daar gevoelt men zich te huis; men kan er op zijn gemak okshoofden zwart bier verzwelgen en wafels verorberen, uien eten en komkommers of geconfijte citroenen in azijn, gekruid met harde eieren....

Het dorpje Zoutelande.

Het dorpje Zoutelande.

Wat de huwbare dochters aangaat, zij nemen ijverig deel aan de kermis. Lang van te voren zorgen zij voor de mooie mutsen met de ronde vleugels, die haar oogen zoo goed doen uitkomen, voor den bloedkoralen collier, het blauw fluweelen dasje, de gouden plaatjes op het voorhoofd en de gouden stiften op zij, met al die kleine extraatjes, waardoor de jongens worden bekoord.

Die kostbare sieraden zijn de trots van de boerin. De droom van ieder is, ze prachtig te kunnen vertoonen, van echt goud, opdat de wind ze even kan bewegen en ze kan doen ruischen als de vleugels van een libel.

Te Zoutelande wordt verteld, dat een zeer mooi, maar ongelukkig boerinnetje, dat door de gierigheid van haar vader geen sieraden bezat, een heftig verlangen voelde om op dit punt de gelijke te zijn van haar kermisvriendinnen, opdat zij evenals deze gevraagd zou worden te dansen, te lachen en poffertjes te eten door de jongelui, die de armoede minachten.

Toen zij naar de markt van Middelburg ging, om de melk en de boter van de boerderij te verkoopen, overpeinsde ze die lastige quaestie en was diep bedroefd, zoo geminacht te zijn, hoewel ze er aardig genoeg uitzag.

“Ik wil schitteren”, dacht ze, “want ik ben mooier dan de anderen”.

Onder het voortloopen, in haar gesloten jakje met het bruine juk op de schouders, keek ze mistroostig naar het water in de slooten, dat de zon weerspiegelde, [12] en zei tot zichzelve, dat, zoo dit water melk was, zij dadelijk genoeg zou hebben, om de mooiste sieraden te koopen van de goud- en zilversmeden in Schoonhoven.

Een miniatuurpaartje.

Een miniatuurpaartje.

Toen begon ze te lachen, stond stil, nam van haar geverfde emmers het deksel af, zag, dat ze niet vol waren, deed er een weinig bij van ’t water, dat in vele tinten straalde, en zette haar weg voort.

In plaats van acht liters melk te verkoopen, verkocht ze er elken dag twaalf en verborg in een laadje de opbrengst van haar list.

Het ging zoo goed, dat ze weldra een aardig spaarpotje had en de zoo begeerde sieraden kon koopen. Zij was uitgelaten blij en kon niet laten, toen ze uit de stad terugkwam, tegen haar slapen de mooie sprieten te hechten en in het water te kijken als in een spiegel.

Helaas, toen zij zich bukte, om haar gelaat te zien, raakten de krullen, die niet goed vastzaten, los en vielen in het stroomende water.

Reneetje, op het gras gezeten, vervuld van spijt en boosheid en teleurstelling, schreide heete tranen, tot de wind haar deze verstandige woorden in het oor fluisterde:

“Wat uit het water komt, moet tot het water terugkeeren.”

Er wordt niet bij verteld, of het jonge meisje den troost aanvaardde.

II

Ontmoeting op straat.—De mooie ruiter.—Teleurstellend déjeûner.—Vader Kick.

Zoodra ze getrouwd is, na de uitbundige pret van de bruiloft, bergt de boerin in de laden alle kleine sieraden en snuisterijen, waar zij zoo op gesteld was als jong meisje. Het gebruik wil namelijk, dat zij er ernstig ga uitzien, juist als de vrouwen, die geen veroveringen meer willen maken, omdat ze een levensgezel hebben gevonden. Ze bewaren alles voor haar dochters, als die op haar beurt, bij de eeuwige herhaling der verschijnselen, een boer aan den haak moeten slaan.

Maar kom ... ik loop te lang in Zoutelande rond, luisterend naar den wind, die mij deze vroolijke dingen vertelt tusschen twee duwen tegen de wieken van den grooten molen.

Een melkboer, in zijn kar als een schuit, met een groot harig paard er voor, gaat naar het veld, en zijn wagen verbreekt de stilte.

Elders ontmoet ik even buiten het dorp een miniem klein paartje, jongetje en meisje. Zij, zeer moederlijk en grappig, beknort den kleinen jongen met een basstemmetje en wil hem terughouden van den weg naar Westkapelle, waar de overmoedige Willem zich heen wil begeven. Zij trekt hem uit alle macht bij een slip van zijn jasje, en men herkent in haar reeds het toekomstige vrouwtje, dat haar man afhoudt van verkeerde wegen ... beminnelijke zorg!

Overal kleine dreumesen.

Overal kleine dreumesen.

Een doffe galop ... Wat is dat?... Een man met blauwe oogen in een verheugd gezicht, komt van het land terug met zijn twee paarden, zijn vrouw en zijn meiden. Hij groet en springt op den grond, al verblijder kijkend, wijst op zijn beesten, [14] die er goed uitzien, dan op mijn instrument, legt een hand op zijn borst en de andere in de neusgaten van zijn eene paard en geeft te verstaan, dat het beeld merkwaardig mooi moet worden.

Met een glimlach stap ik drie passen achteruit, twee naar rechts, één naar links, mompel een goedkeuring en open het klepje van mijn camera.

Atsjoem!” proest het paard nommer 1.

De ruiter, nu bepaald ten toppunt van voldaanheid, deelt mij zijn indrukken mee, helaas, zijn ze voor mij onbegrijpelijk en gaat dan weg met een beweging, die schijnt te zeggen: “Tot strakjes, wacht hier op mij!”

Nieuwsgierig kijk ik eens naar de kerk, die er kaal en somber uitziet, naar het groene veldje, waar de dooden worden begraven zonder eenige versiering of grafteeken, want wat van de aarde komt, moet tot de aarde terugkeeren zonder meer; heel de hollandsche philosofie ligt in dien zin. Ik denk er juist over, het duin te gaan bestijgen, toen opnieuw een drievoudige galop zich doet hooren. Ik bespeur mijn verheugden ruiter, die met drie nieuwe paarden komt aanhollen. Hij zegt iets en stijgt van het paard. Hij gaat bij het eene staan en verklaart, dat ik nu met mijn werk kan voortgaan.

“Je maakt misbruik, vriend!” antwoord ik in het Fransch.

En om er van af te zijn, draai ik zijn hoofd om en doe alsof ik hem kiek. Tot driemaal toe, met elk der drie paarden, herhaalde ik het grapje; toen kreeg ik een adres, met potlood geschreven, en tegelijk een betuiging van de grootste ingenomenheid.

Tot werziens, tot, tot....

Ik beklom het duin. De kinderen, uit school gekomen, toffelden in koor op hun klompjes, klots, klots, klots.... Ik moest hen tot mij zien te lokken door iets ongebruikelijks. Met mijn pet zwaaiend, begon ik hard te loopen en daarbij heftig met de armen te zwaaien, het gezicht naar de zee gekeerd, alsof ik daar iets heel bijzonders zag.

Die buitensporigheid wekte de nieuwsgierigheid. Langs alle voetpaadjes kwamen de kinderen aanloopen; ze trokken elkander mee en kogelden in het zand. Ik liep naar het strand tot aan den rand der golven. Zij volgden mij. Daar nam ik plotseling een handvol centen uit mijn zak. Zij stortten naar voren. Ik raapte wat gevallen was weer op. Een deel van de kleinen vluchtte verschrikt weg; de rest, allen meisjes, bleef om mij heen staan en stak de magere bloote armpjes uit.

“Hoepla!” riep ik; “dans eens voor mij!”

De een hief een liedje aan, en daar begonnen ze te dansen, blauw en rose geteekend tegen den grijzen hemel vóór dien blauwgroenen horizon, één en al frischheid in den koelen morgen.

Na vijf minuten werkens, gingen de kleinen om mij heen staan, en ik legde in de roode kinderhandjes de verwachte geldstukken. Toen vlogen ze weg als kwikstaarten en herinnerden mij tevens, dat het tijd was voor het lunch.

Op het duin kwam de waardin uit de herberg mij zoeken. Met de handen in de zij begon ze een lang gesprek en liet mij daarbij haar mond en haar tanden, bijna haar maag zien. Ik ging met haar naar het kleine kamertje met de blauwe, gebloemde borden aan den wand, waar een hagelwit tafellaken een reeks van schaaltjes van wit porselein droeg met deksels. Het zag er uitlokkend uit. De waard blies in alle vriendelijkheid weer veel tabaksrook uit en bracht mij een glas bier.

Plechtig nam ik met de beste verwachtingen het deksel van het eerste schaaltje, een taai stuk biefstuk dreef in de margarine.... Ik ontdekte het tweede: roodbruine worteltjes.... Ik ontdekte het derde: gekookte aardappels.... Ik deed het vierde open: gehakte kool, die naar heliotroop rook....

De waardin lachte een goddelijk lachje, vol trots.

In verslagenheid proefde ik het vleesch en verslond het in stilte, met ruime bijvoeging van bier, melk, eieren en boterhammen.... O, hollandsche keuken! Wat hebt gij mij een last gegeven! Gij vindt nergens uws gelijke, dunkt mij, of het moest zijn in de spaansche pablas, de duitsche ham of de arabische koeskoes.

Toen ik een sigaar aanstak, om het leed over het treurig onthaal wat te verzachten, trad er een der oude mannen binnen. Hij zag er nog ouder uit dan alle ouden, die ik reeds had gezien. Hij ging dicht bij het buffet zitten, liet zich een groot glas jenever geven en ging tegenover den rustigen baas een dutje doen, afgebroken door een paar zachte woorden. Ik had voor mijn oogen een doek van Teniers, en ik genoot er ten volle van. Het in woorden weer te geven, is mij onmogelijk. Geen woord zou de kalmte en rust kunnen schetsen van die beide ouden, die al rookend hun glaasjes ledigden, en daar zaten in hun houten leuningstoelen met rechte ruggen, alsof ze er nooit uit zouden opstaan. Naast hen kookte de koperen ketel; door het groene horretje vóór ’t venster vloeide de zon binnen met vaag schijnsel, dat weerkaatst werd door de borden aan den muur, en de klok, met bedachtzame haast voortgaand, stiet met haar rooden slinger de minuten over de hoofden van die heeren, die de kunst verstonden om het leven te verlengen.

Na een tijd, die lang of kort of middelmatig lang duurde, wat doet het ertoe, dronk vader Kick zijn glas tot den bodem leêg, schudde de asch van zijn sigaar en ging heen. Hij liep omhoog in de richting van de zee langs een voetpad tusschen groene heggen, met den rug naar de roode pannen van de daken.

Wat zou hij daar gaan doen?... Niemand weet het denkelijk.... Op de duinen keek hij naar den oceaan met de handen in zijn zakken en een onverschillig gezicht. Toen ik bij hem kwam, wees hij mij een stoomboot, welker rookpluim den horizon streepte en verzonk toen weer in stom en diep gepeins.

En hij, vader Kick, was mij aldus een symbool van de geslachten van Nederlanders, die als vasthoudende eilandbewoners, van de zee hun tegenwoordig land stalen, en van eeuw tot eeuw hun steenen en houten borstweringen, hun enorme dijken en hun eindelooze pieren vooruitschoven in de nevelige ruimte.

In den blik, waarmee de oude vader Kick de bewegelijke eindeloosheid peilde, scheen hij te zeggen: “Ik heb je, dochtertje, en mijn kinderen zullen je houden!”

Ze zongen er een liedje bij.

Ze zongen er een liedje bij.

[15]

III

Het hollandsche land.—Het water.—De molens.—De landbouw.—De polders.—De dijken.—Oorsprong van Holland.—Een avond te Veere.—Wemeldinge.—De vijf jonge meisjes.—Stomme flirt.—De dronken man.—Het leven op het water.

Een deel van Nederland ligt, zooals bekend is, ver onder het niveau van den zeespiegel en zelfs van de rivieren, hetgeen de werken van allerlei aard verklaart, door de inboorlingen gebouwd om het water tegen te houden, sommige schijnbaar van weinig beteekenis, maar kolossale werken, als men ze nader onderzoekt.

Voordat de Rijn geboren was, waren de Nederlanden een zee. Op een goeden dag werd er in de Ardennen een bres geslagen door de meren, in hun omtrek opgesloten; de bergen weken voor de overweldigende kracht en hun wanden werden weggeslingerd tot op grooten afstand. De Rijn, een nieuwe waterloop, teekende toen Nederland, zooals het hem behaagde, met behulp van Maas en Schelde.

Aanhoudend een massa alluviaal slib aanvoerend, deed hij stapje voor stapje de zee terugwijken, tot deze haar revanche nam en toen werd tegengehouden door een nieuw menschengeslacht. De Rijn, zwakker geworden door de vele zijtakken, die hij uitzond, zou in het zand gestikt zijn, als de genialiteit der menschen hem niet te hulp was gekomen.

De krachten van de zee en die van het stroomende water, de neiging der rivieren, om hun mondingen te laten verzanden, de hevigheid der winden en de overvloed van regen, van watertoevoer bij den voorjaarsdooi, deden de drie rivieren zwellen en buiten haar oevers treden, waarbij zij in het land veel moerassen achterlieten en meren, die drooggemaakt moesten worden en daarna door dijken moesten worden omringd.

De geschiedenis der overstroomingen in Holland is bijgevolg een lange, treurige historie; zonder de Hollanders zou Holland er niet zijn; zonder hun voortdurende waakzaamheid, zou het land weldra een waterwoestijn wezen.

Van Middelburg in Zeeland tot Amsterdam en Hoorn wordt het land, dat eindeloos vlak is, door tallooze kanalen doorsneden, door bruggen, slooten, moerassen en sponzige weiden, waar de beesten soms tot de knieën inzakken.

Men moet zich een reuzendambord voorstellen, in alle richtingen doorsneden door waterwegen, waarin zich altijd wolken spiegelen en kleurige huizen, dikwijls van hout opgetrokken, en molens en kudden.

Smalle wegen, met steenen geplaveid, loopen langs de groote kanalen en brengen steden en dorpen met elkander in gemeenschap.

Weinig of geen landbouw. De veeteelt is voldoende en voedt den bewoner met vette melk, met kaas en biefstuk.

Het water heerscht alom, het overweldigende water, het water, dat rijst of daalt met de maan, en dat, zoo ver het oog reikt, zijn zacht vloeiend reuzennet uitbreidt, waar altijd-door de schepen en de booten en de eenden gaan.

De weide, van een wonderbaarlijk teeder groen, trekt bij den eersten oogopslag de aandacht, breidt ver zich uit tot aan den grijzen horizon en is bezaaid met pyramidevormige daken, met koeien en stieren van onbegrensde en verbazende rustigheid, die de welriekende geuren snuiven van de bloeiende grassen en hun tong laten strijken langs het fluweel der zachte groenheid vóór hen.

Het is eentonig, en die eentonigheid, verkwikkend voor het oog als een licht gewasschen waterverfteekening, wekt indrukken van vredige kalmte, welker afstraling men overal bespeurt, in de menschen zoowel als in de dingen.

Zenuwlijders en zij, wier bitter verdriet of wier heftige gemoedsopstand hen in onrust brengen, moeten hier bij ’t dwalen langs die duizenden van rimpellooze spiegels, te midden van die eindelooze natuurlijke tapijten, hun hart tot rust voelen komen.

Ziehier een paar schetsen. Na een hevigen regen op den weg van Monnikendam, een rood huis in een kring van kortdikke boomen; het lint van den weg ligt vol plassen, heldere vlekken, waarin het blauw van den hemel zich weerspiegelt. Andere huizen staan verderop; twee molens draaien heftig met stooten, houden een seconde op, beginnen weer, draaien, houden stil en draaien weer, de groote stilte brekend met hun gevleugeld rhythme.

O, die molens!... Hun aantal brengt een mensch van de wijs. Nooit zou men kunnen gelooven, dat er zooveel zijn. Ze dienen voor alles, voor het uitpersen van olierijke zaden, het braken van vlas, het zagen van hout, het pompen van water. Het minste zuchtje wind, dat over het land strijkt, moet voor de industrie zijn dienst bewijzen, wordt even vastgehouden om de duizend wieken te helpen draaien, die hun bewegelijke kruisen teekenen op de grijze lucht.

Groote en kleine, ronde en vierkante, er zijn er van allerlei soort en vorm en afmeting, van ’t kleinste watermolentje, dat wanhopig en woedend draait, tot den indrukwekkenden toren van den tolhuismolen, begroeid met zachtgroen mos.

Die molens hebben reden van bestaan. De dijken en de sluizen, die tegen het buitenwater zijn gemaakt, tegen de zee en de rivieren, zouden alleen niet voldoende zijn geweest, om Holland bewoonbaar te maken, zoo het land niet de kunst verstaan had, zich van het binnenwater te ontdoen, dat aangevoerd wordt door de regens, de hooge vloeden, de bronnen en de afgraving van het veen. Bij gebrek aan machines, ging men bij den wind om hulp, en men bevond er zich wel bij.

In 1850 berekende men, dat 30.000 H.A. lands, met inbegrip van het beroemde Haarlemmermeer, zoo van den Oceaan teruggewonnen en voor den landbouw beschikbaar gesteld waren.

De groote moeilijkheid bestond in de handhaving van het evenwicht tusschen de bijzondere belangen van die polders en de algemeene belangen van het afwateringssysteem, waaraan het land zijn bestaan te danken heeft. De verdeeling van de watermassa’s moet met oordeel geschieden, of er kunnen de grootste rampen uit voortvloeien. Maar men voorzag erin door het in ’t leven roepen van scholen voor ingenieurs, waar het kleine leger werd gevormd, dat in opdracht heeft, het grondgebied te verdedigen tegen den eeuwenouden vijand. Als het al niet zoo [16] moeilijk is, een sluis te bouwen, een dijk te dichten, een moeras droog te leggen, er is veel wetenschap en veel oplettende waarneming noodig, om op de goede wijze de watermassa’s af te voeren en te verdeelen.

Een ander schetsje. Te Westkapelle komen twee vrouwen uit den molen, waarvan de ramen twee groote oogen lijken boven een deur, die een neus verbeeldt. Eén heet Keetje; zij is getrouwd met Jocker, den eigenaar van den molen; de andere is haar schoonzuster, Van de Eserke, wier man boer is. Beide verbazen zij zich, dat de boot van Rotterdam nog niet de zakken koren heeft meegenomen, waarmee men haast heeft, als men ten minste ooit haast met iets kan maken.

Vader Kick, in gedachten verdiept.

Vader Kick, in gedachten verdiept.

De landbouw, voor zoo ver men eigenlijk hier van landbouw spreken kan, bepaalt zich tot aardappels, kool, wortels en bieten. Weinig koren, alleen wat tarwe en haver, en dan nog vlas, ziedaar alles. Dat is zeker een der redenen, waarom men geen brood eet, maar zich voedt met meelspijs, melk en boter.

De velden, waar iets verbouwd wordt, zien er slikkerig, vet, leemachtig uit; in regenachtige perioden zakken de karren er tot de naven der wielen in. Zoo’n land zou niet geschikt zijn voor de verschillende producten van onze landbouwstreken.

De beetwortel wordt in Zeeland over een groote uitgestrektheid verbouwd. Als de herfst in het land is, ziet men van alle kanten wagens, door sterke paarden getrokken, heele bergen er van naar de aanlegplaatsen vervoeren. Indrukwekkend verrijzen die hooge hoopen, alsof er manna uit den hemel was gevallen, en onophoudelijk worden de vrachten geschift en geteld door groepen, die niet veel haast maken, terwijl de dikke kegels, die bultig of opgezwollen en log zijn, symbolen lijken van de menschen, die ze wegen.

De schuiten, het eenig mogelijke vervoermiddel in deze vochtige oorden, komen ze halen, om ze te brengen naar de rustige fabrieken, waar de stoom hen zal vervormen.

Over de kanalen met de duizenden van zijtakken glijden de vaartuigen. Den ganschen dag gaan er zoo voorbij, en men vraagt zich af, hoe de schippers niet verdwalen te midden van die waterwegen, die alle op elkaâr gelijken.... Maar de wind, die hen leidt, bedriegt hen niet, en zij komen zonder ongevallen in de gewenschte havens, waar ze hun lading lossen en haar na zorgvuldige opeenstapeling inwisselen tegen klinkende guldens of tegen ruilwaren.

De voortglijdende schepen en de draaiende molens zijn de eenige verlevendiging van de al te groene landschappen.

Achter de kunstmatige oevers, aangelegd om het land te beschermen, komen de met wimpels versierde masten aanglijden, zachtjes en voorzichtig, en het is allermerkwaardigst, die zeilen en masten te zien passeeren boven de landen als lange, zwarte kaarsen.

Door het trillend water van ’t kanaal wenden de schuiten stil en ernstig hun steven stroomaf langs de buigende waterlelies en trekken strepen over het water, en op den kalen oever zeulen magere, kleine paarden ze voort, langzaam en voorzichtig door het groene polderland. Links en rechts strekt dat zich onafzienbaar ver uit, zeeën van groen vormend, waar het eenig teeken van menschenleven gegeven wordt door de molens met hun wijde wiekenvluchten, als spoken ijlend door de lucht. Zij knikken den reiziger toe, al springend en huppelend in een rhythme als van den dans. Ernstig loopen koeien en ossen van bruine kleuren door de velden en scheren de malsche grassen af, terwijl door het water van de vaarten de schuiten gevolgd worden door een stoet van eenden. [49]

Grazende schapen aan ’t kanaal.

Grazende schapen aan ’t kanaal.

Holland is het land, waar het allerminst geluiden worden gehoord, want alles glijdt er over ’t water.

Er bestaan booten voor iedere soort van transport, dus ook voor passagiers. Dat zijn kleine stoombooten, met hutten en dekken, die zonder eenigen schok voortglijden door de kronkelende wateren.

In postuur naast zijn paard.

In postuur naast zijn paard.

Als de reis lang is, richt ieder zich in als thuis, zit te rooken of zet zijn werk voort, als om zuinig te zijn met de stof, waaruit het leven is gemaakt. Er wordt geschreven, gegeten, geslapen. De vrouwen naaien, breien, vertrouwen elkander geheimen toe. Van die haven tot die gindsche ligt voor haar de lengte van een halve kous, van een boezelaar of een intiem verhaal.

Men vaart langs een eentonig landschap, dat is waar; maar hoe rustig en verkwikkend is het niet, in die algemeene stilte den vorm der wolken na te gaan en het oor te luisteren te leggen naar ’t geschuifel van het water, als het door het bootje wordt gekliefd! Dit is een feest der diepe gewaarwordingen, feest van vloeiend water en nevel, van ’t koeltje en het licht en de golfjes!

De minste afwisseling krijgt dadelijk een wonderlijk groote beteekenis, en men gaat een molen bewonderen, die er wat sierlijk uitziet, of een roode boerderij, een vreedzaam rund, een jongen, die voorover buigt, om zijn bootje voort te trekken met behulp van zijn hond.

In ’t voorjaar en den zomer geven waterlelies en irissen witte en gele tinten aan het blauwgroen water van den kant der kanalen, en in de schemering werpt de zonsondergang van mooie avonden er het geheele gamma van zijn kleuren neer, en men krijgt de illusie, over goud, purper en saffier te varen. Wie Holland wil leeren kennen, moet per boot reizen liever dan per spoorweg. Het aanleggen bij de verschillende landingsplaatsen brengt den reiziger tot in het hart van ’t hollandsche land en laat indrukken na, die een vreugde zijn voor langen tijd. [50]

Trouwens die methode van vervoer beantwoordt zoo uitstekend aan de natuur van het land, dat zij de eenig mogelijke schijnt te zijn. De meeste diensten, die elders per wagen worden verricht, gaan hier door middel van booten. De groenteboer duwt zijn schuit voort, beladen met groenten, vrachten of bloemen, zooals hij in Frankrijk zijn ezeltje of zijn karretje leidt.

Te Amsterdam hebben de verhuizingen te water plaats; melk, bloemen, hout enz. worden eveneens zoo vervoerd en aan de eene gracht heeft men de markt voor het eene, aan de andere gracht die voor het andere product.

Nadat hij het water heeft teruggedreven, weggejaagd en met dijken beteugeld, houdt de Hollander ervan, het overal heen te voeren; hij leidt het door zijkanalen en slooten, maakt er de afsluiting zijner landerijen en weiden van, de barrières voor zijn kudden, zonder dat hij honden of herders noodig heeft.

Er wordt alleen een uitzondering gemaakt voor de schapen, die dwaze viervoeters, die verdrinken zouden zonder opzet, doordat ze met hun neus al te ijverig den weidegrond besnuffelden. Men komt ze soms tegen langs de vaarten, ijverig grazend, gehoed door hun eigenaar in een rossige overjas.

Te Wemeldinge, ten zuiden van Goes, vindt men zulke tooneeltjes ook, getuige dit haastige schetsje, dat mij een mijner meest typisch hollandsche gewaarwordingen gaf: een avondhemel van lichtgrijze kleur, een geelachtig kanaal, een langzame schuit, stijve molens, bruine polder, witte beesten met zachte omlijning, oude man in gedachten, stilte.... Zelfs de hond blaft niet, als een schaap den verkeerden kant uitgaat, maar bepaalt er zich toe, zijn snuit tusschen de pooten van de afgedwaalde te steken.

Wemeldinge is een oud plaatsje, vooruitgeschoven sluizenpost in de wateren. Ik kwam er op een regenachtigen morgen aan, toen de hemel in toorn zijn ganschen watervoorraad uitgestort had. Ik had Zoutelande verlaten, om mij naar Westkapelle te begeven, waar de beroemde westkappelsche zeedijk is, alleen te vergelijken bij die van dichtbij den Helder. Die dijk, verscheiden duizenden meters lang, uit enorme steenen en stevige palen bestaande, stelt een verbazende hoeveelheid arbeid voor, wanneer men bedenkt, dat er noch steengroeven, noch wouden in de buurt zijn. Een kolossale molen steekt er boven uit, niet ver van de huizen met roode daken. Dat alles ziet er niet juist treffend uit, doet ten minste niet bij den eersten aanblik verbaasd staan. De natuur verzacht ook een beetje het bewijs der menschelijke energie, door elk open plekje met gras te bekleeden; maar zij kan de zee niet beletten, er onophoudelijk tegen aan te slaan, en als men zich keert naar de vlakte, krijgt men een indruk van wat de zee heeft moeten afstaan.

Van Westkapelle naar Veere is niet ver, langs een goed onderhouden weg. Te Veere is een oud kasteel in een hotel veranderd, onmiddellijk aan het water gelegen. Een ronde toren is het eigenlijke hoofdblok van het huis en dient als gezelschapszaal op de eerste verdieping. Hooge vensters met diepe vensterbanken bieden een goede zitplaats, om den strijd gade te slaan van de zonnestralen tegen de nevels en de wolken en de schaduwen.

Bij het vallen van den avond vallen er subtiele, teedere kleuren in de ruimte neer, en mooie lichteffecten worden verkregen; als dan de avond en de nacht daar zijn, dansen overal op het water de lichtjes en de vuren, teekenen zich eerst onduidelijk af, komen naderbij, worden rooder, verdwijnen weer. Men hoort geen roeiriemen plassen, noch geklepper van zeilen of liedjes van scheepsjongens, en ’t is, of het spookschepen zijn, die schatten van de diepten zoeken.

Te Veere nam ik den volgenden dag een vroege boot en voer naar Zierikzee in een fijnen regen, wanhopig eentonig, een hollandschen regen, die echter spoedig overging in dikke pijlvormige stralen, met woeste vaart uit den hooge naar beneden schietend.

Ineengedoken in mijn regenmantel, onderging ik op stoïcijnsche manier den storm, kijkend naar de wagens, die weggezakt waren in den weeken grond der velden en nu en dan omhoog gehaald werden door de krachtige inspanning van paardenheupen en pooten, met vet slib bezoedeld.

Maar ten slotte werd het toch weer helder; ik besteeg mijn fiets en rolde door het land, overal rondkijkend en tegen den wind in trappend.

Ik legde vele kilometers af, reed over ophaalbruggen en dammen, langs weiden en stukken bouwland, door dorpen, die alle aan elkaar gelijk waren, en kwam te Wemeldinge op den tijd toen mijn maag luide riep om nieuwen voorraad.

Wemeldinge heeft een hoofdstraat, beplant met geschoren olmen. Geleid door een klein meisje, kwam ik al gauw in ’t eenige logement der plaats.

De waard, een groote, magere man met een profiel voor een medaille, ontving mij vriendelijk. Hij waarschuwde zijn vrouw. Deze was niet bij machte mij te begrijpen en riep haar dochters. Vijf jonge, frissche deerntjes, lachend en rose en mooi, kwamen te voorschijn en stonden met haar bloote armen en haar gevleugelde mutsen om mij heen. Ik nam een blad papier en teekende een koe, toen een brood, een karn en andere ingrediënten, die als symbolen konden dienen van voedsel, dat ik wenschte te verorberen. Zij vouwden de handen, lachten zeer luid en spraken allen tegelijk onder druk bewegen van haar kleine handen, om mij een massa geheimen te onthullen.

Ik haalde mijn woordenboek voor den dag. Dat wekte sensatie.

“Lief boerin ... aardige meisjes...”

Zij dansten van pret. De moeder liet ze op een rij staan, telde ze met den voorvinger en klopte zichzelve op de borst.

“Ik heb ze het leven gegeven.”

“Mijn compliment... Bekoorlijk... Ik heb zoo’n honger!”

Nu haastten zij zich. Eén bracht melk, een ander roastbeef, een derde brood, een vierde kaas. De vijfde, die heel mooi was, een Martha gelijk, bleef stil bij mij en hielp mij den weg vinden in het labyrinth van mijn zinnetjes, die zulk duister Nederlandsch bleken te zijn.

Als een pacha ging ik aan de tafel zitten, bediend [51] door de bekoorlijke schoonen, wier rustige gratie en frischheid mij kalm stemden. Ik verscheurde het taaie vleesch met mijn tanden en verslond met mijn oogen de aardige tronies. Inderdaad ben ik nooit het voorwerp geweest van zooveel attenties, zelfs niet in mijn vaderland, waar de jonge meisjes toch heel lief zijn.

Toen ik verzadigd was, stak ik een sigaret aan en beloofde den jongen dames waar te zeggen. Het was vermakelijk. Zij kwamen dicht bij mij staan, terwijl ik met gefronste wenkbrauwen als een wijze sybille de lijnen van haar handjes bestudeerde.

Daarop wilde ik weten, hoe oud ze waren. De handjes gingen omhoog en als kleine kinderen, die op de vingertjes optellen, rekenden zij de lentes na, die ze achter zich hadden.

Ik vroeg ze, mij een hollandsch liedje voor te zingen. Ze vatten elkander om het middel, traden terug tot achter in de kamer en liepen naar mij toe onder het zingen van een airtje, tra la la.... Toen bukten ze allen en lachten, dat ze schaterden, om daarna haastig weg te loopen. De vader, die tusschen zijn glazen en blaadjes kalm zijn pijpje zat te rooken, lachte mee.

Groote molen op den dijk te Wemeldinge.

Groote molen op den dijk te Wemeldinge.

“Waar zijn zij heen?” vroeg ik in armzalig Duitsch.

“Naar boven,” zei hij, wijzend naar ’t plafond.

“Ik wou haar portret wel maken.”

“Wacht een oogenblik.”

Beneden aan de trap wezen vijf paar zwarte pantoffeltjes, met kralen versierd, op een overhaaste vlucht. Hoewel ik er lust toe gevoelde, durfde ik niet naar den harem opstijgen; dus vergenoegde ik mij met wachten en een sigaartje te rooken.

Een kwartier ging aldus voorbij; daarna hoorde ik achter de deur een onderdrukt geluid. Ik deed de deur open. De oudste drie stonden daar, uitgedost in de beste spullen.

“En de beide anderen?”

Zij schudden het hoofd, wezen op haar kapsel, haalden de schouders op, en ik meende uit de bewegingen te moeten opmaken, dat een aanleiding van coquetten aard ze belette, naar beneden te komen.

“Maar wij zijn er, wij!” beduidden ze mij.

Ik volgde de meisjes in den tuin, waar een groen hek dien afsloot, begroeid met klimrozen en loopend langs een wegje. De zon scheurde bij tusschenpoozen de zware wolken, die in troepen langs den hemel draafden, en verlichtte dan plotseling den violetten horizon met een geelachtig schijnsel; maar de mutsjes met de ronde vleugels vulden voor mij de gansche ruimte, zooals ze daar boven de levendige oogen een geheimzinnige taal spraken. De jonge meisjes lachten en lieten de armen hangen. Ik nam ze om beurten bij de pink en bracht ze naar het hekje, waar ik tegen leunde, om haar in oud Fransch een fijn complimentje te maken, waarvan zij enkel den klank begrepen; maar die was aangenaam, want het was dit versje van Ronsard:

“Donc, si vous me croyez, mignonnes,

Tandis que votre âge fleuronne

En sa plus fraiche nouveauté,

Cueillez, cueillez votre jeunesse;

Comme à cette fleur la vieillesse

Fera ternir votre beauté.”

Toen zette ik de drie gezichtjes door mijn voorbeeld in de gewenschte plooi van ernstige vriendelijkheid, en ik ging wandelen, na even mijn vinger gelegd te hebben op de gouden vlindertjes bij haar voorhoofd.

Ik liep langs het groote kanaal. De sluizen, die ieder oogenblik opengaan, lieten langzame schepen door, die, met de zeilen geheschen, zich verwijderden in de groene omgeving tegen den bewegelijken achtergrond der lucht, waar zware wolken voortjoegen. Wagens waren in de buurt bezig hoopen beetwortelen af te laden. Een oude man hoedde de schapen op de hellingen van den wal. En overal stilte, altijd stilte ... toen weer avond.

In de biljardkamer zie ik mij vervolgens, passend bij de omgeving, gezeten in een hoek en sigaretten rookend met tegenover mij twee van mijn jonge meisjes, die met droge tikjes aan het breien zijn. [52] Wij lachen nu en dan tegen elkander met in onze oogen werelden van onuitgesproken dingen. Ik geniet van de witheid harer aardige huiven, van de blankheid van haar teint, de lenigheid harer bloote armen, mooi uitkomend tegen ’t zwart fluweel der korte mouwtjes. En die stomme flirt in het koffiehuis van het verloren dorp bij den rook van sigaren en de schokjes van de biljardballen, bewogen door ernstige spelers, bij de kolossale glazen bier en de verbleekte chromo’s aan de muren, wekt allerlei illusies in mijn geest.

Ik denk, dat ik een der boeren ben, en dat ik hier in huis aan de tafel zit, om mijn hof te maken aan Reneetje Korstanje, dochter van Frans Korstanje, waard te Wemeldinge. Reneetje is met de laatste kermis zestien jaar geweest, en ik heb haar onder de anderen uitverkoren om haar oogen, die een gouden glans bezitten. Ik heb haar te dansen gevraagd, heb haar poffertjes laten eten, en aan haar pink heb ik een zilveren ringetje laten glijden, uit de schatten van een marskramer opgezocht. Den volgenden dag ben ik aan ’t venster komen kloppen, en ik heb mijn eerlijke bedoelingen aan den vader blootgelegd. De oudere zusters zijn een beetje jaloersch geweest, want zij wachten met ongeduld, dat voor haar de tijd van trouwen komt; maar ’t zijn goede kinderen, en ze hebben vriendelijk tegen mij gelachen, nauwkeurig lettend op mijn manieren, om te zien hoe een minnaar doet.

Westkappelsche Zeedijk.

Westkappelsche Zeedijk.

Ik ben in het bezit van drie schuiten, en ik vaar van Goes en de andere plaatsen van de eilanden naar Rotterdam. Ik passeer alle twee of drie dagen Wemeldinge, en dat zal heel gemakkelijk zijn, want ik zal daar dan een mooi huishoudstertje op mij vinden wachten. De bruiloft moet binnen een maand gevierd worden; er zal een groot feest zijn; we zullen violen hebben en lange linten, jenever, rundvleesch en zwart bier.

Reneetje zit nog altijd te breien. In Holland breit men niet, als in Frankrijk, met de punten der vingers. De breisters hebben in de ceintuur een scheede van gesneden hout; ze steken daar een naald in en de wol wordt tot breisteken met een verbazingwekkende snelheid, begeleid door een aanhoudend gegons.... Reneetje breit. Ik schets haar portret. Zij houdt nu en dan even op, om haar vingers rust te geven, en ziet met open blik zonder schroomvalligheid of brutaliteit naar den franschen meneer, wiens baard veel indruk op haar maakt.

De oudste, een mooie blondine, komt binnen en wenkt mij, haar te volgen. Zij brengt mij naar een zaal en wijst naar de tafel, waar vijf porseleinen dekschalen op staan met melk en thee en boter.

Ik licht bevend die bedriegelijke deksels op en word bijna flauw van de geparfumeerde geuren, die opstijgen van de voor mij bereide gerechten. Maar ik moet dapper zijn, want elk oogenblik gaat de deur half open, en een der vijf gezichtjes komt eens kijken naar wat ik doe. Ik voel mij door blikken omringd.... Ze kijken stellig door het sleutelgat, door het venster en glinsteren, om mij te dwingen, die dingen daar in te slikken. Ik tracht mij te onderwerpen; maar ik stik bijna en bepaal er mij toe den biefstuk te eten, het gekookte vleesch en ’t brood, die alle redelijk smaken.

Kleine klompenjongetjes in Volendam.

Kleine klompenjongetjes in Volendam.

[54]

De avond gaat om met langzamen tred. Een jonge onderwijzer, die brokjes kent van Fransch, Engelsch en Duitsch, heeft met mij gepraat over zijn toekomstplannen, zijn vrije gedachte en zijn familie. Om elf uur gaan de klanten opstaan en vertrekken. Alleen een kleine, ronde, oude man, wiens ambitie bij ’t biljarten ik had opgemerkt, bleef zitten en snorkte kalm.

Oolijke Volendamsche deerntjes.

Oolijke Volendamsche deerntjes.

De herbergier schudt hem heen en weer; verloren moeite. Men schreeuwt hem iets in ’t oor; hij beweegt niet. Men zet hem overeind; hij slaat zijn zware oogleden op en is op ’t punt te vallen. Hij wordt naar de deur geloodst; maar hij doet drie schreden, om dan op den vloer te vallen als een lijk. Zijn witte schedel met enkele gele lokken dreunt dof op den grond, en hij blijft liggen, weer in slaap vallend....

De vijf boerinnetjes zijn doodverschrikt en vouwen de handen. De vader, die het lastig vindt om de politie, gooit water in het bleeke gezicht van den dronken man, terwijl de moeder mij geschiedenissen vertelt, die zeker wel interessant zijn, maar waarvan ik geen woord begrijp.

Daarom neemt de waard een heldhaftig besluit; hij vat de beenen van den oude, wijst mij het hoofd, en samen hijschen we hem op het biljard, waar hij lekker blijft doorslapen, als lag hij in een veêren bed. Buiten valt de regen met zacht geluid. Daar wordt kort op de deur geklopt. Een stem vraagt iets. Er wordt open gedaan. Een jonge boer met het ronde hoedje en het vest met metalen knoopen, komt binnen. Het oudste meisje keert zich blozend om. Hij kijkt naar zijn oom, want hij is, schijnt het, een neef, die zoo twee van de drie avonden den dronken man komt halen. Hij schudt meewarig het hoofd, neemt hem op zijn schouders en gaat heen, begeleid door een straal van licht, die uit het koffiehuis over den weg valt onder de ronde, geschoren olmen naar de donkerheid, het water, de zee, het onbekende. En ieder volgt in stilte de schreden van den jongen man, den schutsengel, die den als dooden grijsaard meevoert.

Den volgenden morgen ging ik, na een ruime uitdeeling van handdrukken aan het geheele huishouden en slechts eenige guldens armer, aan boord van de eerste stoomboot en voer over de kronkelende kanalen tusschen molens, weiden en dijken naar Noord-Holland.

Die stoomboot zag er verbazend huiselijk uit, en ik voelde, toen ik mijn voet op het dek zette, dat ik er zou kunnen slapen, zooveel ik wilde, zonder te worden gestoord. De kapitein, een droog en ernstig heer, stelde mij voor om naar beneden te gaan, daar het boven koud en winderig was. Zijn vrouw, een jonge blondine met blauwe oogen, die er met haar krulletjes en een kleine rose boezelaar kinderlijk uitzag, zat er en streelde een dikke poes. Zij stond op bij een teeken van haar man en trad een klein keukentje binnen, achter een schot verborgen, bracht ververschingen en terwijl de rook der sigaretten haar blauwe oogen verzachtte, er iets wazigs aan bijzette, zooals de ziel is van haar volk, liet ik mij zachtjes door het bootje schommelen.

Des avonds, toen de lichten werden aangestoken, verschenen dokken en bruggen en vele masten van schepen; klokkenspel weerklonk, en het stoombootje gleed als een vlindertje tusschen reuzengevaarten Rotterdam binnen bij het slaperig geluid van de stoomfluit....

IV

De hollandsche visscher.—Volendam.—De wasch.—De kinderen.—De eenden.—De haringvangst.—De zoon van den visscher.—Een zonderling eiland: Marken.—Te midden van het water.—De huizen.—De zeden.—De jonge meisjes.—Vooruitzichten.—De turf en de veenderijen.—Nationaal product.—Hoogveen en laagveen.—Plaatselijke steenkool.

Als men visschers wil vinden, moet men ze niet in Zeeland zoeken, ondanks de drukte in Vlissingen. Men neme liever de boot, doe Kortgene, Stavenisse en Zierikzee aan en ga van Rotterdam over den Haag, Haarlem en Amsterdam, kalmpjes naar Volendam aan het strand der Zuiderzee; dat is de goede manier.

Volendam is langs den straatweg 16 K.M. van Amsterdam verwijderd. Het is een punt van bijeenkomst van schilders uit alle landen, die zich van het havenstadje hebben meester gemaakt, om er hun kunstproducten aan te ontleenen.

De kleederdrachten, de menschen en de huizen zijn alle geschikt om een kunstenaarsoog, dat het schilderachtige liefheeft, te boeien.

De huizen, die door elkander gebouwd zijn langs de pier, omgeven meertjes en binnenzeeën, kanalen, plassen en slooten, waar ze hun steunpilaren in drijven. Door het vettige water, zwaar en vuil van afval en allerlei ander ontuig, duikelen luidruchtige, onbeschaamde, vraatzuchtige eenden; zij proesten en snuiven, zonder zich te storen aan de schuiten en en bootjes, waarmee de kooplieden de nabijzijnde dorpen bezoeken.

In de verte is de grijze, vlakke, nevelige horizon versierd met molens, die hun vluggewiekte kruisen zwaaien, en met zilveren linten van kanalen.

Op waschdagen wapperen linnengoed en veelkleurige bovenkleêren overal in den wind; de huizen zijn er mee gedrapeerd, reeksen palen behangt men er mee, en alles bolt en klatert, alsof het vlaggen waren.

Volendam is eerst echt Volendam bij stormachtige lucht en op waschdag. Ieder is buiten. In tegenstelling met gewone steden, waar men alleen bij noodzaak uitgaat, wordt er hier met pleizier gewandeld, zooals in alle visschersplaatsen. Er wordt namelijk door de mannen tusschen twee vischperioden het gemakkelijke, kalme leven geleid van een solied rentenier. Ze zitten te praten of loopen op klompen rond, slap en lui, tot de klok van den afslag hen roept en, als het ware, verzamelen blaast.

In zijn buitensporig wijde broek, zijn buis en das en bontmuts, heeft de visscher uit Volendam iets aparts, dat niet te beschrijven is. Hij heeft iets van een Rus, een Laplander en een Mongool, maar toont zich Hollander door de duizenderlei kleine eigenaardigheden van zijn houding en bewegingen en woorden.

Buiten de tijden, waarop hij op de Zuiderzee zwalkt, met zijn netten werkend in de nog al kalme golven, is er weinig verscheidenheid in zijn werk. Zijn langzaamheid is een gewoonte. Hij flaneert altijd; dat zegt alles. Hij heeft niet, als menschen uit [55] andere deelen van het land, kleine zorgen voor zijn tuintje, voor den oogst of voor zijn industrie, en de vrouwen kunnen het huiswerk best af.

Hij flaneert dus maar, of maakt zonder haast zijn aas voor ’t visschen in orde en zijn netten; hij hurkt in de zon neer met zijn vrienden, om welbehagelijk te rooken, of zit met zijn massieve zwaarte op de steenen pieren en zware houten beschoeiingen, die over de zee zijn uitgebouwd door zijn gestorven voorvaderen.

Meisjes en mutsjes van Volendam.

Meisjes en mutsjes van Volendam.

Toch is hij bezig, maar in volslagen kalmte en geniet genoegelijk de rust der stille uren.

Dit schetsje symboliseert hem: Op een achtergrond van vastgemeerde booten en een golvende deining, waar de wolken zich in spiegelen, laat Frans, liggend op den achtersteven van zijn boot, zich zachtjes wiegelen als een kindje, wachtend, tot men hem manden brengt, om de zilverkleurige visch in te bergen, die schittert in het ruim van zijn schuit.... Met de handen in zijn zakken, de pijp in den mond, rust hij daar uitstekend, en men weet niet vooruit, wanneer die zoete kalmte een eind zal nemen.

Enkele zeelui echter—maar er zijn niet vele zoo—zijn wat actiever, laten groenten en andere levensmiddelen uit de naburige stad komen en schuiven kalmpjes hun handkarren voort, die er mee beladen zijn, en waarmee ze bij de huizen venten.

Kinderen loopen in troepjes rond, met veel drukte van klompengeklots, maar zonder roepen of schreeuwen, net als in Zeeland. De kleine meisjes dragen het kanten mutsje van den eigenaardigen om het hoofd sluitenden vorm, de jongetjes dragen, evenals hun vaders, een wijde broek, kort buis en bonten muts.

Het is wezenlijk een genot voor de oogen. Als zij in een lange rij dansen over de planken van de pier of vroolijk huppelen met de ronde, tevreden gezichtjes, moet men op mijn woord wel belang in hen stellen, en men krijgt grooten lust ze mee te nemen, die aapjes van Volendam, om ze in zijn [56] vaderland eens te laten zien als zeldzaamheden van waarde.

Er zijn verrukkelijke paartjes, precies gelijkend op personnages van oude schilderijen, die ons doen glimlachen, omdat er zooveel goed humeur en vroolijkheid van hen afstralen, zooveel gezondheid ook en gemoedsrust.

Waschdag in Volendam.

Waschdag in Volendam.

De vrouwen zijn zeer druk in beweging in Volendam, drukker dan op andere plaatsen. Zij leven veel minder binnenshuis opgesloten en doen meer mee aan wat buitenshuis geschiedt. Sommigen wasschen het huishoudwaschgoed in zeewater aan den rand der op een rij liggende booten, anderen hangen de stukken uitgespreid op aan lijnen, die daarvoor tusschen palen zijn gespannen, terwijl de wind om haar henen blaast.

Onze fransche visschersvrouwen babbelen, met het breiwerk in de hand, uren aaneen; maar deze vrouwen zijn alleen uit noodzaak buiten. Waar zouden ze ook gaan praten? Aan alle kanten is slechts water, in slooten en plassen en vaarten. Buiten de pier en de beide wegen van Edam en Monnikendam, is alles water of moeras.

Het dorp Volendam.

Het dorp Volendam.

De eenden, die bij duizenden tusschen houten hekwerk gehouden worden, kwaken onafgebroken. Het plaatselijke leven concentreert zich op de pier, waar de mannen rondloopen bij het gebouw van den vischafslag.

Zijn dit dus de afstammelingen van de beroemde hollandsche zeelieden, die oudtijds de wereld vervulden met den klank van hunne heldendaden, toen zij den bezem voerden in den mast, om de zee schoon te vegen, en die de vloten van Frankrijk en van Engeland konden weerstaan?

Mijn God, ja ze zijn het wel, en hun schijnbare apathie verbergt waarschijnlijk een verrassende wilskracht. Is Nederland niet door hen groot geworden; heeft het aan hen niet zijn bestaan te danken?... Het vlakke, vochtige land had geen koren, geen steenen en geen hout; zij hebben er die noodzakelijke dingen aan geschonken, door er den buit der zee voor in te ruilen. Zij hebben van de zee en haar rijkdommen geprofiteerd en profiteeren er nog van, als van een grooten voorraadsschuur vol geconserveerde levensmiddelen.

Naar den aard der visschen, die in iedere haven het veelvuldigst voorkomen, onderscheidt men verschillende takken van de vischvangst. De haring is door den overvloed, die ervan gevangen wordt, en door zijn goeden naam in het verleden, een echt nationaal product, zoo goed als turf en tulpen. [57]

De vrouwen van Volendam buitenshuis bezig.

De vrouwen van Volendam buitenshuis bezig.

De Hollanders onderscheiden drie soorten van haringen, den pekelharing of gekaakte haring (kaken is het opensnijden van den haring met een mes en de visschen dan in lagen leggen, in vaten, op zout); den steurharing, die in den herfst op de kusten van Engeland wordt gevischt, en den panharing of versche haring, dien men in de Zuiderzee vangt en die tot voedsel dient van de armere klassen der bevolking.

Jong moedertje op Marken.

Jong moedertje op Marken.

Die laatste categorie is het interessantst, want zij is het groote middel van bestaan voor de visschers van Volendam, van de andere havens der kust en van de bewoners der eilanden Urk en Marken.

De haven van Vlissingen hield zich het eerst met de haringvangst bezig in lang vervlogen tijden, zoo in de buurt van de 12de eeuw. In 1360 vond een man uit Zeeland, genaamd Willem Beukelszoon, de kunst uit van het haringkaken, dus het bereiden van den haring en het bewaren in zout, waardoor hij een grooten stoot gaf aan de plaatselijke industrie. Die ontdekking werd het uitgangspunt voor de ontwikkeling van geheele streken en legde den grond tot dien publieken rijkdom, waardoor de bataafsche natie in staat is gesteld, de enorme belastingen te betalen, noodig geworden door het onderhoud van de werken, tegen de zee opgericht.

Te Hoorn werd in 1416 het eerste groote net gemaakt, waarvan het nut, gevoegd bij dat van het inzouten, tot in ’t oneindige de opbrengst der zee vermeerderde.

Die netten, echte reuzen in hun soort, wekken de gedachte aan de milliarden visschen, eeuwen aan een door de naburige volken verslonden, en men begrijpt, waardoor Holland ondanks de armoede van zijn grond een rijk, soliede en welbehagelijk land heeft kunnen worden.

Er gebeurde bovenmatig veel voor de haringvangst. Geschiedschrijvers zijn er niet over uitgepraat en geven wonderbaarlijke statistieken, volgens welke men moet aannemen, dat het geheele volk zich bezighield met het vangen, zouten en verkoopen van haring.... In verordeningen werd het manna van de zee genoemd het Peru van de Bataafsche Republiek.... Premies tot aanmoediging werden tot aanzienlijke bedragen gegeven aan de Broederschap der Haringvisschers, tot schade van andere takken van vischvangst. Geen ander dan een geboren Hollander mocht zich met het kaken bezighouden.... In ’t kort, de uitvoerigste reglementen beschermden op allerlei manieren deze al te interessante industrie.

De nederlandsche haring trotseerde aldus langen tijd alle vreemde concurrentie en deed meer voor de grootheid van het land dan de beste kanonnen.

Toen volgden de oorlogen van het Rijk. Groot-Brittannië, altijd zoekend naar de beste gelegenheden om handel te drijven, verleende vrijstelling aan de geheele vischvangst, schafte het systeem der premies [58] af en bracht, door den haring voor minder geld te verkoopen, aan den hollandschen handel groot nadeel toe.

In hun weelde als verstijfd, gingen de eigenaars der hollandsche haringbuizen niet met hun tijd mee en zagen langzamerhand hun handel verloopen. De zaken gingen zelfs zoozeer achteruit, dat de regeering op haar beurt de premies moest afschaffen.

Tegenwoordig heeft de haringvangst geen nationale beteekenis meer, en al is zij nog voor den visscher een bron van eerlijke inkomsten, zij is niet meer een voorwerp van algemeene zorg.

De echte haringvisscher brengt zoo weinig mogelijk tijd aan den wal door. De zee is voor hem alles: zijn bruid, zijn vrouw, zijn wieg. Met zijn bijbel en zijn pijp zou hij naar het eind der wereld gaan en weer nieuwe werelden ontdekken, als er nog nieuwe waren. Er werd te Volendam met eerbied gesproken over een zekeren Hans Ouderke, tegen wien men eens in een herberg gezegd had: “Je moest eens naar Indië gaan.” De brave man ging zijn logger de volgende dagen bemannen en ging er heen.... Een anderen keer vond hij den weg naar Californië, zonder andere hulp dan zijn kompas.

Als de visscher niet op den gewonen tijd thuis komt, beschouwt men hem als verloren, en zijn vrouw mag, als er drie jaren zijn voorbij gegaan, een nieuw huwelijk sluiten. Vroeger schreef de wet een tusschentijd van tien jaren voor; maar toen de zedelijkheid daaronder leed, werd de bepaling verzacht.

De zoon van den visscher wordt visscher. Van den leeftijd van vijftien jaar af kent hij volkomen de kunst van ’t ophalen der volle netten, het omgaan met de zeilen en de beheersching van het roer.

Zeer onafhankelijk, zeer godsdienstig en zeer aan oude gewoonten gehecht, volgt hij in alles ’t voorbeeld van zijn vader, die zelf dat van den zijnen volgde. Op zee drinkt hij nooit; aan land drinkt hij betrekkelijk weinig, behalve op de kermisdagen, die echte bacchanaliën met zich brengen. Op die dagen nemen de herbergiers de meubels weg uit hun zalen en laten er enkel een tafel staan en stoelen en banken. Nacht en dag verzonken in een onrustbarende dommeligheid, met tusschenpoozende oogenblikken van groote bewegelijkheid, waarin hij hartstochtelijk aan het dansen deelneemt, gaat de visscher zich in zulke tijden te buiten aan sterken drank en slaap.

Hij trouwt al vroeg.

De kustvischvangst omvat de vangst van versche visch van allerlei soort en die van den haring, bestemd om te worden gerookt.

Een gewone boot voor die vangst kost drie tot vijf duizend gulden. Zij behoort òf aan den visscher zelven òf aan den reeder. De bemanning krijgt een groot net met touwen; het overige moet zij zich zelve aanschaffen en zij moet in haar eigen onderhoud voorzien. De onderhouds- en reparatiekosten van het schip worden gelijk verdeeld; wat boven de klamp is, dat is buiten het water, komt voor rekening van de bemanning en wat onder water is, voor dat van den eigenaar of reeder, op grond van het beginsel, dat het eerste door veronachtzaming kan lijden, en dat het laatste geleidelijk slijt. Voor de zeilen zorgt de eigenaar.

De vangst van versche visch maakt slechts vrij korte tochten noodig. Zoodra ze terug zijn, ontschepen de mannen hun buit en verkoopen dien dadelijk op het strand aan de kooplieden uit de buurt of brengen de vangst naar den vischafslag, als er zulk eene inrichting bestaat. De visch wordt dan naar de naburige steden vervoerd in wagens met sterke honden er voor, die met merkwaardigen ijver hun werk doen. Die ambitie heeft ons wel eens een glimlach ontlokt over de sentimentaliteit van onze landgenooten, die een verbod hebben uitgevaardigd tegen het gebruik van trekhonden.

De vangst van versche visch houdt op met het einde van den zomer en maakt plaats voor de haringvangst tot in December.

Daarna is de tijd der gedwongen werkstaking daar, en daar de visscher zelden zich eenigen welstand heeft kunnen verwerven, ontstaat er groote armoede en ellende, die door de autoriteiten moet worden weggenomen door geregelde ondersteuning.

De Zuiderzee vormt, zooals bekend is, een golf van de Noordzee. De massa harer wateren beslaat een ruimte van 54 vierkante mijlen en bespoelt de provincies Friesland, Gelderland, Utrecht en Noord-Holland, waarvan zij indertijd bij hooge vloeden groote stukken heeft afgeslagen, daarbij op alle kusten dood en vernieling brengend.

In de open zee vormen de eilanden Urk en Marken nog overblijfselen van die verzwolgen landen.

Marken, het grootste, ligt tegenover de stad Monnikendam. In één uur kan men met goeden wind er per boot worden heengebracht.

Dat uur legt vele eeuwen tusschen de bewoners van het eiland en die van het vasteland. Het verschil in kleeding en zeden en gewoonten is zelfs zoo groot bij dien verbazend kleinen afstand, dat men aan verschillende afkomst heeft gedacht. Sommigen beweren, dat de eilandbewoners afstammelingen zijn van de Marsotten, van wie Plinius en Tacitus melding maken. Zij bezetten een stuk gronds dicht bij het meer Flevo. Een overstrooming scheidde dit deel van het vasteland op ’t eind van de 13de eeuw.

De ruimte er tusschen was eerst slechts smal en een gewone houten brug onderhield de gemeenschap; maar langzamerhand vrat de zee meer land weg, meer velden en polders, en de boeren moesten, om te kunnen leven, visschers worden....

Ik nam de boot naar dat eiland tegen vijf uur ’s avonds en voer weg van de aanlegplaats te Monnikendam. Twee jonge knapen met korte, wijde broeken en buizen van een grove stof en ronde hoeden, zijn aan het laden van allerlei eetwaren; zij hebben met hun vader een geregelden dienst tusschen het eiland en den vasten wal in ’t leven geroepen.

Met een voor Hollanders ongewone vlugheid voerden zij de verschillende handgrepen uit voor ’t zeilklaar maken van de boot, heschen het groote, bruine zeil, maakten de touwen in orde, tot eindelijk de schuit bewoog en zich naar de open zee wendde.

De oudste der matrozen had de boom in de hand genomen en stond te duwen, kijkend naar de stad, die achteruit week in het rossige schijnsel.

Er hing een nevel over ’t water, voorbode van de vallende schemering; het klokkenspel in den [59] toren gaf in heldere klanken den tijd aan; daartusschen hoorde ik ’t geklots der golven, door ons scheepje uiteen gedreven, en dit oogenblik had iets geheimzinnig ernstigs, alsof wij naar een onbekend land gingen.

Visscher van Volendam in zijn wijde broek.

Visscher van Volendam in zijn wijde broek.

Langzamerhand hadden wij niet anders om ons heen dan water en nevels. Een der jongens floot een wijsje. De touwen van den mast knarsten onder den druk van den koelen wind; toen doken schaduwen op, eerst onduidelijk, toen helderder. Het waren puntdaken van huizen en masten, uit zee oprijzend; zonder duinen of rotsen lag Marken daar, als een zeer groot vlot op het water, half ondergedoken.

De boot stopte aan de kade en werd vastgelegd. Ik sprong aan land. Er waren daar twee of drie mannen, gekleed als mijn varensgasten, en jonge meisjes met lange losse haartressen leunden tegen een brug. Een groote stilte heerschte er in het haventje, dat daar lag te midden der bewegelijke zee. Ik moet er wel een zonderlingen indruk hebben gemaakt, zoo weinig was ik in harmonie met die houten huizen, op palen gebouwd, en die zonderlinge menschen.

De meisjes keken mij aan. In de avondschemering hadden haar oogen met de lange wimpers tusschen de hangende krullen langs hun hoofd diepten als van den oceaan, en toen zij ernstig het hoofd bogen bij mijn voorbijgaan, kon ik denken, dat ik zeegodinnen vóór mij had, jonkvrouwen, zoo dikwijls door dichters bezongen. Ik haastte mij, mijn weinige bagage te deponeeren in het eenige logement, en ik stapte de straatjes binnen, met steenen geplaveid, die naar de zeven buurtschappen voeren, kunstmatige hoogten van leem en veen, waar de huizen der bewoners staan.

Volendam. Twee oudjes in het zonnetje.

Volendam. Twee oudjes in het zonnetje.

De zee had, zooals dikwijls gebeurt, den vorigen dag de magere weiden overstroomd, die om de terpen tusschen de lage dijken lagen, zoodat ik aan beide zijden door water was omringd, en de huizen in den echten zin des woords uit het water opstaken zonder eenigen horizon van land. Hoog gras groeide op sommige plaatsen en herbergde kakelende eenden, terwijl de halmen ritselden in den wind en de intense somberheid verhoogden van dat waterland.

Zoo liep ik een uurtje rond, tot het volkomen donker was, en nam die duizenderlei gevoelens in mij op, die het onmogelijk is om weer te geven, gevormd door ’t onverwachte, ’t onbekende, plotselinge kleurnuances, en altijd groetten mij de vrouwen met de diepe oogen, die zonder woorden spraken. Toen keerde ik naar de herberg terug, waar een [60] vroolijke dienstmeid, forsch en in kleurige kleedij, mij een stevig maal voorzette.

Den volgenden dag had het water zich teruggetrokken, en ik kon het eiland bekijken, want het is, in ’t groot beschouwd, één eiland.

De haven is het meest vaste deel van Marken. Overal door steen en hout stevig omringd, liggen er een honderdtal visschersschuiten veilig voor anker.

De huizen, geteerd en met pannen daken, zijn uit planken opgetrokken en staan op een veenbedding. De woningen van binnen te bekijken, behoort tot de werkzaamheden der vreemdelingen. De grootste zindelijkheid heerscht er tot in alle hoekjes; glimmen doet het vaatwerk aan de wanden, en alle koper straalt u tegen als een spiegel. Het is de glorie van ieder huisgezin, en ik zag telkens jonge meisjes mij met den vinger wenken, dat ik de mooie properheid van de woningen zou bewonderen. Die teekens en de glimlachjes, die er bij behoorden, waren, helaas, slechts vermomde verzoeken om geld, en ik moest met mijn bezoeken zuinig zijn, uit vrees van anders al mijn geld er achter te laten.

Aardig, expressief kindertype.

Aardig, expressief kindertype.

De meeste huizen hebben slechts één vertrek, waar geslapen, gekookt en gewerkt wordt; vele hebben geen plafond en staan rechtstreeks met den zolder in gemeenschap. Ook zijn er, die geen schoorsteen hebben; tegenover het grootste venster ligt een steenen of ijzeren plaat met een rij steenen er omheen; een opening in het dak laat den rook door, die zich over den zolder verspreidt, waar de netten drogen en de voorraad wordt bewaard.

Borden en schotels van oud porselein zijn er in de kleinste woning te vinden. Die smaak voor porselein en kristal, voor gestreepte bedgordijnen en kleurige dekens is een eigenaardige trek in het hollandsch karakter en komt vooral sterk uit op Marken. Hij wijst op de bekrompenheid van het bestaan der bewoners.

De bodem van het eiland is vrij vruchtbare kleigrond. Hij brengt hooi en riet voort, waarvan door de bewoners groote hoeveelheden worden uitgevoerd. Het hooi wordt verkocht en dient voor een deel voor de voeding der weinige koeien van het eiland.

Daar de putten van Marken slechts zoutig water leveren, zijn de bewoners genoodzaakt, regenwater te gebruiken, om hun beesten mee te drenken en hun eigen voedsel te bereiden.

Ze zijn zeer onontwikkeld in maatschappelijke aangelegenheden. Zij leven van vischvangst en brengen het overige van den tijd door met onbeduidende werkjes, die alleen voor henzelven van belang zijn. Ze hebben in ’t geheel geen handel; aardappels, groenten, kruidenierswaren, turf, drank, alles wordt hun uit Monnikendam gebracht of uit Hoorn of Amsterdam.

De bewoners van Marken trouwen altijd onder elkander. Er wordt verteld, dat ze vroeger bij gebrek aan vrouwen eens hun booten bewapenden en een razzia hielden, om vrouwen uit Edam te halen, maar die geschiedenis is niet te bewijzen.

Gewoonlijk trouwt men tusschen het vier-en-twintigste en het acht-en-twintigste jaar, en er wordt gelet op overeenkomst in leeftijd en neiging.

Over ’t algemeen zijn de meisjes lomp en ruw; maar er zijn wel aankomende deerntjes, die iets expressiefs hebben en door hun half wilde gratie de leelijkheid der anderen doen vergeten. Timide zijn ze niet en lachen doen ze graag.

Op mijn wandelingen kwamen ze in hun bonte kleeding dikwijls om mij heen staan, ze drongen mij tegen een muur en hielden mij met uitgestrekte armen tegen, of stelden mij, terwijl haar krullen tegen mij aanwoeien, allerlei vragen, die ik niet verstond, maar die zeker grappig waren, want ze lieten haar tanden zien en lachten vroolijk. Ik gaf in het Engelsch antwoord of in ’t Duitsch en ’t Arabisch en kneep haar in de armen. Toen ik even de kin van een meisje in de hand had genomen, begonnen twee anderen verbaasd te gillen en riepen een paar huismoeders te hulp. Toen omhelsde ik het kind bij verrassing. Nooit heb ik zulk een gekrijsch gehoord. Zij stonden om mij heen, zwaaiden met de bloote armen, de lange lokken in den wind, de japonnen wijd uitslaande, den hemel tot getuige roepend bij mijn onbeschaamdheid. De omhelsde vooral zette woedende oogen op; deze brutaliteit riep om een voorbeeldige straf voor den misdadiger, een bliksemslag bij voorbeeld of een verzinking in den grond.

Eene nauwlettende waschvrouw.

Eene nauwlettende waschvrouw.

[62]

Daarom klom ik op een vat en sprak ze aldus aan:

“Vrouwen van Marken,” riep ik, “ik ben hier gekomen, om uwe gastvrijheid in te roepen. Mijn hoedanigheid van vreemdeling geeft mij dus het recht, te proeven van uwe vruchten, ook van de perziken uwer wangen.... Ik verzoek stilte en beloof, u presentjes te zullen geven ... boem, boem, boem!”

“Boem, boem!” herhaalden de geestdriftige jonge meisjes, zonder dat ze een woord verstaan hadden.

Daar zij mij nog altijd tegenhielden, begreep ik wel, dat ze tolgeld wenschten te ontvangen; maar ik zwaaide mijn camera op de manier van een tomahawk, uitte een gil en sprong op den dijk. Daar richtte ik het instrument, en de menigte zette het op een loopen als haringen, door de haringbuizen achtervolgd, behalve de drie jonge kinderen, die bleven en die in stijve houdingen door mij zouden gekiekt worden.

“Ik zie, jonge meisjes,” ging ik voort, genietend van de heerlijkheid, te kunnen praten zonder te worden verstaan, “ik zie, dat mijn edelmoedig aanbod welwillend is ontvangen. Sla dus uw oogen op mij en gun mij glimlachjes.”

Toen ik met centen geschud had in mijn zak, spitsten zij de ooren, gingen met mij in den zonneschijn en ik legde voor de toekomst haar vreemde trekken vast, waarna ik haar een handvol centen gaf en zij verheugd verdwenen.

Soms zijn de kleine meisjes heel aardig. Als ze naar school gaan met jongens, de kleurige pakjes boven de polders vertoonend als in een groen décor, arm in arm voortstappend, krijgt men er pleizier in, zooals voor een schilderij vol frissche kleuren en prettige gezichten. Sommigen dragen in plaats van rokjes de wijde broeken van de broertjes, wat ze er kluchtig doet uitzien.

Op bruiloften, verlovingsfeesten en kermissen ziet men een kleurenrijkdom als nergens elders. Alle tinten uit een kleurendoos voor waterverfteekening zijn uitgestrooid over de jurken, de mutsen en de boezelaars, en men knipt met de oogen, zonder te weten waar men ze rust zal geven.

Maar die dagen zijn uitzonderingen. Gewoonlijk is het op het eiland nog al somber, en het leven vloeit er voort bij peuterigen arbeid, die altijd eender is.

De mannen visschen of halen de ponten of schuiten binnen met turf en proviand, boeten de netten, schilderen hun muren over, terwijl de vrouwen het huis schoonhouden, linnen wasschen, met de kleine kinderen buiten wandelen of aan het lossen van de booten helpen.

Langs de vaarten ziet men ze soms rustig voortglijden, in booten gezeten, waar ze dan even uitstappen, om telkens de ophaalbruggen op te lichten, die bij de overgangen en kruisingen van wegen over ’t water liggen.

In den winter staat de helft van het eiland onder water, en de menschen gaan in booten naar elkander toe, bezoeken op die manier de kerk en de school, en worden per boot begraven. Het kerkhof ligt op de hoogste werf of terp van het eiland.

Men vraagt zich wel eens af, waarom toch de dijken zoo laag zijn; als men ze ophoogde, zou men die lastige overstroomingen vermijden. Maar kenners beweren, dat de grond, die niet heel vast is, geen zwaardere belasting dragen kan.

De gewoonte is een tweede natuur. Als men van de Markers ging vertellen, dat zij er slecht aan toe zijn, zou dat verloren moeite zijn. Zij voelen er zich op hun gemak; zooveel te beter.

Bij den toeloop van toeristen, die in den laatsten tijd al grooter en grooter wordt, vooral in den zomer, beginnen zij zich als merkwaardige curiositeiten te beschouwen en droomen misschien den uitlokkenden droom van geheel onderhouden en verzorgd te worden door de penningen der vreemdelingen. Zij verkoopen hun kleêren al, en het zal wel niet lang duren, of ze verruilen ze tegen hoeden en moderne broeken....

Het eiland Marken zal zijn bescheiden plaatsje wel blijven innemen tegenover het vasteland; zijn huizen, in het zoute water staande; zijn steenen straatjes in den mist; zijn hoogste punt, waar de dooden rusten, en zijn vier gehoornde beesten, wadend door den sponsachtigen grond ... tenzij op een dag, gelijk aan dien, waarop de Zuiderzee ontstond, het ook op zijn beurt worde weggevaagd, verzwolgen in den storm en neergelegd op den bodem van de Zuiderzee.

Zoo’n einde zou voor zulk een plekje uit het verleden, dat onder de modernen is verzeild geraakt, een natuurlijk en passend slot zijn, en men zou dan mogelijk een verklaring hebben van die zonderlinge aantrekkingskracht, die de oogen der meisjes van Marken bezitten des avonds, wanneer zij het hoofd buigen en den vinger waarschuwend opheffen, als spoken uit een wereld, die reeds afgedaan heeft, opgestaan uit hun graven, om u een groet te brengen....

De Hollander heeft ongetwijfeld minder verbeeldingskracht dan de Franschman. Hij is realist in den echten zin des woords en rekent in plaats van te droomen. Zoo denkt hij er niet aan, dat met de turf die hij dagelijks uit het water haalt, hij ook de overblijfselen van zijn bloedverwanten en vrienden opneemt, om aan hen de warmte te ontleenen, die ze bij hun leven hadden. Hij vindt de turf een geschikte brandstof, gebruikt die en heeft daar gelijk in, zooals hij ook, in tegenstelling met onze soms onverstandige gevoeligheid, zijn honden gebruikt voor het trekken van geriefelijke karretjes.

Van Holland spreken zonder het over de turf te hebben, zou zijn een der eigenaardigste karaktertrekken van het land over ’t hoofd te zien.

Uit geologisch oogpunt is de bodem zeer arm; hij bevat geen steenkool, noch ijzer, noch andere mineralen. Bosschen zijn er weinig en men moest, om dijken en huizen te bouwen, zijn toevlucht nemen tot pijnboomen uit Noorwegen en tot duitsche boomen, langs den Rijn aangevoerd.

Men kon er niet aan denken, dat hout te gebruiken als brandstof; dat zou te schadelijk zijn geweest. Daarom ging men het veen gebruiken, na er turf van te hebben gemaakt.

Veen is een soort van zachte, zwartachtige aarde, die men aantreft onder lagen leem of zand, ’t zij bij den aanleg van kanalen, ’t zij bij het bouwen der huizen. Op enkele plaatsen blijkt de aanwezigheid [63] van veen door den onvasten toestand van den grond. De veerkrachtige bodem, opgezwollen en verzadigd van water, buigt door onder den voet en herstelt zich dadelijk weer. Dan zeggen de menschen: “Hier zit veen in den grond.”

De opgraving van het veen is een kunst, die al sinds overoude tijden bekend is. Plinius en Tacitus gewagen ervan, de eene met een zucht, omdat een volk genoodzaakt is zijn eigen land te verbranden, de tweede met bewondering voor zooveel snuggerheid.

De veengraverij verschaft werk aan duizenden individuen. Het is een brandstof van niet heel veel beteekenis, donker en lastig in ’t gebruik; daarbij verkoolt ze meer, dan dat ze vlamt en brengt zwaren rook voort.

Veen wordt zoo wat overal in Holland aangetroffen. Men behoeft maar een weinig te graven om het te ontdekken.

Als de eigenaar van een stuk grond besloten heeft, zijn akker tot een veld van exploitatie te maken, laat hij parallelle insnijdingen maken om de aarde te ontlasten van het water, waarmee zij gedrenkt is. Die slooten, die eerst ondiep zijn, worden dieper en dieper gemaakt, tot het water er uit is.

Er zijn zes à acht jaren noodig om het land droog te leggen en het water met slooten en sluizen te leiden naar het toekomstige kanaal.

Daarna gaat men het veen te lijf met daarvoor bestemde schoppen, snijdt het in brokken, die men als steenen laat drogen en die op elkaar gestapeld worden en gedroogd in den wind.

Fleurig stappende meisjes.

Fleurig stappende meisjes.

Niet zelden vindt men in de veenlagen, diep in den grond, boomen, die goed geconserveerd zijn, overblijfselen van oude bosschen, door overstroomingen of hooge vloeden verwoest. Ze worden gebruikt voor wat ze waard zijn, meestal als brandstof, soms ook voor fundeeringen.

De lagen aarde, die den veengrond bedekten, worden op het land teruggebracht, vlak uitgespreid en leveren den bebouwbaren grond, waarop aardappelen en koren zullen worden verbouwd.

Zoo gaat het bij de hooge venen. In de lage venen gaat alles gauwer, en men behoeft zich daar geen moeite te geven, het land eerst te draineeren. Men tast direct den grond aan. Als gras en leem eerst zijn verwijderd, dus als twee of drie voet van den bouwgrond zijn afgegraven, legt men de veenlaag bloot, die doortrokken is met water, een soort van vette brij. De arbeiders, met groote laarzen aan, scheppen dan de toekomstige brandstof zoo maar op en plonsen die in groote schuiten. Het veen ziet er dan bruin uit, en men herkent er nog wortels in en verrotte takken. Het wordt in groote bakken geschept, gemengd en bewerkt, gestampt met zware stampers of getreden met groote platte trappers, ontdaan van steenen en wortels, gekneed als deeg en te drogen uitgespreid op riet. Als het begint droog te worden, snijdt men het in brokken en stapelt de turf in hoopen op elkaâr.

Drie maanden zijn ongeveer noodig, om de brandstof volkomen droog te maken. Dan wordt de turf in schuiten geladen en naar de verschillende markten gebracht, waar zij koopers vindt.

De hoedanigheid der turf is zeer uiteenloopend. Er is turf met meer of minder houtige bestanddeelen, meer of minder poreus van aard, zwaarder of lichter op ’t gewicht. De huisvrouwen herkennen snel aan de kleur en den vorm de eigenaardige hoedanigheden van de brandstof. Er is een soort, die voor de keuken dient, een andere voor de open haarden, een derde voor fabrieken. In ’t algemeen geeft men de voorkeur aan de turf uit de lage venen boven die uit de hooge venen. De bakkers bakken hun brood met turven, die niet zeer dicht zijn en daardoor spoedig vlam vatten. De turf dient ook nog als voedsel voor kalkovens, pannebakkerijen en wordt in bierbrouwerijen enz. gebruikt.

Bij steenkool vergeleken, geeft de turf wel de helft minder warmte; maar alles in aanmerking genomen, is zij als brandstof toch veel goedkooper.

Het grootste bezwaar is het volume, dat lastig en bezwarend wordt. Turf neemt drie- of viermaal zooveel ruimte in als steenkool. Men heeft geprobeerd de turf samen te persen, en men is daarin goed geslaagd, maar naar beweerd wordt, is de moeite te groot voor de belooning; de kosten overtroffen de waarde der koopwaar, en de eigenschappen van die laatste verbeterden er niet genoeg door.

Voor stoombooten en voor de grootindustrie moest men wel weer tot de steenkool terugkeeren.

Hoe het ook zij, turf is eeuwen lang bijna de eenige brandstof der bewoners geweest. De kool van turf heeft aanleiding gegeven tot de zuiver nationale gewoonte der warme stoven. In den winter hebben de hollandsche dames in haar eigen vertrekken, zoowel als in de kerk, onder haar rokken een stoof [64] met een kool er in, wat, naar men zegt, het teint van de dames een gele tint geeft. Zij, die deze opvatting koesteren, zijn ernstige menschen, kalm gezeten in hun groote stoelen van riet of mandwerk, met een groote pijp in den mond en een glas bier vóór zich, hoog schuimend in het glas. Zij zouden toch iets dergelijks niet beweren, als ze er niet volkomen zeker van waren door allerlei gezegden en opmerkingen, zorgvuldig bijeenverzameld uit intieme gesprekken, en men zou verkeerd doen, zich bij zulk een oordeel sceptisch te toonen. De rook van de turf maakt het teint der hollandsche dames geel, zooals de rook van droog hout aan hammen die bruine kleur geeft, die ze zoo lekker doet smaken. Ze worden er dus geen haar minder om; integendeel.

De asch dient bovendien tot mest; met het roet reinigt men ijzerwaren en tin; de rook dient tot conserveering van gezouten vleesch en haring, tot bereiding van beenzwart, inkt en vernis; kortom, het veen is een der grondslagen van de hollandsche huishouding.

Inderdaad maakt men er de fondamenten van het huis van. Daartoe brengt men de steenen en het metselwerk aan op een onderlaag van stukken brandbare aarde, in den vorm van een pyramide opgestapeld. Die veenlaag zwelt op onder het water en vormt zoo een onwankelbare basis, die door het vocht niet meer wordt aangetast. Na eeuwen, als het huis van ouderdom bezweken is, vindt men de veenachtige substantie zoo goed bewaard als op den eersten dag en nog geschikt, om verstookt te worden.

Uit een en ander volgt, dat veen het product is van de langzame vertering van plantaardige stoffen, van riet en biezen en mossen, die, op elkander gestapeld, vergingen en door de vochtigheid ontbonden werden.

Beginnende idylle op Marken.

Beginnende idylle op Marken.

De provincies, die het meest te danken hebben aan het bestaan van veengrond, zijn Friesland, Groningen, Drenthe en Overijsel.

Als de veenlaag geëxploiteerd is, blijft er ongelukkig veel water over, dat moet worden verwijderd met behulp van veel molens en veel slooten. Daar het onderhoud van die molens nog al kosten meebrengt, moet men zich er niet over verbazen, dat in Holland de prijzen der levensmiddelen tamelijk hoog zijn....

Desondanks heeft een oud dichter, Vondel genaamd, in geestdrift over het succes, met de turf verkregen, aan het hoofd van een zijner werken dit hoog welsprekend woord geplaatst: “Gelukkig het land, waar ’t kind zijn moêr verbrandt!”

Besluit.—Dit alles toont duidelijk aan, dat er volstrekt niet in Holland alleen water is, zooals men zou kunnen gelooven, als men zich slechts onderrichten liet door fantastische berichten. Holland, door duizenden kanalen doorsneden, omgeven door eilanden, golven, inhammen, heeft inderdaad wel zeer veel water, maar dit oppermachtige water, dat alles kan overweldigen, dat rijst en daalt en tot zoo ver het oog reikt, zijn net van bewegelijke wegen uitspreidt, waar onophoudelijk booten, schuiten, ponten, stoombooten en eenden varen, dat water is de onuitputtelijke bron van den bataafschen rijkdom, en men zou wel een prachtig, kostelijk woord willen vinden, in een lijst van metalen lettergrepen, om dat kleurloos, vloeibaar ding mee aan te duiden, dat alle tinten van de wolken overneemt, dat de molens en de polders weerspiegelt en dat van Holland maakt het waterrijkste van de waterrijke en ’t merkwaardigste van alle vlakke landen.


1 Wij hebben den franschen schrijver in zijn reisverhaal op den voet gevolgd, al kwam soms de lust boven, hem eens even in de rede te vallen, waar hij in zijn gevolgtrekkingen te ver ging en, naar het weinige dat hij zag, oordeelde ook over het vele, dat hij niet zag. Het zal onzen lezers zeker evenzoo gaan, maar om der curiositeits wille zal het oordeel van den Franschman hen interesseeren en zijn aardige verteltrant zal hen boeien.

Vert.

Reis door Tunis en Algiers

Door M. G. Brondgeest.

Gezicht op Tunis. Aan den gezichtseindiger de haven en het kanaal de la Goulette.

Gezicht op Tunis. Aan den gezichtseindiger de haven en het kanaal de la Goulette.

Voor ons Nederlanders, bewoners van noordelijke koude luchtstreken, hebben de woorden “het Zuiden, de Middellandsche zee” een betooverenden klank. Zij doen ons zoo denken aan schitterend zonnelicht, aan koesterenden zonnegloed, waar wij vooral in den winter met zijn korte, vaak zoo sombere dagen zoo reikhalzend naar kunnen verlangen. Ook onvergelijkelijke kleurenpracht, bonte kleederdrachten en sappige zuidvruchten roepen zij voor onzen geest. Wie, al is hij nog zoo hokvast, heeft niet eenmaal in zijn leven het verlangen, eenige weken in het diepe blauw der Middellandsche zee te staren, aan hare schilderachtige kusten te droomen en te dwepen? Welke zee, met al de kuststreken, die hare golven bespoelen, biedt den reiziger zooveel natuurschoon aan als de Middellandsche zee, kan op een verleden, op een geschiedenis bogen als de hare? Te vergeefs zou men in dit opzicht haar gelijke zoeken. Tot haar gebied toch telde zij het kleine, met zeldzamen kunstzin begaafde volk der Grieken, welks edele scheppingen zelfs nu nog ons geslacht met bewondering vervullen en voor een deel nooit overtroffen zijn; zij zag dit volk politiek, ja, ten onder gaan, maar op cultuurgebied zijn schoonste lauweren behalen, daar zijn overweldiger zelf het voornaamste werktuig werd voor de verbreiding van zijn hoogstaande kunst en wetenschap over de geheele toenmaals beschaafde wereld; zij beleefde het, hoe een enkele maal haar kusten en eilanden onder één heerschappij, die der Romeinen kwamen, waardoor aan al die kusten de vaan des kruises geplant werd; zij aanschouwde met ontzetting de verwoesting van dit vermolmde en wankelende rijk door de blonde zonen van het Noorden, die het een ander, maar jonger, frisscher, nieuwer leven inbliezen; met onuitsprekelijke droefheid [18] was zij er getuige van, dat het zegenrijke kruis bijna aan al hare kusten verdrongen werd door de troostelooze halve maan; maar ook met groote vreugde, dat het weer een rijk van haar gebied was, het kunstlievende Italië, waar oude kunsten en wetenschappen herleefden; ten slotte werd de halve maan allengs weder van hare kusten verdrongen, terwijl vooral in de laatste helft der vorige eeuw, Westersche beschaving en menschelijkheid de overhand verkregen. Vooral in de landen, gelegen aan Afrika’s Noordkust, heeft de Europeesche invloed zich doen gelden en hebben orde en goed bestuur Mohammedaansch wanbeheer vervangen of verbeterd. Engeland heeft zich vooral met het oog op ’t Suezkanaal voor goed in het Nijldal gevestigd. Frankrijk, dat zulke groote belangen heeft aan het kustgebied der Middellandsche zee, vestigde in ’t bijzonder zijn aandacht op Tunis en Algiers en in den laatsten tijd ook op Marokko. Bekend is de moeite, die Duitschland en in ’t bijzonder de Duitsche regeering zich geeft, om met den Sultan van Turkije vriendschappelijke betrekkingen aan te houden en te versterken, teneinde zoodoende den Duitschen invloed in Klein-Azië, Syrië en Palestina uit te breiden. Voor den Europeaan is in die streken een ruim arbeidsveld geopend op het gebied van handel en nijverheid. Het spreekt van zelf, dat verbetering en uitbreiding van het verkeerswezen een der eerste zaken waren, die men met ijver ter hand nam.

Aldus worden ook voor het reizend publiek landen, rijk aan natuurschoon geopend, die tot nog toe slechts door eenige weinige bevoorrechten bezocht werden. Reisbureaux wedijveren met spoorweg- en stoomvaartmaatschappij en om het den reizigers gemakkelijk en aangenaam te maken. Zoo komt het, dat men tegenwoordig in Algiers en Tunis even goed reist als in Europa. Daar wij voor eenigen tijd gelegenheid hadden deze beide landen te bezoeken, is het ons aangenaam er in dit tijdschrift het een en ander van mede te deelen. Wij doen dit ook in de hoop, dat het enkele landgenooten, die anders hun tijd in een dolce far niente aan de Riviera doorbrengen, moge bewegen eens een kijkje aan den overkant te gaan nemen. Zij zullen zich niet te beklagen hebben.

Aan gene zijde vinden zij een prachtige, dikwerf nog maagdelijke natuur, een oorspronkelijke bevolking, oude volkrijke steden en ... geen speelbank, waar zij hun geld kunnen kwijt raken.


Algiers en Tunis, te zamen iets kleiner dan Frankrijk, vormen met Marokko en Tripoli het oude Barbarye, reeds uit de tijden onzer Republiek bekend om zijn zeeroovers. Na onder de heerschappij van verschillende volken, Oostersche en Romeinsche, Germaansche en Byzantijnsche, gestaan te hebben, werd het omstreeks 700 veroverd door de Arabieren. In afzonderlijke rijken gesplitst, bleven de Mohammedanen er meester tot in de eerste helft der vorige eeuw. Tijdens hun bestuur of liever wanbestuur zonken deze landen, eertijds parels aan de Romeinsche imperatorenkroon, hoe langer hoe meer weg in het diepste verval. Het land werd verscheurd door onderlinge twisten der verschillende emirs, beys en stamhoofden, elk spoor van Christelijke beschaving uitgeroeid en in de havensteden, als Tunis en Algiers, troonden vorsten, die hun residenties verrijkten met den buit, welken hun roofschepen daar aanbrachten. Gedurende eeuwen waren de Barbarijsche zeeroovers de schrik der Europeesche koopvaardijschepen, niet het minst der Hollandsche, die hun vlag zoo dikwijls in de wateren der Middellandsche zee vertoonden. Herhaalde expedities en veroveringen hadden wel een aanvankelijk doch geen blijvend resultaat.

Meer dan eens werd de Ruijter uitgezonden om de Barbarijsche zeeroovers te tuchtigen en nog in 1816 bombardeerde een Engelsch-Nederlandsche vloot, onder bevel der admiraals Lord Exmouth en van de Capellen, de stad Algiers naar aanleiding van zeerooverij.

Eerst in 1830 kwam aan dit schreeuwende misbruik een einde door de verovering van de stad Algiers door de Franschen onder generaal Bourmont. Tevens bezetten zij de naaste omgeving der stad.

Maar eerst in 1857 werd de verovering van het geheele land tot aan de grenzen der Sahara door maarschalk Randon voltooid.

Algerië, verdeeld in 3 provincies, Algiers, Constantine en Oran met gelijknamige hoofdsteden, is thans geheel een Fransche kolonie met Fransch bestuur, Fransche wetten en rechtspraak en Fransch bezettingsleger. Tunis is protectoraat. Na herhaalde expedities en verschillende moeilijkheden met den Bey, kwam in 1881 het tractaat van Kasr-Saïd of van Bardo tot stand, waardoor aan de autocratische macht van dezen een einde kwam. De Fransche regeering verkreeg het diplomatieke en militaire bewind, benevens de controle over administratie en financiën. De Bey bleef souverein en regeert in overleg met een gevolmachtigd Fransch minister, die te Tunis resideert; bovendien ontvangt hij van het Fransche gouvernement een jaarlijksche toelage van 1.200.000 frs.

De Franschen, die in Tunis wonen, zijn vnl. burgerlijke ambtenaren, militairen en kooplieden. Het grootste deel er van, ongeveer 10.000 wonen in de stad Tunis, waar dus de Muselmannen met hun aantal van 65.000 inwoners verre de meerderheid hebben. Daarom vindt men aldaar nog het Arabische leven en drijven in al zijn oorspronkelijkheid en heeft de stad voor den toerist vele en belangwekkende eigenaardigheden, die hij in Algerië te vergeefs zou zoeken. Algiers, Constantine, Oran en verreweg de meeste kustplaatsen hebben hun oorspronkelijk cachet grootendeels verloren, zijn bijna geheel Europeesche steden geworden. De Arabier schijnt hier eerder vreemdeling dan inboorling te zijn. Tunis daarentegen is gebleven wat de Arabieren het gaarne noemen: “de bloem van het Oosten.”

Het was het eerste doel van onze reis.


Mogen sommige bewoners van Noordelijke streken de reis naar Afrika’s Noordkust bedenkelijk ver vinden, met de Franschen is dit niet het geval. ”l’Algérie c’est la France,” zeggen zij. Trouwens zij zijn ook dichter bij, al bedraagt dit niet veel meer dan een halven dag sporens. Van uit Parijs bereikt men met den sneltrein in korten tijd Marseille, van waar goed ingerichte booten der Compagnie Transatlantique, die [19] ook op Amerika varen, den reiziger in anderhalven dag over de blauwe watervlakte naar Tunis brengen.

Er is veel waarheid in het gezegde van Professor Martins: “ce n’est pas la mer, c’est le mal de mer, qui sépare la France de l’Algérie”. Maar men moet de kans van zeeziekte loopen. Hij die op reis tegen eenige moeite en ontbering opziet, blijve liever thuis. Wij troffen het echter bijzonder voor de maand Maart, die gewoonlijk nog al ruw is en volbrachten den overtocht met prachtig stil weer en een schitterende zon. Een verrukkelijk gezicht was het, toen onze boot, de Ville de Naples, na het verlaten der haven van Marseille de rotsachtige kust met haar vele eilandjes al verder en verder achter zich liet. Daar de weg door de grootste breedte der Middellandsche zee ging, kwam men weinig vaartuigen tegen, slechts enkele visschersbooten en eenige kleine koopvaarders. Nog waren de kusten van Sardinië niet geheel verdwenen, of reeds kwam de Afrikaansche kust in ’t gezicht, bergachtig, met vele eilandjes, en als evenzooveel voorposten van het Mohammedanisme zagen wij hier en daar op de heuvels zich verheffen de gekoepelde, witgepleisterde graven van verscheidene Marabouts (priesters) tot de zon onder de onbenevelde kim dook en de lichten van Tunis ons tegemoet flikkerden. Nog meer dan een uur moest de boot door het Canal de la Goulette, een uitgediepte geul in de ondiepe golf van Tunis varen, voor de aanlegplaats bereikt werd. Het ontschepen ging lang niet zoo spoedig en kalm als het inschepen. Want voor de boot goed vastgemeerd lag, kwamen reeds in verscheidene bootjes de echte, onvervalschte afstammelingen der vroeger zoo beruchte zeeroovers van Tunis opzetten, de witte of gekleurde tulband of de helroode fez scherp afstekend tegen het donkerbruine gelaat. Er waren echte galgentronies onder, die duidelijk den stempel der herediteit droegen en zij waren brutaal als de beul. Spoedig krioelde het op het dek van allerlei bruine kerels, die op de wijze hunner vroede voorvaderen de boot geënterd hadden en aan boord geklauterd waren. Kortom echt zeerooversgespuis, hetwelk den passagiers zijn diensten als pakjesdragers en gidsen aanbood. Met Argusoogen werd de longroom èn de bagage door den hofmeester en de bedienden bewaakt. Bij het aan land gaan begon het ongeluk eerst recht. Want nauwelijks de loopplank over, werden wij omringd door een zestal Arabieren, mannen en jongens, die zich, luid schreeuwende, van onze bagage trachtten meester te maken om ze te dragen. Eenmaal afgegeven, zouden wij er waarschijnlijk nooit veel van terug gezien hebben.

Een kijkje in Tunis.

Een kijkje in Tunis.

Dat krioelde om ons heen, trok aan onze bagage en kleederen, kroop tusschen beenen en armen door en schreeuwde ons toe in een natuurlijk onverstaanbaar Arabisch. Zoo goed als wij konden verweerden wij ons tegen de aanvallers tot een Turco, een tolsoldaat, en de gids-tolk van het hôtel waar wij kamers hadden besproken, ons van hen verlosten. De laatste bracht ons naar de omnibus, waarmede wij spoedig ons hôtel bereikten.

Dit was gelegen in het zoogenaamde quartier Franc, dat eerst dagteekent van de laatste 20 jaren en de verbinding vormt tusschen de haven en de eigenlijke oude stad Tunis. Voornamelijk wordt die verbinding gevormd door de Avenue de la Marine en de Avenue de France, prachtige breede straten, waarop verschillende zijstraten uitmonden. De reiziger staat er over versteld, welk een groote verandering de Franschen in nog geen 20 jaar in de stad gebracht hebben.

Aanvankelijk zou men denken, in een welvarende Fransche stad te zijn. Electrische trams onderhouden het verkeer, elektrisch licht zorgt voor de verlichting, terwijl de reinheid der straten niets te wenschen overlaat.

In de Fransche wijk wonen de Europeanen en bevinden zich de voornaamste Europeesche gebouwen, zooals het theater, de kathedraal, het paleis van den Franschen minister-resident, de voornaamste winkels en hôtels.

Het hôtel, waar wij onzen intrek genomen hadden, gelegen in de Avenue de France, bevond zich in de onmiddellijke nabijheid der Porte de France, die toegang verleende tot de Arabische stad. Deze bestaat uit drie deelen, nl. de middenstad, cité of Medina, die zich aansluit aan het quartier Franc, en twee buitenwijken, een ten N. de Rebat bab-el-souika [20] en een ten Z. de Rebat bab-ed-djazira, (rebat-wijk en bab-poort). De Medina is de voornaamste. Want in deze bevinden zich de beroemde Souks, de bazars of markthallen. Deze bezochten wij den dag na onze aankomst het eerst onder geleide van een gids-tolk, een Tunesiër van geboorte, die echter de schilderachtige Arabische kleedij voor de gemakkelijker Europeesche verwisseld had. Wil men Tunis en speciaal het volksleven goed zien, dan is zoo’n persoon onmisbaar.

Joodsche vrouw uit Tunis.

Joodsche vrouw uit Tunis.

Met behulp van een papieren gids kan men slechts de voornaamste merkwaardigheden uitvinden; wie meer wil zien, is in de grootste verlegenheid, daar hij de landstaal, het Arabisch, verstaat noch spreekt. De tolk weet echter alles, wat noodig is, zooals: waar men te voet en met een rijtuig heen moet, tot wien men zich wenden moet om deze of gene merkwaardigheid te zien, hij weet den weg door den doolhof van nauwe straten en stegen, weet wat alles kost (behoudens de noodige provisie voor hem zelf) en laat ons meermalen merkwaardigheden zien, die men alleen nooit ontdekt zou hebben. De besparing in tijd, moeite en kosten wegen ruimschoots op tegen het matige daggeld, dat hij vraagt.

Zoodra wij door de Porte de France de Souks binnengetreden waren, viel ons op, dat wij ons in een zeer oud stadsgedeelte bevonden. Nauwe kronkelende straatjes en steegjes, te zamen één groot doolhof vormend, waar men zonder gids deugdelijk in verdwalen kon, nu eens uitloopend op een klein pleintje, dan weer doodloopend in een donker gangetje. Somtijds moest men vrij steile trappen op, dan weer daalde de straat zeer sterk.

Een liefhebber van oude gebouwen, van schilderachtige kijkjes en verrassende eigenaardigheden kon op deze wandeling veel genieten. Naast armoedige krotten verhieven de woningen van rijke Arabieren trotsch en ongenaakbaar hun platte daken, de groote deuren van massief cederhout dikwijls met ijzer- of koperwerk versierd, de ramen van onder- en bovenverdieping van stevig en kunstig traliewerk voorzien, opdat vrouwen en meisjes goed bewaard mochten zijn.

Welgestelde Arabieren uit Tunis.

Welgestelde Arabieren uit Tunis.

Sommige huizen zijn van balcons voorzien, die dikwijls zóóver uitsteken, dat de bovenste verdiepingen der aan beide kanten der straat staande huizen elkander aanraken. Dikwijls zijn de bazars overwelfd, het gewelf gesteund door slanke Moorsche pilaren. Komt men in een onoverdekte straat, zoo valt de blik op de slanke torens der moskeeën, die ijl in de lucht stijgend, een schilderachtigen aanblik bieden en het geheel als ’t ware beheerschen. Vooral de Djama-ez-Zitouna, de groote moskee, verrukt het oog door haar slanke vormen en kunstig op de muren en relief aangebracht complex van miniatuurbogen. Ofschoon hobbelig geplaveid, viel de reinheid der straten ons erg mede, hoewel men er niet tegen op moest zien af en toe een doode hond of kat te ontmoeten, die zoo maar neergeworpen was. In die bazars wordt van ’s morgens vroeg tot laat in den middag levendige handel gedreven. De verschillende kooplieden hebben er, met uitzondering van eenige zeer rijke, slechts kleine winkeltjes, sommige slechts [21] eenige M2 groot, waar zij, in ’t halfduister neergehurkt, hun waren uitstallen. Eenige wachten met Mohammedaansch fatalisme af, of er een kooper komt opdagen, anderen prijzen luid schreeuwend hun waar aan, loopen een eind met u mede, en zijn niet van u af te slaan. Elk artikel en handwerk heeft zijn vaste bazar. Een geur van rozen, geranium of wierook verraadt, dat men in de Souk der parfums is; de lucht van leer, dat men zich in die der leerlooiers bevindt. Prachtige uitstallingen van zijde en fluweel, kunstig met goud en zilver geborduurd, afgewisseld met lange fijne burnous en helroode fezs, wijzen er op, dat men de duurste wijk, die der voortbrengselen om welke Tunis beroemd is nadert en dat het zaak is, zijn kooplust te bedwingen. In een andere bazar weer worden kunstig bewerkte koperen voorwerpen en geciseleerde wapenen verkocht of kan men het hart ophalen aan de vruchten van het Zuiden. Timmerlieden, schoenmakers, schrijnwerkers en kleermakers, allen hebben hier hun vaste wijk en standplaats. En tusschen al die uitstallingen beweegt zich de bontste menigte, die men zich denken kan. Rijke, gezette Arabieren in prachtige gewaden, zich ten volle bewust van het gewicht hunner persoonlijkheid, met glanzend witte burnous, wisselen af met bedelaars in lompen gehuld. Jonge mannen, krachtig en slank gebouwd, met fijn besneden gezichten en sprekende oogen, prachtige typen van het Arabische ras en donkerbruine Mooren met trotschen en fanatieken blik en zwarten baard; pikzwarte negers, echte knechtjes van St. Nicolaas, zich statig in een burnou van het grofste zakkenlinnen hullend, op het hoofd een fez, die eens rood was, maar nu meer op hun gelaatskleur lijkt, als eerste dandys een sigaret rookend of luidkeels lachend met een mond tot aan de ooren en dikke lippen, terwijl de hagelwitte tanden zichtbaar worden; Arabische vrouwen, zich schuchter het gelaat bedekkend, de arme en onbemiddelde met een slip van haar kleed, de rijke zich hullend in een lange kostbare shawl van fijne, doorschijnende zijde—dit zijn de typen, die men het meest tegenkomt. Niet alle vrouwen zijn echter gesluierd, slechts de Arabische, maar de Joodsche niet. Voor ’t overige hebben deze geheel de Arabische kleeding overgenomen, ook de houten pantoffels met zeer hooge hakken, waarop de vrouwen hier als ’t ware loopen te balanceeren.

De moskee Becquia in Tunis.

De moskee Becquia in Tunis.

Vroolijk komen hier en daar de kleurige uniformen der Fransche soldaten, vooral die der zouaven uit, met hun wijde roode broeken en blauwe korte jassen, de fez met de bengelende kwast op een oor, geheel het beeld van “vive la bagatelle”. Hier en daar ziet men een bruingebranden Bedouïn uit de woestijn voortschrijden met onderzoekenden blik, het lange geweer aan den bandelier over den schouder. Kleine meisjes en aardige jongens met groote verwonderde kijkers loopen overal door het gewoel, dat somtijds zoo dicht is, dat men er zich met de ellebogen door heen moet wringen, en vragen u onophoudelijk om sous. Jongens en mannen op ezels laten u aanhoudend uitwijken, want langoor wordt hier niet gespaard, maar eigenlijk afgebeuld. Ook kameelen bezoeken de bazars, en somtijds liggen zij in rijen van 10 of meer uit te rusten van hun tocht uit de binnenlanden, van waar zij houtskool, dadels en andere voortbrengselen naar de hoofdstad brengen. Daarbij is het dikwijls een geschreeuw, dat men elkander niet verstaan kan, kooplieden, die hun waren aanprijzen, koopers, die afdingen, druk redeneerende en gesticuleerende Arabieren en Mooren. Kortom het is een tooneel vol Oostersche levendigheid en Oostersche [22] kleurenpracht, dat door zijn bontheid en telkens afwisselende indrukken, mede door de bekoring van het nieuwe, den vreemdeling van het Westen ten zeerste boeit en verrukt.


Hoewel de Bey van Tunis in de hoofdstad een paleis heeft, Dar-el-Bey (huis van den Bey) genaamd, houdt hij daar zelden verblijf. Hij vertoeft er slechts voor regeeringszaken en bewoont liever het schoone buitenverblijf Kasr-Saïd of El-Bardo, in de nabijheid van Tunis. Geregeld eens per maand komt hij in de hoofdstad om in den voorhof van zijn paleis in hoogste instantie recht te spreken. Dit gebeurde juist eenige dagen na onze aankomst, en hiervan tijdig door onzen gids verwittigd, maakten wij aanstalten van zijnen intocht getuigen te zijn. Reeds te half acht begaven wij ons daartoe naar het plein van de Kasba (de burcht), waar ook het paleis gelegen is en waren getuige van de aankomst der verschillende hoogwaardigheidsbekleeders van den Bey. Militaire en burgerlijke autoriteiten, allen het hoofd bedekt met de onvermijdelijke fez, stelden zich bij de poort op, velen versierd met de orde der Beys, de Nicham-Iftikhar. Beambten van gelijken rang begroetten elkander plechtig met een kus op elke wang; de jongeren de ouderen met eerbiedigen handkus. Na eenigen tijd wachtens kondigden eenige Fransche officieren van de Chasseurs d’Afrique, als ordonnansen, de komst van den Bey aan. Weldra kwam een afdeeling cavalerie in Turksche uniformen, op kleine vlugge paarden, wit van het stof, aandraven, daarop volgden eenige rijtuigen met hofbeambten en ten slotte de Bey zelf in een à la daumont gereden rijtuig met 6 muilezels. Bij ’t uitstappen vertoonde hij zich een oogenblik. Een man van middelbare lengte, met korten grijzen baard, geelachtig, streng gelaat en ernstige sombere oogen. Er wordt van hem verteld, dat hij nooit lacht. Niet onwaarschijnlijk, zoo men de gebeurtenissen der laatste jaren in aanmerking neemt. Na de Fransche bezetting toch is het met de onbeperkte heerschappij van den Bey voor goed gedaan. Reden genoeg voor een Oostersch despoot om over te treuren.

Wie zich wel degelijk nog in ’t bezit van hun onbeperkte heerschappij mogen verheugen, al is het dan maar over redelooze dieren, zijn de Arabische slangenbezweerders, die nog steeds de giftigste exemplaren van het, den menschen zoo weinig sympathieke ras, in letterlijken zin, naar hun pijpen laten dansen. Ongeveer eens om de 14 dagen kan men te Tunis een dergelijke vertooning bijwonen, die gegeven wordt door een derwisch, een soort van armen priester of monnik uit de binnenlanden. Het is in zekeren zin een godsdienstige plechtigheid. Maar dan toch zeker een van een weinig ernstig en meer vroolijk karakter, want het in grooten getale toegestroomde publiek vermaakt zich er goed bij. Voor den vreemdeling gaat natuurlijk de godsdienstige beteekenis door onbekendheid met Arabische taal en Mohammedaansche gebruiken verloren; hij beschouwt het als een kermis-voorstelling, een merkwaardig schouwspel, nl. om de groote moreele kracht, die de mensch op de dieren kan uitoefenen. De voorstelling heeft plaats in de open lucht, meestal op een plein voor een Arabisch café, waarvan het in Tunis krioelt. Deze keer op het plein Halfoüin.

Hier worden in de maand Ramadan, die der vasten, de groote Arabische feesten gevierd. In gewone tijden is het de plaats van samenkomst van Arabieren uit alle standen. Men vindt er dan ook vele koffiehuizen, zoowel voor Arabieren uit de volksklasse, negers en kleurlingen als die, welke door de rijken en dandys bezocht worden. Een groote menigte Arabieren, Mooren en negers, benevens een aantal vreemdelingen had zich om een opene ruimte in een kring opgesteld. Daar binnen bevond zich de bezweerder met zijn helpers, een drietal Arabieren, die op de hurken gezeten, een oorverdoovende muziek maakten. Een bespeelde een soort van herdersfluit, een tweede een Arabische viool, terwijl degene die in ’t midden zat, uit alle macht met duim en handpalm op een groote tamboerijn trommelde. Deze laatste beantwoordde ook de vragen, die de derwisch telkens tot hem richtte. Deze, donkerbruin, forsch gebouwd en toch lenig, met katachtige snelle bewegingen, de donkere schitterende oogen onophoudelijk in beweging, het beenige gezicht met een dun baardje omgeven, het geschoren hoofd slechts op de kruin bedekt met een ruigen, zwarten scalplok, geleek veel op een der fanatieke krijgslieden van den Mahdi, die in een wit kleed en met een breed zwaard in de vuist op de Engelsche carré’s losstormden, een wissen dood tegemoet. De voorstelling, die tamelijk lang duurde, had in ’t kort ’t volgende verloop: Uit een der bruinlederen zakken, die hij bij zich had, haalde de derwisch een zeer vergiftige slang ter lengte van ongeveer een M., licht bruin van kleur en aan den buik voorzien van gele ringen, de naâdja of slang van Cleopatra, door de Arabieren Bouftira genoemd. Deze schijnbaar levenlooze slang legde hij op een kleedje, iets grooter dan een M2. neer. Daarop danste hij, op een klein herdersfluitje blazend, om haar heen, tot zij hoe langer hoe levendiger werd en zich eindelijk met een schok oprichtend, met de kleinste helft van haar lichaam op het kleedje overeind kwam te staan. In die houding danste de slang nu, op de maat van de muziek, steeds met den derwisch mede; bewoog hij zich naar rechts of links, zoo deed zij ’t zelfde. Het opmerkelijkste daarbij was, dat zij het kleedje niet verliet en, ofschoon zij door al het gesar van den bezweerder tot de hoogste woede geprikkeld was, er niet aan dacht, iemand aan te vallen. De derwisch, die weldra droop van ’t zweet, was voortdurend in beweging, dansend en springend, lachte onophoudelijk met breeden mond, hevig gesticuleerend, nu eens tot de omstanders of den man met de tamboerijn vragen richtend, welke met toestemmend geschreeuw of gelach beantwoord werden, dan weer de armen zwaaiend of ten hemel heffend, luide gebeden tot Allah of den een of anderen heilige opzendende. Vooral voor Ab-del-Kader, den bekenden vrijheidsheld, scheen hij groote vereering te gevoelen, want herhaaldelijk riep hij hem aan. Zooals de meeste Oostersche voorstellingen en plechtigheden, werd ook deze ten laatste eentonig. Wij verlieten het plein om ons naar het gerechtsgebouw te begeven, met het doel daar een nieuwen kijk op het Tunesische leven te krijgen. [23]

Zooals reeds vermeld, heeft de Fransche regeering aan de Arabieren in Tunis hun eigen rechtspraak gelaten. Een zeer wijze maatregel, die haar eindelooze moeilijkheden en wrijvingen met de inboorlingen bespaart. De Arabier wordt dus gevonnist door zijn eigen rechter of raëse.

Op verzoek zijn de zittingen ook toegankelijk voor vreemdelingen, die hier gelegenheid hebben menig tafereel van echt oorspronkelijk Arabisch leven te zien. De gids-tolk stelde ons hiertoe gemakkelijk in de gelegenheid. Toen wij het gerechtsgebouw, waar gevallen van echtscheiding en andere civiele zaken behandeld werden, binnentraden, bevonden wij ons op een ruime binnenplaats, omringd door een zuilengaanderij en aan de kanten voorzien van steenen banken. Daarop hadden aan de eene zijde plaats genomen een aantal dicht gesluierde vrouwen in ’t zwart gekleed, die zich over haar echtgenooten te beklagen hadden en zich wilden laten scheiden, aan den anderen kant de echtgenooten dier dames, allen wachtend tot zij opgeroepen zouden worden, om beurtelings voor den rechter te verschijnen. Aan den ingang der gerechtszaal, die op de eerste verdieping was, stond een zeer zwaarlijvige gendarme in een blauwe uniform op wacht, die ons, na een kort onderhoud met den gids, welwillend binnen liet en voor den rechter leidde, dien hij het verzoek overbracht om een zitting te mogen bijwonen. Beleefd beantwoordde de magistraat onze buiging, heette ons met een vriendelijken glimlach welkom en noodigde ons uit, dicht bij hem plaats te nemen aan den kant der toehoorders.

Daartegenover zaten in een bonte groep de getuigen. Nadat de woordvoerder van ons gezelschap den rechter bedankt en zijne vreugde te kennen gegeven had, dat wij als vreemdelingen mochten kennis maken met de Arabische wijsheid, van ouds beroemd uit de tijden van Kalief-Harun-al-Raschid, namen wij plaats en de zitting werd voortgezet.

Een sprekende kop die rechter, met beschaafde vormen en schitterende, doordringende oogen, waarvoor de beklaagden bijzonder veel ontzag hadden. Geschoeid met gele pantoffels, het witte gewaad met een langen, lichtbruinen gendorah (opperkleed) bedekt, droeg hij aan een zijner vingers een ring met smaragd, als teeken zijner waardigheid. Hij was gezeten aan een met allerlei papieren bedekte tafel, waarvoor de beklaagden en getuigen zich plaatsten om hun relaas te doen. Wij woonden eenige zaakjes bij, waarvan de gids ons de toedracht vertelde en kregen eenige zeer ongure schelmengezichten te zien. Allen zonder onderscheid hadden echter grooten eerbied voor den rechter. Met een diepe buiging, de armen over de borst gekruist, naderden zij hem en hieven deze onder ’t spreken tot aan de schouders op, de handpalmen vlak naar hem toegekeerd. Met zachte stem begonnen, werd hun spreeklust hun al spoedig te machtig; al radder ging hun tong, al luider werd hun stem en zelfs de eerbied voor den rechter kon hun woordenvloed niet stuiten.

Zij lieten dezen zelfs niet uitspreken en vielen hem herhaaldelijk pardoes in de rede, zoodat een tweede, insgelijks zeer welgedane gerechtsdienaar hun herhaaldelijk de zware hand op den schouder moest leggen en hun een gebiedend “barka, barka” (genoeg, genoeg) toeroepen. Deze had zelfs moeite hen de zaal uit te krijgen, nadat hun vonnis uitgesproken was. De raëse hoorde alles met Mohammedaansche kalmte aan, zeide van tijd tot tijd een enkel woord, stelde een enkele vraag, terwijl hij den spreker doordringend aanzag of volgens de rozenkrans, die hij in de hand hield, den grooten profeet bad, hem wijsheid te geven. Hij had blijkbaar de zaken grondig bestudeerd en sprak kort recht. Zoo kreeg een Arabier wegens mishandeling 5 maanden gevangenis; een Arabische vrouw, die kamers verhuurde en hare huurster, die één termijn vooruit betalen moest en dit gedaan had, daarop terstond haar huis uit gezet had, 2 maanden; een jongmensch, die wijn gedronken had, moest dit met 5 dagen opsluiting boeten, een bewijs dat in Tunis aan de wet van den Koran streng de hand gehouden wordt, hetgeen in Algerië niet zoozeer ’t geval is. De vrouwen waren het breedsprakigst en drukst en moesten door den gendarme nog veel meer tot de orde geroepen worden dan de mannen. Eenige dagen later woonden wij ook een zitting voor strafzaken bij, waar dezelfde rechter als de hierbovenvermelde de rechtbank presideerde. Een eivolle zaal, een lange rij beschuldigden, een menigte getuigen. Een viertal advokaten voerden het woord, waar wij natuurlijk niets van begrepen; echter bleek uit ’t vuur, waarmede zij spraken, dat zij de zaak hunner cliënten wel ter harte namen.

De vreemdeling, die eenigen tijd te Tunis verblijft, komt herhaaldelijk in de Souks, want telkens en telkens weer wordt hij aangetrokken door het bonte, opgewekte, oorspronkelijke volksleven, dat hij daar aantreft. Bij die herhaalde bezoeken is het af en toe betreden van een winkelmagazijn moeilijk te vermijden, zelfs al bestaat daartegen bij hem principiëel bezwaar, hetgeen meestal niet het geval is. Integendeel de kooper is meestal maar al te gewillig, en vrienden en verwanten in ’t vaderland willen ook wel bedacht zijn.

Ook ontbreekt het niet aan uitnoodigingen en aanmoedigingen van de zijde der winkeliers om binnen te treden. Reeds aan de deur, zelfs op de straat, noodigen ze u met vele plichtplegingen en buigingen als knipmessen daartoe uit. De argelooze vreemdeling, die toestemt, treedt in het hol van den leeuw, een leeuw met fluweelen pootjes. Vriendelijk wordt hij uitgenoodigd plaats te nemen en op de kennismaking een geurig kopje Arabische koffie, echte Mokka, in kleine porceleinen kopjes voorgediend, te drinken. Dit mag men niet weigeren, want het is een bewijs van gastvrijheid. Bovendien gelooven de winkeliers, dat het hun geluk aanbrengt, want zij zijn zeer bijgeloovig en zouden zich door een weigering beleedigd gevoelen.

Middelerwijl stallen de bedienden allerlei fraaie voorwerpen voor u uit en wordt men door den winkelier overladen met de vleiendste opmerkingen over zich zelf, zijn land en volk en met verzekeringen, dat hij zich zoo vereerd gevoelt door uw bezoek. Al die poes-lievigheid is echter maar schijn. Want in werkelijkheid is hij er slechts op uit, u zooveel mogelijk af te zetten. De voorwerpen in de Tunesische [24] winkels zijn niet vast geprijsd, de verkoopers vragen een buitensporig hoogen prijs. Vandaar een loven en bieden zonder eind, waarbij de vreemdeling gewoonlijk aan ’t kortste eind trekt. Zelfs al krijgt hij de voorwerpen voor een 3de of 4de van den gevraagden prijs, hetgeen geen zeldzaamheid is, dan is hij nog bekocht. Zelfs gebeurde het ons eens, dat wij een kleedje voor een zesde van den gevraagden prijs behielden.

Kortom, het is de grofste afzetterij. De fraaiste winkels zijn die der zijdewevers en zijdeborduurders, die de artikelen vervaardigen, waar Tunis beroemd om is en die het in groote hoeveelheid uitvoert. Men vindt deze in “de Souk des Femmes”, waar voor 40 jaar nog slavenhandel gedreven werd, en de prachtige magazijnen van Boccara père et fils en van Barbouchi gelegen zijn. Men vindt daar inderdaad een rijkdom van zijde en fluweel, shawls en doorzichtige sluiers, kleeden en kleedjes van damast, waarvan de randen met gouden of zilveren lovertjes en bloemen omzoomd zijn, in de fijnste, afwisselendste en teederste kleuren. Als een stuk van groote waarde toonde men ons een lange looper uit den tijd van Lodewijk XIV, geheel stijf van zilver en met gouden bloemtrossen ingelegd.

In den Souk der zijdewevers.

In den Souk der zijdewevers.

In andere winkels ziet men weer verschillende wapenen van allerlei vorm en afmetingen, met zilver en ivoor ingelegd of zwaar met koper beslagen; de sabels en dolken rijk gedamascineerd. Evenmin ontbreken rijke uitstallingen van lederwerk en met fijne figuren geïncrusteerd koper. Een belangrijk artikel van uitvoer zijn ook de parfumerieën en aetherische oliën, die volgens oude Oostersche gewoonte meestal bereid worden door de vrouwen uit den harem van den gegoeden parfumeur.

Niet alleen door haar bonte verscheidenheid van bevolking, door haar eigenaardige zeden en gewoonten biedt de stad Tunis den vreemdeling veel bezienswaardigs, maar ook hare omstreken hebben groote aantrekkelijkheid en verlokken tot menig heerlijk uitstapje. Daartoe moet men zich steeds op eenigen afstand van de stad begeven.

In de naaste omgeving is er alleen het stadspark “le Belveder” met zijn statig wuivende palmen en groene Oostersche gewassen, waar inwoner en vreemdeling eenige koelte en schaduw kunnen vinden. Overigens is de omgeving nagenoeg boomloos, vooral des zomers een groot nadeel. Want in Tunis, dat evenals Algiers het klimaat der Regio Mediterranee heeft, kan het afmattend heet zijn. Reeds in Maart is het er in den middag als bij ons in Augustus, en midden in den zomer kunnen de bewoners alleen aan de zeekust eenige koelte vinden. [25]

Constantine en het ravijn van de Roumel.

Constantine en het ravijn van de Roumel.

De winters, voor zoover zij dien naam verdienen, zijn in Tunis zeer zacht. Sneeuw kent men er niet dan bij overlevering; ’t laatst had men die in 1883 gezien. Tegen zonsondergang komt echter meest de koude N. wind, de mistral opzetten, waartegen de reiziger zich steeds met mantel en shawl moet wapenen. Als de verzengende Sirocco, de heete woestijnwind blaast, kan men nauwelijks ademhalen. Soms bereikte deze 40° Celsius, zoodat de streek waar zijn verzengende adem overheen gegaan is, als ’t ware verbrand ter neder ligt. Ook de Bey vertoeft niet geregeld in Tunis, maar heeft zijn residentie in de nabijheid, het paleis het Bardo. Dit gebouw, waaraan verbonden is het oudheidkundig museum Aloüi, is wel een bezoek waard.

Een monumentale leeuwentrap voert naar een rijkversierde vestibule, die toegang tot de verschillende zalen verleent. Onder deze zijn het opmerkelijkst de groote receptiezaal, waar de feesten aan het corps diplomatique gegeven worden, benevens de troonzaal, die aan de wanden versierd is met twee rijen rijk vergulde pendules uit verschillende tijdperken; op consoles; dit laatste meer rijk dan smaakvol.

Verder kan de reiziger te Manouba de overblijfselen van de grootsche waterleiding voor Carthago bewonderen, de ruïnen van Utica, de havenwerken van Bizerta of de badplaats Hammam-El-Lif bezoeken.

Vóór alles zal hij echter naar een plaats gaan, waarheen de stemmen uit het verleden hem met onweerstaanbare kracht geroepen hebben. Geen vreemdeling, al vertoeft hij nog zoo kort te Tunis, kan nalaten de ruïnen van Carthago te bezoeken. Hoe worden echter zijn verwachtingen omtrent hetgeen hij te zien zal krijgen teleurgesteld, zoo hij niet van te voren ingelicht is! Want van de eenmaal zoo bloeiende en trotsche hoofdstad der Karthagers, eertijds de koningin der Middellandsche zee, is bedroefd weinig meer over. Wel is de vloek van den meedoogenloozen Cato: “delenda est Carthago!” in vervulling gegaan. Niet eenmaal, maar drie keer is de stad grondig verwoest. Na de Romeinen kwamen de Vandalen, daarna de Arabieren. De laatsten vooral hielden deerlijk huis; hun dolzinnig fanatisme wilde elk spoor van de toenmaals christelijke stad met wortel en tak uitroeien. Geen steen werd op den anderen gelaten, alles kort en klein geslagen. De tocht naar Carthago is een verrukkelijke rit langs de ondiepe golf van Tunis, Bahira geheeten.

De onafzienbare zee verkwikt het oog door hare tallooze wisselende tinten van donker- en helderblauw tot smaragd-groen en lichtgrijs. Het strand wordt verlevendigd door groote troepen reigers, flamingo’s en andere zeevogels, die nu eens onbeweeglijk op een hunner lange pooten om zich heen staan te zien, dan weer onder krijschend geschreeuw hoog in de lucht opvliegen. Verblindend schitteren de witte huizen, slanke torens en gekoepelde daken van het verdwijnende Tunis in ’t felle zonlicht. Het schiereiland, waarop de bouwvallen van Karthago gelegen zijn, verheft zich vrij steil uit zee. Het hoogste punt vormt het terrein, waar vroeger de sterke burcht van Karthago, de Byrsa, gelegen was. Op den top van dien heuvel is het museum, waar alles verzameld [26] is, wat aan de verwoesting geheel of gedeeltelijk ontkomen en door ijverige opgravingen aan ’t licht gebracht is. Het zijn de zoogen. Pères Blancs, die zich hiermede bezig houden, in opdracht van kardinaal Lavigerie. Deze ijverige priester-zendeling, die van de Fransche regeering voor ongeveer 25 jaar verlof kreeg, bij de bouwvallen van Karthago een kathedraal te bouwen, gaf aan de monniken last, nevens hun godsdienstige plichten het werk der opgravingen met kracht ter hand te nemen. Dit leverde de beste resultaten op. Het museum is verdeeld in drie afdeelingen: voorwerpen uit den Punischen tijd, die uit den tijd van Romeinsch-Karthago, en ten slotte hetgeen er uit de Christelijke periode overgebleven is. Die uit de eerste periode zijn het meest bezienswaardig. Daaronder treft men menig fraai voorwerp aan, dat door eigenaardigen, dikwijls grilligen vorm en bewerking verraadt, dat in den Punischen voortijd Phoenicische en Oostersche invloeden zich in de kunst sterk deden gelden.

De bouwvallen van Karthago zijn voor de Fransche pelgrims een bedevaartplaats, daar er een kapel gebouwd is ter herinnering aan Lodewijk den Heilige, die hier op den 7den Kruistocht, te midden van zijn leger, door de pest werd weggerukt. Hoog boven dit bescheiden monument verheft zich een gebouw uit later tijd, eveneens aan hem gewijd, de basilica of kathedraal van Lodewijk den Heiligen. Fier en statig rijst zij met hare vier gekoepelde witte torens in de wolkenlooze lucht omhoog, en het kruis op den top weerspiegelt zich in de blauwe golven aan haren voet, zoo vredig en kalm, alsof die zee nooit iets anders, nimmer de verschrikkingen van oorlog en verwoesting aanschouwd had. Moge dit voortaan zoo blijven en Tunis en haar omgeving onder Fransch gezag een tijdperk van ongestoorden bloei en ontwikkeling deelachtig worden.


Sedert de vestiging van het Fransche protectoraat in Tunis, zijn de verkeerswegen aldaar enorm verbeterd. Dit geldt zoowel van de straatwegen als wat betreft den aanleg van spoor- en tramwegen. Door de stad Tunis snorren de electrische trams en meer en meer breidt het spoorwegnet op het platte land zich uit. De hoofdlijnen zijn aangesloten bij de Algiersche lijnen. De maatschappijen, wel inziende hoe bevorderlijk een goede inrichting voor de toename van ’t vreemdelingenverkeer is, nemen dit zeer ter harte, zoodat men in Tunis en Algiers even goed en even geriefelijk, ja soms nog beter reist dan in Frankrijk en in sommige streken van Europa. De hoofdlijn loopt van ’t Oosten naar ’t Westen en verbindt de voornaamste plaatsen, o.a. de hoofdplaatsen der provincies. Deze liggen ver van elkander af, en daar de treinen overal ophouden, zijn de trajecten lang. Meestal rijdt er slechts een per dag. Vroeg begonnen, eindigt de reis eerst ’s avonds of in den nacht. Soms is er gelegenheid in den trein te dineeren, zoo niet, dan wordt deze op bepaalde haltestations opengesteld, na voorafgegane bekendmaking. Men ziet, alles evenals in Europa. Al duurt de reis wat lang, zoo behoeft de reiziger zich niet te vervelen, want steeds biedt het landschap hem de grootste afwisseling. Meermalen gaat de weg langs een schilderachtige rivier. Een enkele orographische opmerking vinde hier haar plaats. Tunis en Algerië worden, wat de gesteldheid van den bodem betreft, in vier gordels verdeeld. De eerste gordel, de zoogenaamde Tell, strekt zich langs de zeekust uit en wordt landwaarts in begrensd door het Atlasgebergte, dat met zijn machtige keten, van oostelijk Tunis, door geheel Algerië, tot aan de westelijke grens van Marokko doordringt. De tell is het vruchtbare gedeelte bij uitnemendheid, waar veel graan en ooft geteeld wordt en de wijnstok rijke oogsten geeft. Men denke slechts aan den Algierschen wijn, die ook hier het burgerrecht verkregen heeft en aan de meer dan 40 millioen sinaasappelen, die Algerië nu reeds uitvoert. De tweede gordel is de Atlasketen. Daarop volgt de streek der hoogvlakten en steppen, waar de bodem onvruchtbaar en rotsachtig is, afgewisseld met vele zoutmeren. Ten slotte de woestijn, de Algerijnsche Sahara, die slechts een klein deel vormt van de groote woestijn van dien naam. Omdat het Atlasgebergte nagenoeg evenwijdig met de zee loopt en de waterscheiding vormt voor de rivieren, die Noordelijk in zee en naar ’t Zuiden in de zoutmeren uitmonden, hebben deze geen langen loop, hetgeen niet in ’t voordeel is van de besproeiing des lands. De voornaamste rivier van Tunesië is de Medjerda, die van Algerië de Seybouse. De eerste doorsnijdt Tunis van W. naar O., de tweede ontspringt op den Atlas en stroomt bij Bône in de zee. De spoorweg van Tunis naar Bône loopt voor ’t grootste deel door de dalen der beide stroomen, waardoor het natuurschoon langs den weg niet weinig verhoogd wordt. Van tijd tot tijd vernauwt het dal zich zoo zeer, dat de spoorweg het karakter van een echte bergbaan aanneemt en men hem met geweld een doortocht door de rotsen heeft moeten banen. Een ander maal doorsnijdt de spoorbaan een onafzienbare vlakte, gedeeltelijk met hoog gras bedekt, op andere plaatsen prijkend met den rijksten kleurenschat der meest verschillende bloemen. Men zou zich verplaatst wanen in de hyacinthen en tulpenvelden van Haarlem in ’t voorjaar, behalve, dat hier de verscheidenheid van kleuren grooter, de groepeering minder regelmatig is. Ongekunsteld schitteren de bloembedden in onvergelijkelijke pracht, zooals de natuur ze er neergezet heeft. Velden met donkergele goudsbloemen wisselen af met witte plekken, waar trotsche Aronskelken haar witte hoofden fier verheffen. Hier wedijveren teeder rose Malva’s met helroode klaprozen, ginds paren zich bescheiden witte madeliefjes met blauwe convolvulussen in teedere kleurenharmonie. Aan den oever der rivier wiegen oleanderstruiken hun witte en rose kelken op slanken stengel heen en weer, schitteren bloesems van perzik- en amandelboomen tusschen het donkere groen der laurierboomen, of wel het is een mimosastruik, die, om zijn schoonheid des te meer te doen uitkomen, niet beëngd door omringend geboomte, zijn volle gele trossen in het zonlicht laat schitteren en het oog verrukt. Somtijds ook kleine oerwouden van knoestige steen- en kurkeiken, machtige cederboomen, donkere cypressen en hoog opgeschoten eucalyptussen, waar alles verward door elkander staat en met klimplanten omstrengeld is. Ook levende [27] wezens ziet men langs den weg. Nieuwsgierige inboorlingen in kleine Arabische dorpen; karavanen met groote en kleine kudden vee, de eigenaar op een vurigen Arabier voorop; tenten van nomaden, soms niet veel meer dan lappendekens op palen, waaronder alles, menschen en vee, eendrachtiglijk te zamen huist. En steeds wordt het geheel omlijst door de eindelooze, golvende keten der Algerijnsche gebergten, wier golvingen zoo zacht zijn, dat zij geen horizon schijnen te bezitten.

Bône, met een bekoorlijke ligging aan zee, bevindt zich in de onmiddellijke nabijheid van het “massif de l’Edough”, een bergketen, die vrij steil in zee afdaalt en voor ’t grootste deel begroeid is met prachtige bosschen van kurkeiken, een rijke bron van inkomsten voor de exploiteerende maatschappijen.

Geheel anders is de ligging van Constantine te midden van een heuvelland op hooge rotsen. Als hoofdstad van het aloude Numedië, was het eens de residentie van den krijgshaftigen koning Massinissa, den bondgenoot van Scipio tegen de Karthagers en getuige van den fieren dood van Hannibals’ dochter Sophonisbe, die als een echte afstammelinge van den stam der Barciden geen schande verdragen wilde. Daarna zetelde er de wreede, roofzuchtige Jugurtha, die geheel Rome omkoopbaar achtte. Zijn geest scheen weer levendig te worden, nadat de Arabieren zich van de stad hadden meester gemaakt. Ten minste tot aan de verovering door de Franschen in 1837 was en bleef het een roofnest van de ergste soort. Hierbij werd de stad vooral begunstigd door haar eigenaardige ligging. Deze is inderdaad zeer bijzonder. Van het Oosten loopt het riviertje de Roumel op de stad toe door een uitgestrekte, vruchtbare vlakte, aan weerskanten met kalkrotsen omzoomd. Vlak voor de stad stroomt de Roumel door de groenende pépinière, den botanischen tuin, die elke Algiersche stad van beteekenis bezit. Plotseling houdt de vlakte op en ziet de rivier zich den loop versperd door de rotsen, waarop de stad gebouwd is. Het is een werk van eeuwen geweest, eer zij zich met geweld een weg daar doorheen gebaand had en hetzelfde geval als met den Rijn tusschen Coblentz en Bingen. Met dit verschil echter, dat de Roumel zich slechts een nauwe spleet tusschen de rotsen gewrongen heeft, die loodrecht oprijzen en op sommige plaatsen een hoogte van meer dan 100 M. bereiken. De stad, die den vorm van een ongelijkbeenig trapezium heeft, wordt aan twee der langste zijden door de Roumel omgeven, aan de twee andere zijden door hooge rotsen, met uitzondering van één punt, van waar zij uit de vlakte toegankelijk is. Een nagenoeg onneembare ligging dus, uiterst geschikt voor een roofnest. Langs de Roumel, van de Porte du Diable af, waar zij uit de vlakte komt, tot aan den waterval, waarmede zij zich weder, na doorbraak der rotsen, in de vlakte uitstrekt, is een smalle, van een balustrade voorziene weg gemaakt, “le chemin des touristes”. Deze, die volstrekt geen gevaar oplevert, is interessant en bijzonder mooi. Nu eens is de rivier slechts enkele meters breed, dan weer verwijdt zij zich als ’t ware tot kleine meertjes; hier is zij kalm, ginds schiet zij schuimend tusschen grillig opeen gestapelde rotsblokken door. Nu eens stroomt zij in ’t volle daglicht, een andermaal baant zij zich een weg onder den bodem en vormt indrukwekkende gewelven en wondervolle grotten, waaruit de puntige rotsmassa’s als stalactieten neerhangen. Door de vele bochten biedt de wandeling de bekoorlijkste en meest afwisselende gezichtspunten. Aan het einde, dicht bij den waterval, bereiken de rotsen haar hoogste punt en eindigen in een naakten steilen top. Na inneming der stad poogde hier een deel der verdedigers zich te redden door zich met touwen naar beneden te laten zakken. Maar de touwen braken en vele mannen, ook vrouwen en kinderen, kwamen om in de Roumel.

Door de ontoegankelijke ligging heeft de verovering den Franschen veel moeite gekost. Zij geschiedde tijdens een wapenstilstand met Ab-del-Kader, toen de onderwerping der provincie Constantine ter hand genomen werd. Een eerste aanval op de stad onder maarschalk Clauzel mislukte. Het volgend jaar werd een nieuwe expeditie onder ’t opperbevel van den hertog van Nemours en vier generaals uitgezonden.

De sultan Ahmed-Bey en diens fanatieke Arabieren, steunend op de onneembare ligging, weigerden hardnekkig elke capitulatie en zonden den parlementair spottend terug. Na voorafgegane beschieting bestormden de Franschen met groote dapperheid de stad en maakten zich na een hevig straatgevecht er van meester. Maar ten koste van groote offers, want de generaals Damrémont, Perrégaux en Combes sneuvelden. De bey, met klein gevolg ontvlucht, gaf zich, na eenige jaren den guerilla-oorlog gevoerd te hebben, over en verbleef als gevangene te Algiers.

Behalve haar ligging heeft de stad niet veel bijzonders. Er ligt een groot garnizoen. Met hun kleurige uniformen en de opgewektheid den Franschen soldaat eigen, brengt het militair veel vroolijkheid aan. Aanhoudend ziet men troepen door de straten trekken. Nu eens zijn het chasseurs d’Afrique op hun vurige, kleine Arabische schimmels, dan weer bruine turco’s met de korte blauwe jasjes en dito wijde pofbroeken of het is een bataillon kranige zouaven, dat voorbij marcheert. Ook ligt er een kleine afdeeling spahi’s, dat keurkorps bij uitnemend, in garnizoen. Dit zijn Arabieren, die een bijzonder goeden staat van dienst hebben en gebruikt worden als ordonnansen, estafettes en lijfwachten van den generaal. Gehuld in hun roode of blauwe mantels, een breeden tulband op het hoofd, maken zij met hun hooge laarzen en kromme lange sabels een zeer krijgshaftigen indruk. Men vindt er menig type van den echten, fieren, mannelijken Arabier onder.

Op het groote plein midden in de stad is het paleis van den generaal, den militairen commandant, voorheen de residentie van Ahmed-Bey. Dit paleis, dat zeer bezienswaardig is, bevat nog vele bijeengeroofde kunstschatten uit de oudheid. De binnengalerij is versierd met 265 slanke pilaren van Corinthische bouworde, van Carthago geroofd, maar bovenal wordt het oog getroffen door een buste van Julia Domna, de vrouw van keizer Alexander Severus. Van wit marmer, is deze zoo fijn uitgevoerd, dat men als ’t ware den arm onder den mantel kan zien doorschemeren. Een der façaden van het binnenplein wordt bedekt door één enkelen rozenboom, zoo weelderig, [28] dat hij van boven tot onder met de schoonste witte rozen bedekt is.

Het plein voor ’t paleis is de plaats van samenkomst voor de bewoners van Constantine. Het is er des middags van 5 tot 6 een vroolijk en levendig gedoe. Want dan speelt de militaire muziek, eerst de Fransche kapel, daarna de Arabische. De laatste, waar veel snerpende fluiten den boventoon voeren, is voor Europeesche ooren nu niet bepaald aangenaam om te hooren.

Triomfboog van Trajanus te Timgad.

Triomfboog van Trajanus te Timgad.

De provincie Constantine is niet alleen de boschrijkste, maar ook de meest bergachtige van Algerië. Daar toch komt de Atlasketen te zamen met een andere bergreeks, die uit het Zuiden komt en tot het gebied der hoogvlakten en steppen behoort. Die bergreeks is samengesteld uit verschillende gebergten; o.a. het gebergte der Ksour, de bergen der Ouled Nayl, die der Zibans (zoo genoemd naar verschillende Bedouïnenstammen van denzelfden naam) en de Djebel-Aoures (djebelberg). Sommigen bereiken een aanzienlijke hoogte. De Djebel-Aoures b.v. heeft toppen van 2000 M., waarop de sneeuw des zomers niet smelt. Dit gebergte onderscheidt zich door groote woestheid en ruwheid van vormen, maar ook door indrukwekkendheid. Het is zeer verlaten en weinig bewoond. In de rotskloven huizen somtijds nog beren en leeuwen, die elders reeds lang verdwenen zijn.

Toen de Arabieren zich van Algerië meester maakten, hebben de bergvolken van den Aurès het langst hun onafhankelijkheid bewaard en ook de Franschen hadden met de daarheen uitgeweken oproerige Bedouïnenstammen veel te stellen. Het Zuiden grenst aan de Algerijnsche Sahara.

Ten einde nu den toegang tot de woestijn tegen een mogelijken aanval van roofzuchtige stammen te verdedigen, bouwden de Franschen de militaire stad Batna aan de uitloopers van het Aurès-gebergte en aan de spoorlijn, die van Constantine naar het Zuiden, naar Biskra loopt. In dat gebergte nu ligt een der grootste merkwaardigheden op oudheidkundig gebied van geheel Algerië verborgen.

Het zijn de bouwvallen van Timgad, eertijds Thamugadi geheeten, een der bloeiendste Afrikaansche steden van het Romeinsche keizerrijk.

Oorspronkelijk slechts een militaire post met bestemming de woestijn te bewaken, werd eerst onder de regeering van keizer Trajanus de eigenlijke stad gesticht door den legaat en propraetor Lucius Munatius Gallus. Door de gunst van haar beschermer, Trajanus, tot municipium verheven, breidde zij zich hoe langer hoe meer uit en geraakte tot grooten bloei. Zij deelde in de afwisselende lotgevallen van Afrika’s Noordkust, die beurtelings onder Romeinsch, Vandaalsch, Byzantijnsch en Arabisch gezag kwam. Maar in 698 sloeg voor haar het uur van ondergang. Ingenomen door de volgers van Mohammed, werd zij in brand gestoken en verwoest. Gedurende meer dan 12 eeuwen sliep de stad haar doodslaap onder de asch, tot het tegenwoordige geslacht, bezield met ijver voor wetenschappelijke onderzoekingen, haar daaruit opwekte, om, al is het dan slechts gedeeltelijk, hare vroegere heerlijkheid aan den dag te brengen en van hare voormalige grootheid te getuigen. Timgad noemt men wel het Afrikaansch Pompeï, maar er is wel eenig verschil tusschen die twee. Terwijl men te Pompeï een duidelijker beeld krijgt van de inwendige inrichting der huizen en van het huiselijk leven der Romeinen, ontvangt de bezoeker van de bouwvallen van het oude Thamugadi een juister indruk van een groote, bloeiende stad uit den keizertijd, van haar gansche bouworde en inrichting. Licht zal men vragen, hoe het komt, dat van Timgad zooveel bewaard gebleven is, terwijl van andere oude steden van Afrika b.v. Carthago, niets meer over is? Dit komt door hare afgelegen ligging midden in een bergland, ver van de zeekust. Want deze omstandigheid verhinderde de Grieken, de Genueezen, de inwoners van Pisa en den bey van Constantine om van de stad, zooals zij van Karthago en andere plaatsen deden, een dépôt van bouwmateriaal te maken. Timgad bereikt men van Batna uit; het is ruim 10 uur rijdens heen en terug. Een lange tocht dus, maar die wel de moeite loont. De goed onderhouden straatweg dagteekent reeds gedeeltelijk uit den Romeinschen tijd, daar hier vroeger de heerbaan liep van Lambesse naar Timgad. Lambesse, dat men na een uur rijdens voorbij gaat, diende vroeger tot versterkt kamp van het derde legioen van Augustus, dat met de verdediging van Afrika belast was. Er is nog een tamelijk goed behouden hoofdingang van het praetorium te zien, dat tot woning diende voor den keizerlijken legaat of onderbevelhebber, benevens overblijfselen van een tempel van Esculapius en van een triomfboog van Alexander Severus. Het is frisch in het dal waar men doorrijdt, want Batna ligt op meer dan 1000 M. en de bergen van den Aurès, die men niet uit ’t gezicht verliest, zijn hier en daar met sneeuw bedekt. Na onderweg nog de ruïne van den triomfboog van Markouna (met ziet, men is en plein pays de l’antiquité) voorbijgereden te zijn, dagen eindelijk [29] de bouwvallen van Timgad in het nevelachtig verschiet op als een moeilijk te beschrijven verwarde massa. Dit wordt echter anders, als men naderbij gekomen is. Dan bespeurt men dadelijk, dat de stad volgens een vast plan gebouwd is. Niet alléén echter bezoeken de reizigers de bouwvallen. Hun wordt een gids medegegeven en niet tot hun nadeel, want anders zouden zij kans loopen te verdwalen tusschen de talrijke overblijfselen der verschillende monumenten en bovendien menige nuttige aanwijzing missen. Men kan zich een klein denkbeeld vormen van de uitgestrektheid, die de stad vroeger besloeg en tevens van haren bloei, uit de vermelding dat wij een rondgang maakten van meer dan 3 uur en toen nog alleen maar de voornaamste dingen gezien hadden. Daarbij komt nog, dat men aanhoudend nieuwe ontdekkingen doet, nieuwe schatten uit den bodem toovert. De gids bracht ons het eerst naar het middelpunt der stad, het snijpunt der beide hoofdwegen, den Decumanus maximus en den Cardo. Deze snijden elkander rechthoekig en dit snijpunt bepaalt de plaats der voornaamste gebouwen. Alles in navolging van Rome. Dicht bij het snijpunt ligt het schoonste en best behouden monument der geheele ruïne, de triomfboog van Trajanus. Opgetrokken uit grijzen baksteen, maakt het met zijn drie bogen, ter hoogte van 16 M., een indrukwekkend effect. De middelste boog, juist ter breedte van de straat, was voor wagens bestemd, de andere, kleinere voor de voetgangers, die zich op de trottoirs bewogen. Voor de bestrating droegen de Romeinen veel zorg. Dit blijkt ook uit die te Timgad, die nog uitstekend behouden is. Zij bestaat uit groote platte steenen, waar men nog duidelijk het wagenspoor in zien kan, door de wielen er in gegroefd.

Gezicht op de oase en de bergspleet van El-Kantara.

Gezicht op de oase en de bergspleet van El-Kantara.

Van het Forum, het politieke middelpunt der stad, de verzamelplaats van alle burgers, is niet veel meer over. Slechts een paar zuilen ter hoogte van 13 M. en een menigte opschriften getuigen van vroegere heerlijkheid. Onder die opschriften is er één, dat de aandacht trekt. Het is de luchtige levensopvatting van een Romeinschen nietsdoener: “venari, lavari, ludere, ridere, hoc et vivere”, in goed hollandsch: “jagen, baden, spelen, lachen, dat is leven”.

Het theater is beter bewaard gebleven. Tegen een heuvel aangebouwd of liever in de rots uitgehouwen, zijn de rijen zitplaatsen in den vorm van een halve maan nog vrij volledig aanwezig. Ook de zuilengaanderij, die achter het tooneel liep, staat, hoewel de meeste zuilen afgeknot en afgebrokkeld zijn, [30] tamelijk goed overeind. Het theater kon meer dan 4000 toeschouwers bevatten, behalve die nog op den heuvel plaats namen.

Natuurlijk bezat Timgad zijn Kapitool of burcht, tevens tempel van Jupiter, Juno en Minerva. Latere onderzoekingen hebben uitgemaakt, dat hij een oppervlakte van 840 M2. moet beslagen hebben. Over ’t geheel moet alles er van reusachtige afmetingen geweest zijn. Dit bewijzen twee zuilen, die indertijd tot de propylaeën, een zuilengaanderij, die om den tempel heen liep, behoord hebben. Deze lagen in 8 brokstukken verspreid. De reconstructie daarvan heeft niet minder dan 10,000 frs. bedragen, waarvan 3000 frs. voor een hijschtoestel. De opgezette zuilen zijn 16 M. hoog en hebben aan de basis een breedte van 1 M. 50 cM. Voorts zijn door de opgravingen nog aan het licht gebracht de thermen of baden, die bij de Romeinen zoo’n voorname rol speelden. Vier zijn er tot nog toe te Timgad ontdekt, 2 groote en 2 kleine. Natuurlijk is alleen de onderbouw gedeeltelijk bewaard gebleven, maar juist daaraan kon men zien, op wat voor vernuftige wijze de Romeinen den aan- en afvoer van water, benevens de verdeeling van heete en koude lucht ten behoeve der verschillende vertrekken regelden. De kleine thermen beslaan te zamen een oppervlakte van ruim 2000 M2.; de riolen ten behoeve van den waterafvoer doen heden nog dienst om het overtollige water van de bergen naar de vlakte te leiden.

In een museum zijn al de kunstschatten bijeengebracht, door de opgravingen aan het licht gekomen. Deze zijn van den meest verschillenden aard en meestal geschonden. Voortreffelijk behouden is een beeldig bronzen Venuskopje, dat aan den bloeitijd der Grieksche kunst doet denken.

Wij zeiden het reeds, ijverig worden de opgravingen voortgezet, begunstigd en aangemoedigd door de Fransche regeering. Zij worden verricht onder toezicht van den bekwamen heer Ballu, chef van den archaëologischen dienst voor Afrika. Hare subsidies heeft de regeering vermeerderd van frs. 25,000 tot 100,000 frs. Zoo poogt zij dus ook hier een verzuim der Arabieren te herstellen en blijft door het bevorderen van wetenschappelijke en geschiedkundige onderzoekingen haar roeping van beschaving brengende mogendheid getrouw, daarbij de schoone kunsten niet vergetend.

Ten zuiden van Batna ondergaat niet alleen het landschap, maar ook de gesteldheid van den bodem en het klimaat spoedig een groote verandering. Geen wonder, want men verlaat de hoogvlakte en nadert de woestijn, die haar invloed doet gevoelen. Van Batna loopt een spoorlijn naar het Zuiden, die de verbinding tot stand brengt tusschen Biskra, een voornaam punt van samenkomst van verschillende karavaanwegen uit de Sahara, en de noordelijker gelegen streek der Tell. Op korten afstand van Batna neemt het landschap reeds een woestijnkarakter aan, dat voortdurend ruwer en onherbergzamer wordt. De bergen en heuvels vertoonen de grilligste vormen, nu eens spits toeloopend, dan weer met een breeden, ronden koepel gekroond. Soms staan zij in groepjes, in langere of kortere ketenen bij elkander; op andere plaatsen verrijzen eenzame kegels en toppen plotseling uit de vlakte. Het is als ’t ware, of de natuur nu eens moeite gedaan heeft, deze landstreek in den meest chaötischen toestand te brengen, er alles onderste boven te keeren. De bodem, nu eens rotsachtig dan weer klaar zand, vertoont met uitzondering van eenige mossoorten niet den minsten plantengroei. Zoutmeren met lage, bruine, half uitgedroogde oevers verhoogen slechts de intense treurigheid van het landschap. Dit duurt zoo voort tot aan de halte El-Kantara, waar de bergen hooger worden maar het landschap iets vriendelijker, want er is een riviertje in de nabijheid.

In het nauwe dal, waardoor de oued El-Kantara (oued = rivier) stroomt, ligt, door hooge rotsen ingesloten, het vriendelijke, geriefelijke hôtel Bertrand, waar de bestoven en verhitte reiziger gaarne afstapt. Volgt men nu de goed onderhouden chaussee door het dal naar het Zuiden, zoo schijnt het, dat de bergketen van den djebel-Gaouss dit weldra geheel zal afsluiten. Er is slechts ruimte voor den weg en het riviertje; de spoor heeft zich door een tunnel baan moeten breken. Maar plotseling, op een punt, waar de berg slechts een nauwe spleet vormt, met wanden, die onder een hoek van 60° steil naar boven rijzen, wijken de rotsen terug en laten den verrasten reiziger den blik slaan op een breed dal, waarin de uitgestrekte en bekoorlijke oase van El-Kantara ligt. Voor hem die dit voor ’t eerst aanschouwt, een tooneel van natuurschoon om nooit te vergeten. Het opmerkelijkste is de schrille tegenstelling tusschen de absolute onvruchtbaarheid der naakte rotsen en de oase met haar donkergroenen bladerdos van statig wuivende palmen, waartusschen het kleine, vruchtbaarheid brengende stroompje zich een weg baant. De Arabieren noemen de bergspleet van El-Kantara den mond der woestijn, en de geleerden hebben uitgemaakt, dat hier de grens der Sahara is. Neemt men van meer nabij een kijkje in de oase en bezoekt men het dorp El-Kantara, zoo geraakt men meer en meer in verrukking. De huizen, uit grijze leem opgetrokken, gelijken op kleine vestingen, met smalle vensters als schietgaten. De tuintjes, door leemen muren van elkander gescheiden, zijn slechts eenige M2 groot, doch bevatten voor den eigenaar zijn levensonderhoud, de onwaardeerbare dadelpalmen. De dadelpalmen, in ’t Zuiden van Europa en aan Afrika’s Noordkust, geven, hoezeer zij de schoonheid van het landschap ook verhoogen, geen vruchten. Deze rijpen eerst veel zuidelijker, op ongeveer 38° breedte en hebben daartoe gedurende de zomermaanden een warmte van 40° a 50° Celsius noodig. De dadelpalm, zegt de Arabier, “moet met het hoofd in ’t vuur, met de voeten in ’t water staan.” Daarom groeit de dadel ook alleen dáár in de woestijn, waar water voorkomt, n.l. in de oase, hetzij natuurlijke, hetzij kunstmatige. De laatste komt verreweg het meest voor, daar zij zeer veel zorg behoeft wat de besproeiing betreft, en de eerste bij gebreke daarvan spoedig te gronde gaat. Evenals elders, stonden de dadels in de tuintjes te El-Kantara met den voet in een kegelvormig gat, waar men het water in laat loopen. Door de geheele oase loopt een kunstig net van kleine stroompjes tot aan en afvoer van water, en zijn lage dijken aangebracht tot afdamming. [31] Men moet spaarzaam met het kostbare water omgaan, daarom worden alle tuinen beurtelings eens om de 14 dagen besproeid. Onder het dichte bladerdak wordt de dadel in de zoele hitte veilig rijp en dragen andere boomen, ook Europeesche gewassen rijke vrucht; vijge-, abrikozen- en perzikboomen verrukten het oog door den rijken kleurenschat hunner bloesems, terwijl de wijngaardranken en clematis zich door de toppen heenslingeren. Ook verschillende groentesoorten tieren er welig. Een steenachtig, hobbelig pad voert door de oase; af en toe moet men de rivier doorwaden, die bijna droog is en geniet dan een schilderachtigen aanblik op de rotsachtige, met bloeiende oleanders en cactussen omzoomde oevers. Arabische jongens en meisjes komen u tegemoet, willen u met alle geweld den weg wijzen en doen aanslagen op uw beurs. De avond valt. In groepen zitten de Arabieren, jonge en oudere mannen, voor de lage huizen bijeen, allen in de witte burnou gehuld, waaronder menige grijsaard door zijn statig voorkomen de aandacht trekt. Waarlijk een eerste bezoek aan een oase in de woestijn maakt op den reiziger een onuitwischbaren indruk en doet hem denken aan de schoonste tafereelen der 1001 nacht.

Veel heeft het Fransche gouvernement sinds de bezetting van Algerië voor het behoud, de stichting en de uitbreiding der oasen gedaan. Natuurlijk was zulks eerst mogelijk, nadat de Fransche troepen tot aan den rand der Sahara waren doorgedrongen. Zooals men weet is de Sahara vroeger zee geweest. Het water is in ’t zand weggezonken, zoodat zich in verschillende streken uitgestrekte onderaardsche meren gevormd hebben, die somtijds meer dan 200 M. diep liggen. Elders verkrijgt men bij ’t graven reeds op 6 M. diepte water. Het geldt nu, dit water te voorschijn te brengen en door bevloeiing den naasten omtrek vruchtbaar te maken. Den Arabier staan daartoe slechts gebrekkige hulpmiddelen ten dienste. Daarom moet de Franschman met zijn machines voor ’t boren van artesische putten hem te hulp komen. In 1856 liet kolonel Desvaux, commandant van Batna, de eerste boringen doen te Tumerna, waar men een put aanboorde, die 4010 L. water per minuut gaf. Somtijds spuit het water met zoo’n geweldigen aandrang en in zoo’n rijkelijke hoeveelheid uit den bodem, dat het een deel der landstreek onder water zet en de aanwezigen zich in allerijl moeten bergen, ten einde niet verzwolgen te worden. Dit duurt echter maar kort, waarna de toevloed vermindert. Het water wordt afgedamd en door kunstige kanaliseering wordt een zoo groot mogelijke streek bevloeid.

Uitbundige vreugde heerscht er bij de bevolking. Fantasia’s worden gehouden, saluutschoten in de lucht afgevuurd en de dorpcheik betuigt den “vader van het water” (naam, dien de Arabieren aan den ingenieur, met de boringen belast, geven) de dankbaarheid der bevolking. Alle nood is vergeten, de toekomst der oase, der bewoners verzekerd, nieuwe bronnen van bestaan geopend, de arbeid vermeerderd, de welvaart toegenomen. Alleen van 1856–’66 liet de Fransche regeering 150,000 palmen planten. Zij legt den bewoners der oase slechts de matige belasting van 20 à 30 centimes per dadelboom op. Eenige jaren geleden schonk zij aan een dorp 2/5 der belasting kwijt wegens mislukking der oogst. Men houde wel in ’t oog, dat de geduldige, vlijtige bebouwer der oase niet is de luie, rondzwervende Arabier, maar tot den stam der vroegere inwoners, der Berbers behoort.

Vroeger was het gewoonte, dat de Arabier tegen den oogsttijd zijn tenten in de nabijheid der oase kwam opslaan, om van den oasebewoner schatting van den oogst te eischen. Deze schatting bedroeg dikwijls meer dan de helft. Aan dit misbruik heeft het Fransche gouvernement een einde gemaakt, en dit is dus ook in dit opzicht den inboorling tot zegen geweest.

Niet alleen echter voor het stoffelijk welzijn, ook voor het geestelijk heil der bevolking wordt goed gezorgd. Dit bewijzen de vele scholen, die overal in steden, dorpen, ja zelfs in afgelegen oasen opgericht zijn. Ook El-Kantara bezit een school. Jaarlijks wordt uit de schranderste dorpskinderen van ongeveer een jaar of 6 een keus gedaan ten getale van 10 of 12, om een cursus van 6 à 7 jaar te volgen. Het onderwijs, dat ’s winters gegeven wordt, bestaat in Fransch (dat de Arabieren zeer gemakkelijk leeren), teekenen, hand- en tuinarbeid en rekenkunde. Desverkiezende kunnen leergierigen op hun 13de of 14de jaar nog een hoogeren cursus volgen, waar ook geschiedenis onderwezen wordt. De schoollokalen te El-Kantara zijn voldoende en ruim ingericht. Aan de wanden prijken, behalve vele schoolprenten, de teekeningen van jeugdige Berbertjes, die van goede opmerkingsgave getuigen. Zelfs te Ouargla, een oase midden in de Algerijnsche Sahara gelegen, is een Fransche school. Van Biskra uit moet de schoolmeester per kameel de reis daarheen doen, welke 14 dagen duurt. Wel een bewijs, dat zelfs afgelegen plaatsen op onderwijsgebied niet vergeten worden.

El-Kantara is zeer gezocht door hartstochtelijke jagers, die in de kloven van het gebergte en in de valleien der woestijn jacht maken op de mouflon, het ruige bergschaap met breede, gekrulde hoorns en de snelvoetige antilope. Wij, toeristen, maakten een interessant uitstapje naar het schilderachtige dal van Tilatou. ’s Morgens vroeg op muilezels onder geleide van een levendigen Arabier, een dorpsjongen uit El-Kantara, vertrokken, drongen wij in een zijdal der rivier door, dat hoe langer hoe nauwer toeliep. Slechts een smal voetpad voerde langs den steilen oever, ontbrak soms ook geheel. Dan daalden de muilezels in de rivier af en vervolgden daarin hun weg. Een andermaal klauterden zij als katten tegen de steile hellingen op of daalden behoedzaam tusschen groote rotsblokken naar beneden. Voortdurend riep de jonge Arabier ons toe: “Laissez le mulet, il sait son chemin.” Waarlijk, men kon niets beter doen dan zich lijdelijk aan zijn muildier overgeven en de kalme, behoedzame zekerheid bewonderen, waarmede het steeds den reeds vroeger afgelegden weg terug vond. Tegen ’t middaguur stapten wij af op een plaats, waar het dal, door hooge krijtrotsen omgeven, breeder werd. Was het vroeger woest en onbegroeid, hier heerschte een weelderige plantengroei. Langs de rotsoevers der beek bloeiden en geurden om strijd oleanders en wilde rozen, hoogerop [32] vormden vijge- en laurierboomen, amandel-, perzik- en abrikozenboomen, omstrengeld met wijngaardranken en lianen, een dicht bosch, waarboven een enkele palm zijn trotsche kruin verhief.

Gezicht in het dal van Tilatou. Op den berg het dorp der holbewoners met den toren der moskee.

Gezicht in het dal van Tilatou. Op den berg het dorp der holbewoners met den toren der moskee.

Na een bezwaarlijke klimpartij tegen een met rotsblokken bezaaide berghelling was het punt bereikt, waar wij op korten afstand het gezicht op het doel van onzen tocht hadden, een dorp van holbewoners of oermenschen. De natuur heeft hier n.l. in de krijtrotsen vrij diepe holen en grotten gevormd, die door de gemakzuchtige Arabieren met geringe moeite tot woningen voor zich zelf en stallen voor hun vee ingericht zijn. Tegen de rotsen aangeleund, verheft zich de afgebrokkelde toren van een moskee. Daar leven ongeveer een 300 mannen, vrouwen en kinderen, ver van de wereld, met bijna geen behoeften, zich voedend met de opbrengst hunner kudden en der weinige vruchtboomen die zij verzorgen onder het aartsvaderlijk opzicht van een kadi (rechter) en een marabout (priester). Een idyllische toestand voorwaar, die ons Westerlingen, vermoeid door het gejaagde, de zenuwen op de proef stellende, dikwerf zoo ongezonde leven der hedendaagsche maatschappij, jaloersch zou kunnen maken, zoo ... wij wat meer van ’t karakter van den Arabier in ons hadden.


Biskra, ongeveer twee uur sporens ten Zuiden van El-Kantara, is het eindpunt van de lijn van Constantine naar de Sahara. Het is een oase, die, wat uitgestrektheid en schoonheid betreft, El-Kantara nog ver overtreft. Juister gezegd, bestaat het uit elf oasen van uiteenloopende uitgestrektheid, die schilderachtig verspreid aan den voet van twee massieve bergmassa’s liggen, den reeds vroeger vermelden Djebel Aoures en den berg der Zibans (ziban-dorpen, enkelv. zab). De Arabieren, steeds er op uit om alles, wat door bijzondere schoonheid of bekoorlijkheid uitmunt, bij een koningin, sultane of prinses te vergelijken, noemen daarom Biskra de koningin der Zibans. En terecht verdient het dien naam. Want als een koningin, stralend van schoonheid, de trotsche kruinen van zijn 160,000 palmen badend in den zonnegloed, ligt het daar aan den ingang der woestijn bij de grenzen der beschaafde wereld. Het is als ’t ware of het aan de wereld toonen wil, dat ook de woestijn hare overweldigende schoonheid bezit. En niet alleen schoonheid is haar deel, ook leven, rusteloos en bedrijvig leven, drukte en vroolijkheid vol Oostersche levendigheid en schitterende kleurenpracht. Wat Tunis voor het Noorden is, dat is Biskra voor het Zuiden. Heeft men daar het Arabische leven in al zijn oorspronkelijkheid, hier kan men den nomadiseerenden Arabier in zijn ware natuur aanschouwen.

Biskra is het knooppunt van karavaanwegen bij uitnemendheid. Daar toch komen tallooze wegen uit de Sahara te zamen; daarlangs loopt sinds eeuwen de hoofdweg van het binnenland door de poort van El-Kantara naar Tunis. Van Biskra uit gaat ook de groote karavaanweg over de oasen Tougourt en Ouargla dwars door de Sahara naar het geheimzinnige Tomboktou aan den Niger. Het ideaal van het Fransche gouvernement is, dien weg binnen niet al te langen tijd, van oase tot oase, te vervangen door een spoorweg, den Transsaharien. De 60,000 inwoners van de oase bestaan uit de meest verschillende rassen uit de woestijn en het gebergte afkomstig, n.l. negers uit de Sahara en Centraal-Afrika, Berbers uit den djebel-Aoures, Arabieren uit het Noorden en uit de Zibans benevens een menigte nomaden, die overal hun tenten in ’t vrije veld opslaan. [33]

De Col des Sfa bij Biskra. Gezicht op de Sahara.

De Col des Sfa bij Biskra. Gezicht op de Sahara.

De Europeanen te Biskra bestaan voor ’t grootste deel uit ambtenaren, militairen en vreemdelingen. Om het gezonde klimaat, de droge, reine, uitstekende lucht wordt Biskra meer en meer gezocht als winterverblijf voor vreemdelingen, die er evenals in Egypte genezing voor longaandoeningen komen zoeken. De toeloop van vreemdelingen heeft te Biskra paleizen van hôtels doen verrijzen, die in niets voor Europeesche behoeven onder te doen. Vooral het Victoria-hôtel en Hôtel Royal munten uit door hun ruime bouworde, prachtige ligging en uitstekend ingerichte lees- en gezelschapszalen. Daar treft men ook nomaden aan, maar Europeesche, nl. globe-trotters en mondaines in de elegantste toiletten. In het voor- en najaar is het te Biskra het drukst, en wordt het ook het meest bezocht door de karavanen.

In ’t voorjaar, als de hitte zich in de woestijn doet gevoelen, de zonnebrand het schaarsche gras verdort, maken de nomaden zich op, om met hunne kudden naar de noordelijker gelegen bergstreken te trekken, waar zij voedsel voor hun vee vinden. In ’t najaar heeft de trek in omgekeerde richting plaats. Daar wij juist in ’t voorjaar te Biskra waren, konden wij getuigen zijn van het drukke verkeer, dat er dien tijd heerscht. In lange rij kwamen de karavanen uit de binnenlanden opzetten, al naarmate van den rijkdom des eigenaars door groote of kleinere kudden schapen, geiten en kameelen vergezeld. Meestal reed de eigenaar op een vurig paard voorop, dan volgden vrouwen en kinderen op den rug der kameelen, de vrouwen nu eens gesluierd, dan weer door een palankijn van bont gestreept doek voor onbescheiden blikken verborgen. Huisraad en koopwaren, zooals dadels, harst en houtskool, waren eveneens op kameelen en ezels verpakt. Vlugge, slanke, bruine jongens en mannen liepen hier en daar naast den stoet, een wakend oog op de kudden zwarte schapen en geiten houdend. Voor de kameelen is dit niet noodig, die volgen van zelf een enkele moederkameel vergezeld van een jong, dat gedwee bij de moeder blijft en er in zijn schonkige magerheid onoogelijk uitziet. Herbergen, gelijk bij ons, kent men in ’t Oosten niet. De karavanen moeten hun toevlucht zoeken in een gebouw, karavanserai genoemd, bestaande uit vier vleugels, rondom een vierkante plaats. Op dit plein verzorgt men het lastvee en in het gebouw betrekt de Bedouïn een cel, waarin hij niets vindt dan een mat. Het is een schilderachtig tafereel, een drukke karavanserai, maar de zindelijkheid laat er veel te wenschen over. Natuurlijk vinden in den drukken tijd lang niet alle karavanen er plaats, en daar de toegang aan de [34] vrouwen verboden is, geven de meeste Bedouïnen er de voorkeur aan, in de open lucht te kampeeren. Onder een paar palmboomen wordt de tent opgezet, en broederlijk huist de geheele familie daar te zamen met honden, schapen en geiten. Sommige dier tenten zijn van zeildoek of linnen, en men kan zien, dat daar binnen eenige welgesteldheid heerscht; de eigenaar ligt in zijn volle waardigheid zijn pijp te rooken, vrouwen en meisjes zijn bezig met den maaltijd toe te bereiden, of weven doeken en shawls uit kleurige stoffen.

Andere tenten zijn niets dan een lappendeken van vodden op eenige staken, omringd met een doornhaag (zeriba) ter bescherming van het vee; groezelige vrouwen zitten neergehurkt voor den ingang, of werpen den vreemdeling schuwe blikken door de scheuren der tent toe; magere half wilde honden blaffen hem toe, en havelooze, smerige, halfnaakte kinderen stuiven op hem af, onder ’t geroep van “donnez un sou, m’siou” (’t eerste wat elk Arabierenkind leert), waarbij zij zoo onbeschaamd aanhouden, dat men ze bijna met geweld verjagen moet.

Evenals in alle steden, die zich kenmerken door een internationaal va-et-vient van reizigers, is ook te Biskra voor de noodige afleiding en ontspanning gezorgd.

Na zijn zwerven door de woestijn, dikwijls gekweld door hitte, dorst en den verraderlijken woestijnwind, den simoun, wil de Arabier, zelfs de meest nomadisch aangelegde, wel weer eens de genietingen der beschaafde wereld smaken.

Daarbij komt, dat het drukke vreemdelingenverkeer nu niet bepaald voordeelig op de zeden gewerkt heeft, zoodat te Biskra druk aan Venus en aan ’t spel geofferd wordt; ook houden de Arabieren zich daar niet zoo streng aan de wet van den profeet als hun voorgeschreven is ten opzichte van wijn en alcoholische dranken, zooals wij zelf eenmaal aan onzen gids konden bemerken. Des avonds en gedurende een deel van den nacht is het in sommige straten vrij druk en rumoerig; danshuizen en café’s stralen van licht, harde snerpende muziek weerklinkt, in ’t kort een soort oostersch boulevard-leven in ’t klein. Dit concentreert zich voornamelijk in de zoogenaamde straat der Oulad-Nayl. De Oulad-Nayl is een Bedouïnenstam, die in het gebergte van dien naam ten westen van Biskra huist. Tegen den winter gaan de dochters van dien stam naar die plaats toe, om er zich in de arabische café’s als dansmeisjes te verhuren, tevens haar harten zoo wijd mogelijk voor alle vreemdelingen openstellend. In ’t Oosten wordt de danskunst in ’t openbaar slechts uitgeoefend door meisjes van twijfelachtige zeden.

Dit doet echter der dochters der Oulad-Nayl geen kwaad. Integendeel. Want evenals de japansche Greishameisjes, zijn zij bij haar terugkeer naar haar stam met de opgespaarde verdiensten als bruiden zeer gezocht.

In tegenstelling met de andere Arabische vrouwen ongesluierd, zitten zij voor de deuren van haar lage huizen, in lange bonte kleederen gehuld, den kleurigen tulband op ’t hoofd, dat aan weerskanten omlijst is met een dikken dot valsche krullen van dunne zwarte wol, hals en borst behangen met tallooze kettingen van louis d’or, munten, steenen en schelpen; armen, polsen en enkels met armbanden en ringen versierd, de nagels rood geverfd met hennéh, de wenkbrauwen met kohl tot één dikke zwarte streep getrokken, die de donkere oogen onnatuurlijk groot maakt. De vreemdelingen gaan natuurlijk een kijkje in deze wijk nemen, omdat zij hier een eigenaardig stuk oostersch leven te zien krijgen en niets dat tegen de borst stuit. In ’t café binnengetreden, waar een talrijk publiek van allerlei stand en landaard is, zetten zij zich op de met tapijten belegde steenen banken neer, om naar het dansen toe te zien. Op een soort estrade maken eenige muzikanten eentonige muziek, eerst zacht en slepend, om eensklaps over te gaan tot fortissimo in een razend tempo, dat eindigt met den Europeaan wanhopig te maken. Op de maat dier muziek voeren de dochters der Oulad-Nayl hare gracieuse dansen uit, met voorzichtige schuifelende passen, lenige lende- en heupbewegingen en sierlijk soms statig armgebaar.

Een kunststukje daarbij is, een ontvangen geldstuk op het voorhoofd te plaatsen en dit onder ’t dansen en ’t achteroverbuigen van het bovenlichaam steeds daarop te houden.

Uren lang kan de Arabier naar die dansen toezien; voor den Europeaan worden zij spoedig eentonig. In een ander café worden krijgsdansen uitgevoerd door negers uit Centraal-Afrika, die zich daarbij zoo afschuwelijk mogelijk toegetakeld hebben, behangen als zij zijn met lynx- en vossevellen. Onder het uitstoot en van rauwe, brullende kreten, die niets menschelijks meer hebben, draaien zij met snelle sprongen en bewegingen om elkander heen, onder ’t zwaaien van kromme sabels, met klapperende castagnetten en een kleine oorlogstrom een oorverdoovend lawaai makend.

Zoodanig tooneel biedt de straat der Oulad-Nayl den vreemdeling des avonds. Door zijn licht en leven, zijn oostersche vrouwen en kleurenpracht en al het exotische maakt deze plek een eigenaardigen indruk, dien hij niet licht vergeet.

Zeer loonend en vol afwisseling is een wandeling door het dorp oud-Biskra, bewoond door de eigenlijke inwoners der oase. Men bewondert hier even als te El-Kantara het kunstige irrigatie-stelsel en de hoog opschietende dadelpalmen, terwijl de nettere, ruimere woningen van meer welstand dan ginds getuigen.

Niet ver van daar liggen op een lagen heuvel de overblijfselen van een turksch fort, dagteekenende uit den tijd dat het gezag van den Grooten Heer te Constantinopel zich nog over Tunis tot aan de grenzen der Sahara uitstrekte. Van den top heeft men een gezicht op het zuidelijk gedeelte van Biskra en tevens op den Col des sfa (sfa: kameelen), waar een vale, golvende streek te kennen geeft, dat hier het ruwste en onvruchtbaarste deel der Sahara, de zandwoestijn, waar de simoun heerscht, door de Arabieren El Erg genoemd, een aanvang neemt.

Beter nog dan van den heuvel bij oud-Biskra kan de reiziger de zandwoestijn aanschouwen van den toren der moskee van Sidi-Okba. Dit is een dorp geheel bewoond door Arabieren, op 3 uur rijdens van Biskra verwijderd. Het is voor hen een beroemde bedevaartplaats, want in de moskee [35] ligt begraven Sidi-Okba, een neef van Mahommed en fanatiek strijder voor ’t geloof van den profeet, die in den strijd met de Berbers sneuvelde. Hier ziet men geen Europeesch gebouw, geen spoor van westersche beschaving. Men is geheel in een Arabisch milieu, hetgeen het interessante van het bezoek verhoogt, maar in hooge mate de vrijheid van beweging belemmeren zou, als niet de Fransche regeering speciaal een Arabier als beambte aangesteld had, om de vreemdelingen als gids te dienen en tegen de al te groote indringerigheid en bedelzucht van zijn landgenooten te beschermen.

Bij ’t bezoek aan het graf, dat met kostbare wijgeschenken en fraai met goud en zilver bestikte tapijten versierd is, bestijgt men ook den toren der moskee; en van den omgang, waar de muezzins bij ’t ondergaan der zon met luidklinkende stem de geloovigen tot het avondgebed oproepen, heeft men een onmetelijk uitzicht op de golvende zandzee, die zoo veel drama’s en verschrikkingen in haren schoot bergt en waarvan het kleine, in het zonlicht schitterende dorp met zijn slanke palmen slechts een verlaten post schijnt te zijn. Toch is het bewoond door ongeveer 3000 Arabieren en negers.


Een der voornaamste aantrekkelijkheden van het reizen in Algerië is de groote afwisseling, die de natuur telkenmale aanbiedt. Een halve dagreis is dikwijls voldoende om den reiziger in een landstreek te brengen, die zoo in alle opzichten verschilt van die, waar hij den vorigen nacht het moede hoofd ter ruste legde, dat hij zich zelf bijna verwonderd afvraagt, of deze verandering toch werkelijk in zoo korten tijd heeft plaats gehad. Grooter tegenstelling dan tusschen het landschap van Biskra en Kabylië is wel niet denkbaar. Kon ginds de blik een onmetelijken horizon bevatten, zoo wordt hij hier op korten afstand gestuit door massieve bergmassa’s waarvan de toppen met sneeuw bekroond zijn, want Kabylië is het hoogste en meest uitgestrekte bergland van geheel Algerië. Het behoort tot twee provincies. De oostelijke helft is de grootste en ligt in de provincie Constantine. De bergen bereiken er echter niet zoo’n hoogte als die der westelijke helft, in de provincie Algiers gelegen. Van Constantine naar het Westen sporend, komt de reiziger eerst in de door graan vruchtbare maar eentonige vlakte van Sétif. Langzamerhand, bij ’t naderen van den Biban-keten, wordt het landschap woester en meer bergachtig; steunend en hijgend zwoegt de machine tegen de berghelling op, van tijd tot tijd stil houdend, waar werklieden bezig zijn den veel onderhoud vereischenden weg te herstellen. Het is of men in een Zwitsersch landschap verplaatst is. Verdwenen zijn de karavanen met Bedouïnen en kameelen, als waren zij door den sirocco weggevaagd, verdwenen ook de palmen met hun sierlijke bladerkronen. De beambten en arbeiders langs den weg zijn bijna allen van Europeeschen stam en de schilderachtige oasen zijn vervangen door spaarzame boomgroepen van het soort dat men “pin d’Aleppe” (een variatie van den den) noemt en naakte, loodrecht oprijzende rotswanden. Steiler wordt de weg, langzamer kruipt de trein naar boven, tot hij bij de Portes de Fer het hoogste punt bereikt heeft. Van daar daalt de weg dan weder met vele zig-zagwendingen en slingeringen in de vruchtbare vlakte van de Sahel, waar talrijke olijfboomgaarden en velden met wijnstokken en graan beplant, van de vruchtbaarheid getuigen. Steeds breeder en liefelijker wordt het dal, tot de spoorweg zijn eindpunt, het aan zee gelegen Bougie bereikt, waar ook de Sahel zich in zee stort. Geen plaats in Algerië is schooner gelegen dan Bougie, amphitheatersgewijze tegen de heuvels gebouwd, die een tamelijk groote golf omringen. Het gezicht, dat men op de golf heeft van de balkons van het in Zwitserschen trant gebouwde hôtel, is werkelijk eenig mooi. Op den voorgrond de kleine haven, waar slanke vaartuigen met driehoekige zeilen op de donkerblauwe watervlakte heen en weer schommelen; aan den overkant bergketenen uit de zee oprijzend, steeds hooger en hooger, de voorste lagere, met groenenden wasdom, de achterste hoogere, witgekuifd door sneeuw; aan de linkerhand de volle zee, aan de rechter de vruchtbare vlakte der Sahel, hier en daar door verschillend genuanceerde, groenende boomgroepen onderbroken. Op een eenzame, ver in zee uitstekende rots, kaap Carbon, staat een vuurtoren met draaiend licht, hetwelk op 45 K.M. van uit zee te zien is. Want de kust is hier zeer gevaarlijk, daar er dikwijls zoo’n sterke mist heerscht, dat men geen twee passen voor zich uit kan zien.

Bougie is het uitgangspunt voor tochten te voet en per rijtuig door Groot- en Klein Kabylië. Wegen, hôtels en middelen van vervoer laten er echter nog veel te wenschen over, zoodat de Arabieren met dien primitieven toestand hun voordeel doen en er geen streek is, waar de reiziger meer op zijn tellen en op zijn beurs moet passen dan in dit deel van het beschaafde Algerië.

Onderscheidt Kabylië zich, wat de natuur en de gesteldheid van den bodem betreft, van het Zuiden, ja men kan veilig zeggen van geheel het overige Algerië, zoo is er ook op het gebied van bevolking groot verschil. De Kabyl is een afzonderlijk type, dat zich door de afgeslotenheid van zijn ontoegankelijke bergen door vele eeuwen heen zeer zuiver gehandhaafd heeft, weinig vermengd als het is door nauwere aanraking met de verschillende volksstammen, die achtereenvolgens het land overstroomden. Van middelbare gestalte, lenig, welgemaakt en gespierd, met blauwe oogen en rosachtig haar, vertoont hij een geheel ander type dan de Arabier. Hij behoort tot de oorspronkelijke Berberstammen, die voor de komst der Romeinen het land bewoonden en zich gedurende de onophoudelijke oorlogen en vervolgingen in het ontoegankelijke gebergte terugtrokken. Ook in het Aôures-gebergte vindt men dergelijke stammen. Fanatiek, sober, dapper en vrijheidslievend, met open, vrijen oogopslag, heeft de Kabyl al de deugden van den bergbewoner. Een langen, hardnekkigen oorlog hebben de Franschen in Kabylië moeten voeren, eer het voor goed onderworpen was. Telkens verslagen, trokken de bewoners zich weder in ontoegankelijke streken terug, om den aanval onverwacht te hervatten als de kans hun gunstig scheen. Vele Fransche veldheeren hebben hun sporen in dezen veldtocht [36] verdiend. Ook de hertog van Aumale, later stadhouder van Algerië, heeft er als dapper soldaat zijn plicht gedaan. Onder de dweepzieke leiding van den bekenden emir Abd-el-Kader was Kabylië een brandpunt van verzet. Een treurige vermaardheid verwierf er door zijn wreedheid de overste Pelissier, later voor zijn verdienste bij Sebastopol tot hertog van Malakoff benoemd. In 1845 liet hij een geheelen Kabylenstam ten getale van 800, die met vrouwen en kinderen in een ruime rotsspelonk gevlucht waren en van overgave niets weten wilden, door den rook van een brandende houtmijt door verstikking om ’t leven komen. Eerst in 1857 gelukte het generaal Randon den taaien tegenstand der Kabylen te breken en daarmede Algerië tot aan de Sahara te onderwerpen. In ’t midden des lands werd een sterkte, Fort National, gebouwd, van waaruit excursies ondernomen werden om het land tot rust te brengen. Een wijs en gematigd bestuur heeft er zeer toe bijgedragen de onderwerping te bevorderen. Na verloop van tijd hebben de Kabylen zich in ’t onvermijdelijke geschikt, zoodat de regeering van Algerië hen thans onder haar beste onderdanen moet rekenen. Geen nomaden, als de Arabieren, zijn zij aan hun bergen, aan vaste woonplaatsen gehecht en houden zich met goed gevolg met landbouw en veeteelt bezig.

Touaregs uit de Sahara.

Touaregs uit de Sahara.


Is Tunis een echte Arabische stad, waar men de Mooren (zoo noemde men vooral ten tijde der Republiek de inwoners der steden aan de Noord-Afrikaansche kust) nog in al hun oorspronkelijkheid kan gadeslaan, geheel anders is het met Algiers gesteld. Algiers is geheel en al een Fransche stad. Men zou denken in de een of andere Fransche havenstad der Middellandsche zee te zijn, zoo Europeesch is het uiterlijk met de ruime haven, uitgestrekte kaden en prachtige, uit vele verdiepingen opgetrokken, hôtels en gouvernementsgebouwen. Wandelt men dieper de stad in, zoo wordt die indruk nog versterkt. Van een uitgestrekte Arabische wijk, zooals te Tunis, geen spoor en bijna met verbazing beschouwt men de moskee El-Djedid met haar in ’t felle zonlicht schitterende muren en met een halve maan gekroonde koepeldaken op de Place du Gouvernement, juist tegenover het ruiterstandbeeld van den hertog van Orleans, alsof men dit gebouw nu het allerminst hier verwachtte. Eigenlijk is het niet meer dan natuurlijk, dat de stad Algiers haar oorspronkelijk karakter nagenoeg geheel verloren heeft, zoo men bedenkt dat de Franschen zich daar het eerst gevestigd hebben. De bezetting dateert van 1830.

In dat jaar had in de kasbah van den bey de befaamde audiëntie plaats, verleend aan den Franschen consul. Deze had zich over eenige rooverijen en andere schendingen van ’t volkenrecht door Algerijnsche onderdanen ernstig te beklagen, welke klachten door den despoot met zeer ongepaste woorden beantwoord werden. In zijn toorn liet hij zich zelf vervoeren, den consul met zijn waaier in ’t aangezicht te slaan, een daad, die hem zijn heerschappij kostte. Daar elke voldoening geweigerd werd, landde een Fransch leger onder maarschalk Bourmont aan de kust, maakte zich zonder veel moeite van de stad en omgeving meester en zette den bey af. Nog heden ten dage toont men op de kasbah aan de vreemdelingen het Pavillon du coup d’éventail, waar die gedenkwaardige audiëntie plaats greep. De omstandigheid, dat Algiers de residentie der geheele kolonie werd, droeg er eveneens toe bij de stad meer en meer Fransch te maken in de 70 jaar, sinds de bezetting verloopen.

Bovendien is Algiers zeer gezocht, om het heerlijke klimaat als winterverblijf, door tallooze vreemdelingen, een reden te meer, waarom het inlandsche element op den achtergrond treedt.

De ligging aan een ruime baai, die het volle uitzicht op de zee verleent en met haar rechteroever in een zachten boog naar het Noord-Oosten loopt, is eenig schoon.

Niet weinig dragen daartoe bij de twee voorsteden, Mustapha inférieur en Mustapha supérieur, juist in die boog gelegen, de landstreek aan zee en de glooiende heuvels bedekkend met vroolijke landhuizen en prachtvolle villa’s, afgewisseld door welige boomgroepen en boschpartijen. De beide Mustaphas worden bij voorkeur door de vreemdelingen gezocht.

Ook de gouverneur-generaal van Algerië heeft zijn zomerpaleis in Mustapha supérieur. Op een heuvel gelegen, biedt het, tusschen de breede bladeren der palmen door, een verrukkelijk uitzicht op de zee en is door een uitgestrekt park omgeven. Voor den ingang staan op zuilen de marmeren busten van eenige vroegere gouverneurs, meest militairen, die een groot aandeel gehad hebben in de verovering. Men leest de namen van Bugeaud, den grooten generaal-pacificateur, Randon, Mac-Mahon, Chanzy, die Frankrijks eer en wapenroem redde in den rampspoedigen veldtocht aan de Loire, en van zoovele [37] anderen. Tegenover het paleis vindt men het museum van oudheden, met vele schatten op oudheidkundig gebied, door de opgravingen der laatste 25 jaren aan ’t licht gebracht. In ’t bijzonder zijn hier eenige zeer fraaie mozaïeken te zien, geheel ongeschonden en van groote afmeting. Deze komen in grooten getale in Algerië voor.

Danseressen van den stam der Oulad-Nayl.

Danseressen van den stam der Oulad-Nayl.

Het mooiste in de omstreken van Algiers, en geen vreemdeling verzuime dit te gaan zien, is de Botanische tuin van le Hamma.

Op korten afstand van de stad, onmiddellijk aan zee gelegen, is deze tuin eenig in haar soort, en hij wordt slechts door dien van Buitenzorg overtroffen. Van al de proeftuinen, overal in Algerië door de Franschen aangelegd, is deze tuin van Hamma (zoo wordt hij genoemd naar een dorpje in zijn nabijheid) de oudste en de belangrijkste. Door een breeden schaduwrijken rijweg omgeven, bedraagt de uitgestrektheid 84 hectaren, welke in twee deelen verdeeld is, waarvan het aan zee gelegen gedeelte den eigenlijken tuin uitmaakt, terwijl het andere bestaat uit met verschillende houtsoorten bewassen heuvels. De ingang is in de onmiddellijke nabijheid der zee, op een historische plek. Want in 1541 mislukte hier een strafexpeditie van Karel V tegen den dey van Algiers. Zijn kostbaar uitgeruste vloot werd door geweldige stormen deels op het strand geworpen, deels door de zee verzwolgen. Zelfs met moeite gelukte het den machtigen keizer zich te redden. Het heerlijke klimaat van Algiers kwam den tuin zeer ten goede en bracht de vele uitheemsche tropische gewassen tot snellen wasdom. Bij ’t binnenkomen betreedt de bezoeker een der vier prachtige lanen, die deze tuin rijk is en die hem in verschillende richtingen doorkruisen.

Het is de palmenlaan, afwisselend bestaande uit Amerikaansche palmen die de aandacht trekken door hun forschen, knoestigen stam en kolossale waaiervormige bladen, en uit kaarsrechte, slanke dadelpalmen, hun wuivende kruin hoog in de reine lucht verheffend. Voorts is er een laan eeuwenoude platanen, van den voet tot hoog in de takken met klimop omrankt. In de bamboes-laan buigen de stammen met het dun uitloopende eind naar elkander toe tot zij elkander aanraken, zoodat het den bezoeker toeschijnt als wandelt hij in het schip eener kathedraal. Het meest wordt hij echter getroffen door de prachtige laan van ficussen, 20 minuten gaans lang, waar elke boom afzonderlijk een weelde der oogen is. Vijftien tot twintig luchtwortels, meer of minder dik, hangen bij den stam neer, omstrengelen hem met forsche omarmingen, of richten zich bij den voet [38] weer omhoog, zoodat het geheel een grillig complex van wortels en takken vormt, overschaduwd door de machtige bladerkroon. Men is verrukt door de zeldzame sycadaëen, door de musa’s met hun breede, laag neerhangende bladeren en purperen vrucht. Een wonderlijken indruk maakt de pinangboom, met kegelvormigen stam, licht grijs van kleur, hard en glad als steen. In ’t bijzonder munt deze tuin uit door het groote getal exemplaren van eene zelfde boomsoort in één groep bijeengeplant. Zoo ziet men b.v. een groep van 40 verschillende palmen uit alle deelen der wereld afkomstig. Op groote schaal worden in den tuin allerlei gewassen aangekweekt, die door de kolonisten in cultuur kunnen gebracht en voor hen tegen matigen prijs verkrijgbaar worden gesteld.

De provincie Algiers is de vruchtbaarste van geheel Algerië en wordt door de provincie Oran alleen wat betreft den rijkdom van graan overtroffen. De tel, het bebouwbare land, heeft er de grootste breedte en de vlakten van de Sahel en van de Metidja leveren de grootste verscheidenheid van producten op. Rijk aan wijn, heeft dit edele vocht al sinds jaren in geheel Europa, ook in ons land het burgerrecht verkregen. Keeds in 1865 bedroeg de uitvoer 3 millioen H.L. en in jaren van misgewas zijn de wijnboeren uit Frankrijk blijde, hun voorraad uit de Algiersche wijnen te kunnen aanvullen. Overal in de omstreken van Algiers uitgestrekte velden met Europeesche groenten en breedbladerige artisjokken, waarmede des winters de markt van Parijs voorzien wordt.


Niet alleen om hare snelle, gestadige ontwikkeling, maar ook uit een politiek oogpunt neemt de provincie Oran, meer dan de andere, de aandacht van het bestuur van Algerië en van de regeering te Parijs in beslag. Zij is niet veilig tusschen twee andere gelegen, als Algiers, grenst evenmin aan een land als Tunis, waarover Frankrijk door zijn protectoraat de beschermende en strenge hand uitstrekt, maar heeft tot nabuur het woelige Marokko, waar de heerscher slechts in schijn gezag uitoefent. Vooral in ’t zuiden zijn de nagenoeg onafhankelijke Bedouïnenstammen, die zich aan bevelen en vertoogen uit Fez niets gelegen laten liggen, bij voortduring een onrustig en beroering brengend element.

Want ook in ’t Zuiden der provincie Oran wordt onverdroten voortgegaan met het scheppen van oasen en het devies van generaal Bugeaud opgevolgd: “refoulez le désert.” Langzamerhand heeft Frankrijk zich reeds op vreedzame wijze gevestigd op verschillende punten in de Marokkaansche Sahara, met ’t oog op den verbindingsweg dwars door die woestijn naar den Niger en om zijn invloed in Marokko uit te breiden. Onlangs nog is met de noodige praal, in tegenwoordigheid van den minister Etienne en den gouverneur-generaal Jonnart, de spoorweg geopend naar het zuidelijkste punt in de Sahara, een heel eind voorbij Figuig, naar Colomb-Bechar, hetgeen op de nog voor zoo korten tijd oproerige Bedouïnen een beslisten indruk gemaakt heeft.

Rust heeft het gouvernement voor de provincie Oran en hare grenzen noodig, rust en vrede voor hare reusachtige ontwikkeling. De hoofdstad Oran is de eerste handelstad van de kolonie. Telde zij in 1866 vier-en-dertig-duizend inwoners, dit aantal was in 1886 verdubbeld en bedroeg in 1901 reeds over de 100,000. Slechts Amerikaansche steden bieden hiervan een voorbeeld. De voorstad Karguentua is de eigenlijke handelstad. Van daar uit wordt met de haven, die een deel uitmaakt van de nieuwe Fransche stad, een druk verkeer onderhouden. Treinen stoomen af en aan, en van ’s morgens tot zonsondergang trekken de volgeladen sleeperskarren, met 5 à 6 paarden voor elkander gespannen, in lange rijen door de hoofdstraten naar de kaden. Want voor den uitvoer van graan en wijn is de provincie Oran de belangrijkste. Ten Westen van de Fransche stad ligt het oudste gedeelte van Oran, de vroegere Spaansche stad, aan den voet van den steil uit zee oprijzenden, barren Djebel-Mordjado, bekroond door het fort en de kathedraal van Santa-Cruz. Niet alleen in de stad Oran, maar in de geheele provincie is het Spaansche element sterk overwegend, geen gering punt van zorg voor de regeering. Aan de haven en kaden, in de hoofdstraten, waar het verkeer het drukst is, wemelt het van lieden uit de volksklasse van allerlei slag, voerlieden, schepelingen, sjouwerlieden en arbeiders, die zich door hun luidruchtig, schreeuwerig optreden en barbaarsch, rauw klinkend mengelmoes van Spaansch en Arabisch als niet-Franschen doen kennen. Vooral de koetsiers zien er met hun kort geknipte stoppelbaarden en weinig verzorgde kleeding als echte bandieten uit. Van vijf tot zeven uur in den namiddag heerscht er in de hoofdstraten een vrij wat aangenamer drukte. Op de Promenade de l’Etang, heerlijk aan zee gelegen, bewegen zich talrijke wandelaars met hunne dames in lichte, kleurige toiletten, die komen luisteren naar de militaire muziek in het Casino der officieren op de Place d’Armes. Op den Boulevard Seguin, met fraaie, ruime winkelmagazijnen, moet men voetje voor voetje gaan en heeft men ruimschoots gelegenheid de Spaansche schoonen te bewonderen, die met kleinen, sierlijken voet over de trottoirs schijnen te zweven en wier donkere, vurige oogen en blauwzwarten haartooi op bewoners van noordelijker streken zoo’n diepen indruk maken. Het Spaansche karakter, dat Oran zoo sterk vertoont, is nog een overblijfsel uit vroeger eeuwen. Want van 1509 af, toen de troepen van Kardinaal Ximenes Oran veroverden, is de stad meer dan eens met tusschenpoozen geruimen tijd in ’t bezit der Spanjaarden geweest. Maar dat alles behoort tot het verleden, want nooit konden zij er zich op den duur handhaven en het eenige monument, dat aan de Spaansche bezetting herinnert, is het fraai uitgevoerde, in steen gebeitelde Spaansche wapen boven de kasbah der stad. Maar dit is door den tijd verweerd, geschonden, gebarsten en verbrokkeld, een treurig beeld van alles wat Spanje hier en elders over de geheele wereld ondernam op koloniaal gebied.

Ver in ’t Westen der provincie Oran, in de nabijheid der Marokkaansche grens, ligt de oude emirstad Tlemcen, een heilige stad. Zij is in zekeren zin voor Tunesië en Algiers, wat Mekka voor Arabië, en Fez voor Marokko is. Eens de trotsche residentie van de machtige koningen van Tlemcen, ging in de onophoudelijke [39] binnenlandsche twisten veel van haar ouden luister verloren, maar in tegenstelling met bijna alle andere emir-residenties uit de binnenlanden, wist zij zich toch tot in den nieuweren tijd staande te houden. Gelegen in een uitgestrekt bergland, dat op sommige plaatsen een hoogte van bijna 2000 M. bereikt, biedt zij door haar sterke muren en voordeelige ligging den Franschen een welkom steunpunt in de nabijheid der Marokkaansche grens. Tlemcen bezit eenige zeer merkwaardige gebouwen.

De oude Medersa, Arabische school, is vervallen, maar werd door de Fransche regeering gerestaureerd en is tot museum ingericht. Gesteund door prachtige zuilen van onyx, bestaat het gewelf en de bogen daarvan uit het fransche stucadoorwerk, met tallooze Arabische spreuken, woorden en karakterteekens bezaaid. Het werken in stuc is een kunst, waarin de Arabieren een hoogte bereikt hebben, die later nooit overtroffen is en waarvan men vooral in Tlemcen en omgeving de schoonste specimina kan bewonderen. Op sommige plaatsen zijn de fijne krulletters bijna ter lengte van een vinger ingesneden. Dat Tlemcen een heilige stad voor de Arabieren is, bemerkt men uit de vele gekoepelde minarets, die boven de stad zelve en overal boven de verschillende dorpen in de omgeving verheffen. De mannen meten den giaour (christenhond) met somberen, trotschen blik, de vrouwen wikkelen zich bij eene ontmoeting dichter in haren sluier of wenden met een minachtend schoudergebaar het hoofd af. Het grootste heiligdom in den omtrek is de moskee van Sidi-Bou-Medine, in het dorp van dien naam op eenige uren van Tlemcen, dat men bereikt langs den schilderachtigen waterval van de Mefrouch-el-Ourit, die zich schuimend met breeden stroom in twee trappen in het dal stort. Het heiligdom van Sidi-Bou-Medine is er een, een groot marabout waardig. Reeds het trotsche voorportaal, weder geheel uit fijn bewerkt stuc opgetrokken, wekt de hoogste bewondering, die nog stijgt als men den ruimen tempel zelf binnentreedt, onder geleide natuurlijk. Een marmeren preekstoel en een mihrab van stuc zijn van zeer ouden datum. De mihrab ontbreekt in geen enkele Arabische moskee. Het is een boogvormige nis in den muur aan de oostzijde van den tempel, naar den kant naar Mekka gekeerd, waarheen de Arabier bij ’t verrichten van zijn gebed het aangezicht wendt. Aan de zoldering der moskee hangen talrijke kroonluchters van glas en koper, waaronder sommige zeer oud en van hooge waarde.

Palmenlaan in den Botanischen tuin van Algiers.

Palmenlaan in den Botanischen tuin van Algiers.

Ten Oosten van Tlemcen liggen, dicht bij de stad, de overblijfselen van den ringmuur van het oude Mansourah. Met ruig struikgewas begroeid, waaruit hier en daar afgebrokkelde kanteelen opsteken, omspannen zij de stad in een wijden boog, doorsnijden vruchtbare akkers en schaduwrijke olijfboomgaarden. Zij herinneren aan een episode uit den strijd tegen de vijandelijke emirs, die zoo dikwijls het overheerschende Tlemcen met verderf en verwoesting bedreigden. De emirs Yacoub en Youssef belegerden de stad en hadden gezworen haar met den grond gelijk te maken. Dapper verdedigd door den koning, werden echter drie achtereenvolgende stormaanvallen afgeslagen. Toen bemerkten de inwoners op zekeren morgen bij ’t ontwaken, dat er om den ringmuur hunner stad een tweede muur gebouwd was, die al hooger en hooger werd.

Achter dien ringmuur verhief zich weldra de massieve toren eener reusachtige moskee, daarna paleizen voor de belegerende emirs, huizen voor hunne bevelhebbers, voor het voetvolk en voor de ruiterij, stallen voor de paarden en ten slotte woningen voor allen, die zich in de nieuwe stad kwamen vestigen. Want een stad was het, Mansourah genaamd, die zich om het in ’t nauw gebrachte Tlemcen, belegerd, van alle verbinding afgesneden, in een omtrek van 3400 M. verhief, een nieuwe stad, die aan de oude den dood gezworen had. Acht lange jaren duurde de belegering. Maar het was niet het belegerde Tlemcen, dat met den grond gelijkgemaakt werd, maar hare jeugdige, trotsche mededingster. Zóó groot was de haat der inwoners van Tlemcen tegen de overwonnen stad, dat zij na de verwoesting den inwoners op straffe des doods verboden, ooit haren naam weder uit te spreken, en ook nu nog durft de Arabier, die te midden der grootsche bouwvallen woont, door den vreemdeling ondervraagd, nauwelijks met fluisterende stem den naam “Mansourah” uitspreken.

Bougie.—Gezicht aan zee en op het fort Abd-el-Kader.

Bougie.—Gezicht aan zee en op het fort Abd-el-Kader.

Maar, is Mansourah verwoest, ook de macht der koningen van Tlemcen nam een einde, en met verbazing aanschouwt de vreemdeling de overblijfselen van Bab-el-Karmdir, het oude paleis dier koningen, dat eens een cyclopisch indrukwekkend bouwwerk geweest moet zijn, zooals de verlaten ingestorte torens, muurstukken en bolwerken nog bewijzen.

De geheele omgeving en de geschiedenis der oude emirstad Tlemcen wekken bij den bezoeker eigenaardige gewaarwordingen en gedachten op. Zij schijnt hem een beeld te zijn van het Mohammedanisme aan Afrika’s noordkust, van haren verdwenen invloed en heerschappij, waarvan ook slechts bouwvallen over [40] zijn. Is niet het beeld van verwoesting aldaar hetzelfde, wat men overal in de streken van den Islam aantreft, verdelging van alles wat niet tot haar behoort? En doet niet dat Tlemcen, in zijn trotsche afzondering te midden van bijna ontoegankelijke bergen, met zijn fanatieke, zelfgenoegzame, indolente bevolking, met de torens van zijn eeuwenoude moskeeën, zijn graven van marabouts en heiligen, met al de bouwvallen van zijn vroegere grootheid, denken aan het Mohammedanisme, dat ook meende, dat het steeds op de hoogte van zijn macht zou blijven tronen en dat de loop der geschiedenis, de stroom der wereldgebeurtenissen steeds aan hetzelve zouden voorbij gaan. Maar de wereldgeschiedenis stoort zich niet aan ’t geen de volken willen, maar vervolgt onweerstaanbaar haren loop. Zoo verdween de Muzelmansche heerschappij, om plaats te maken voor de Christelijke, de Westersche, de Fransche. En geenszins ten nadeele van land en volk. Want als er één indruk, één waarheid is, die de vreemdeling bij zijn vertrek uit Tunis en Algiers medeneemt, dan is het wel deze, dat de Fransche bezetting voor die landen een zegen is. Voor land en volk beiden. Door het zwaard gewonnen, hebben de Arabieren deze landen ook weder door het zwaard verloren. Maar de Franschen hebben van hun overwinning een geheel ander, een beter gebruik gemaakt, dat in den loop der jaren land en volk tot heil, hun zelven tot eer, de menschheid en de beschaving tot voordeel geweest is.

Gezicht op de stad en op de kaden van Algiers.

Gezicht op de stad en op de kaden van Algiers.

Pondichéry, hoofdstad van Fransch-Indië

Naar het Fransch van G. Verschuur.

Pondichéry, moeilijk te naderen over zee.—Witte stad en Indische stad.—Het Regeeringspaleis.—De hôtels in onze koloniën.—Engelsche enclaves.—De bevolking; de kinderen.—Bouwkunst en godsdienst.—Handel.—De toekomst van Pondichéry.—De markt.—De scholen.—Politieke koortshitte.

Groep van kiesgerechtigde Brahmanen.

Groep van kiesgerechtigde Brahmanen.

Een klein strookje gronds vertegenwoordigt op dit oogenblik het belangrijkste gedeelte van ’t geen Frankrijk heeft weten te behouden uit zijn oud Indisch Rijk, dat thans een der machtigste koloniën van de britsche kroon is. Op die alluviale strook gronds ligt de stad Pondichéry, hoofdstad der fransche bezittingen, waarvan de groote Dupleix zich gansch andere horizons gedroomd had.

Indische muzikant uit Pondichéry.

Indische muzikant uit Pondichéry.

Het bescheiden grondgebied van Pondichéry omvat niet meer dan 29145 H.A. De dépendances van wat men gewoonlijk Fransch-Indië noemt, zijn de volgende vier: Chandernagor, Karikal, Mahé en Yanaon. Zij liggen verspreid over verschillende deelen van het groote schiereiland, de drie laatstgenoemde op korten afstand van het grondgebied van Pondichéry, het eerste in de onmiddellijke nabijheid van Calcutta.

De gouverneur der Fransche nederzettingen in Indië woont te Pondichéry, maar zijn ambt brengt mee, dat hij zich dikwijls moet verplaatsen naar de verschillende andere fransche plaatsen, waar de leiding der zaken in handen is van administreerende ambtenaren, die aan hem ondergeschikt zijn. Het spreekt vanzelf, dat er verscheiden lagere ambtenaren zijn, dat er een Plaatselijke Raad is evenals een Algemeene Raad, dat de kolonie te Parijs een afgevaardigde in den Senaat heeft, zoowel als in de Kamer, en dat op het grondgebied van Pondichéry de politiek de spil is, waarom alles draait en de voortdurende zorg van iederen dag. Wij zullen nog wel meer een woordje te zeggen hebben over die noodlottige politiek, dien knagenden kanker, waarvan zeker geen enkele fransche kolonie zooveel te lijden heeft als dat arme Pondichéry.

Laat ons eerst voet aan wal zetten, wat niet altijd gemakkelijk gaat, als men, zooals met mij ’t geval is, over zee aankomt. Daar de golven dikwijls hoog gaan op de reede, kan de ontscheping soms zoo moeilijk zijn, dat het onmogelijk wordt, gemeenschap [42] met de kust te krijgen. Het is vaak gebeurd, dat ten gevolge van het stormachtige weer de paketboot, die Pondichéry aandoet op haar reis heen en terug tusschen Colombo en Calcutta, niet met den wal gemeenschap kon krijgen en zich genoodzaakt zag, met passagiers en lading haren weg te vervolgen. Weinige jaren geleden heeft dat geval zich driemaal achtereen voorgedaan. Met platboomde vaartuigen, chelingues genoemd, die geen inhouten (ribben) hebben, nadert men de kust. Er wordt aangelegd bij een pier, die 252 M. lang is en recht in zee vooruitsteekt; staat de zee hoog, dan heeft men de behendigheid van een acrobaat noodig, om zijn evenwicht te bewaren bij het vastgrijpen van het touw, waarmee men de ladder kan bereiken. Om aan dien last te ontkomen, geeft de toerist er veelal de voorkeur aan, zich per spoor naar Pondichéry te begeven, want de kolonie is sinds 1877 aan het groote Engelsch-Indië verbonden en staat door zijlijnen in verbinding met de van Frankrijk afhankelijke gebieden.

Pondichéry is een vrijhaven. Levensmiddelen en koopwaren van allerlei streken afkomstig, mogen over zee binnenkomen en uitgaan, zonder eenige douanerechten te betalen, onverschillig onder welke vlag zij varen. Alleen zout en opium zijn van deze gunstige beschikking uitgesloten, want bij verdragen zijn die voortbrengselen verboden; noch de productie ervan noch de handel erin zijn geoorloofd.

Moet ik de geschiedenis in herinnering brengen? Pottoutchéri of Poultchéri, het “nieuwe dorp”, door menschen van hooge kaste Poudou-nagar of “Nieuw Kasteel” genoemd, is in 1693 gekocht van koning Vidjayanagar door den beroemden commandant Martin, ter vergoeding voor Sint-Thomas, waarvan de Hollanders zich hadden meester gemaakt. Het dorpje van paria’s nam snel toe in grootte en werd het middelpunt van een aanzienlijke handelsbeweging trots de wederwaardigheden van zijn politieke geschiedenis.

Al dadelijk in den aanvang werd het door de Hollanders vermeesterd; maar in 1699 werd het ons teruggegeven. Daarna werd het viermaal door de Engelschen belegerd; admiraal Boscawen werd in 1748 teruggeslagen door Dupleix; in 1760–61 gaf Lally-Tolendal, door hongersnood gedwongen, zich over, na een hardnekkigen tegenstand te hebben geboden, en de vrede van Parijs in 1763 herstelde ons in het bezit van de stad.

In 1778 maakten de Engelschen zich er opnieuw van meester, om de stad in 1785 bij den vrede van Versailles terug te geven en haar daarna voor de derde maal in 1793 te veroveren. Voor goed herkregen wij deze bezitting in 1816–17, met verbod er eenige versterking aan te leggen of er een andere gewapende macht te onderhouden dan de politie.

De stad is in twee deelen verdeeld, de witte stad en de indische stad, door een gracht gescheiden. De eerste, aan de oostzijde en aan zee gelegen, is regelmatig gebouwd; de straten zijn breed en recht, wat ook het geval is met de tweede, die echter over grooter uitgestrektheid zich uitstrekt.

Ik kende Pondichéry, doordien ik er op een vroegere reis een week had doorgebracht, en met waar genoegen zette ik er weer den voet op vasten grond, na mijn aankomst aan die lange pier van slecht ineengevoegde planken. Sinds mijn vorig bezoek was het aanzien der plaats niet veranderd. Ik zie weer het nog al indrukwekkende standbeeld van den grooten Dupleix, dat dichtbij het strand zich verheft, en na eenige honderden meters te zijn voortgegaan, bereik ik het Gouvernementspaleis, waar de tegenwoordige bewoner, dien ik de eer heb te kennen, mij gastvrijheid heeft aangeboden. Ik voel er mij te huis, want in de prettige kamer, die voor mij in orde gebracht is, heb ik ook eenige jaren vroeger gelogeerd.

Het Gouvernementspaleis te Pondichéry is een alleraardigste residentie, en de gouverneur, de heer Lemaire, is er, evenals zijn beminnelijke echtgenoote, veel meer naar zijn zin dan in het sombere huis, dat ze twee jaren geleden op Martinique bewoonden, waar ik ’t genoegen had hun een bezoek te brengen. De ligging en de indeeling van het huis zijn uitstekend; het lange balkon, dat langs de groote ontvangzaal loopt, biedt een verrukkelijk uitzicht over een groote, vierkante ruimte, aan de overzij begrensd door een rij sierlijke en regelmatige gebouwen, en als men er ’s avonds gemakkelijk is gezeten, geniet men met welbehagen dien verrukkelijken geur der tropische landen, die een temperatuur bezitten, door ’t verdwijnen van de zon heerlijk en verkwikkend geworden.

Het klimaat van dit gedeelte van Indië is over ’t geheel gezond. In gewone tijden is de gemiddelde temperatuur 30° C. over dag en 26 ’s nachts. In de maanden December en Januari daalt zij tot 3 à 5° C. over dag, terwijl van Mei tot September de thermometer tusschen 32° en 40° C. staat; dat is de periode van de zeer heete westenwinden, die op onaangename manier de lucht oververhitten. Het droge jaargetijde duurt van het begin van Januari tot omstreeks den 15den October; de rest van het jaar heet dan de winter. In ’t algemeen gesproken, regent het zelden in dit deel van Indië; slechts in November en December komt nog al dikwijls regen voor.

Als men te Pondichéry een zindelijk en goed verzorgd hôtel vond, dat bij een goede keuken voor het moderne comfort zorgde, zou ik niet aarzelen, de stad een zeer aantrekkelijk verblijf te noemen voor de europeesche wintermaanden, wanneer zooveel menschen zich afvragen, in welk hoekje van de wereld men aangenaam verblijven kan in zachte lucht. Ongelukkig ontbreekt dit materiëele gerief; de beide hôtels, die men er vindt, zijn beneden het middelmatige, en als men niet van de gastvrijheid van bloedverwanten of vrienden kan genieten, zal men er niet gauw toe komen, er eenigen tijd te vertoeven.

Het gebrek aan goede hôtels in de koloniën is onbetwistbaar een hinderpaal voor de ontwikkeling van het toerisme. De Engelschen hebben dat goed begrepen; nemen wij als voorbeelden de eilanden van de keten der Antillen en de engelsche bezittingen in Azië. Op Trinidad, Jamaica, Ceylon, in geheel Indië vindt men prachtige hôtels, even comfortabel als ergens in Europa, en wat zien wij op Martinique, Guadeloupe, te Nouméa, op Bourbon? [43] Niets dan bescheiden herbergen! Daaruit volgt, dat geen enkel toerist, die niet door een vriend is uitgenoodigd, er langer blijft dan volstrekt noodig is. De arme stad Saint-Pierre maakte in zekeren zin een uitzondering op den regel; men had er twee nette, goed ingerichte en goed bestuurde hôtels, maar de uitbarsting van den Mont-Pelé heeft ze voor altijd gesloten.

Al wandelend, nu eens door de stad zelve, dan in de omstreken van Pondichéry, is het mij, of ik in een aardig provinciestadje ben of ergens buiten, waar het mooi is. De woningen zijn sierlijk, getuigen van een zekeren welstand en hebben een zindelijk voorkomen, dat in verschillende andere koloniën ontbreekt. De gouverneur is zoo goed geweest, een tweewielig wagentje, pousse-pousse, te mijner beschikking te stellen, dat ik dikwijls in den morgen gebruik, en een victoria, waarmee ik grooter afstanden kan afleggen, ’s Avonds vóór het diner zijn de heer en mevrouw Lemaire zoo vriendelijk, mij per rijtuig in verschillende richtingen den omtrek te laten zien.

Wat die ritjes wel merkwaardig maakt is, dat ik nu eens over fransch dan over engelsch grondgebied voortrol, en in een minimum van tijd dien overgang verscheiden malen maak. Het grondgebied van Pondichéry is door het tractaat van 1816 op de zonderlingste manier verdeeld, toen de kolonie na verscheiden malen in engelsch bezit te zijn overgegaan, voor goed aan Frankrijk kwam. Overal, tot voor de poorten der stad, zijn enclaves van britsch grondgebied in het fransche land uitgesneden, zóó, dat de Engelschen juist die hooge stellingen bezitten, die geschikt zijn voor de plaatsing van batterijen. Hier behoort de weg aan Engeland, terwijl de slooten onder fransche jurisdictie staan; ginds behoort een waterplas tot Madras, terwijl het land, dat er door geïrrigeerd wordt, onder Pondichéry ressorteert. Er is zelfs ergens een stuk gronds, welks eigenaar onbekend is. De Engelschen zijn bekwame politici; bij de sluiting van het tractaat van 1816 hebben zij zich er niet mee tevreden gesteld, aan de fransche regeering de verplichting op te leggen, nergens eenige versterking aan te leggen en geen gewapende macht te onderhouden buiten de politie, maar zij hebben ook het middel gevonden, het terrein zoo te splitsen en in stukken te deelen, dat er hoeken volkomen onverdeeld zijn gebleven.

Wat mij onbegrijpelijk voorkomt is, dat na het dîner de stad geheel uitgestorven is. Men strekt zich gemakkelijk uit op zijn balcon of in zijn tuintje, maar gaat niet uit, en men schijnt er geen prijs op te stellen, op de pier of aan het strand de zuivere versterkende zeelucht te gaan inademen. Het is mij tweemaal gebeurd, dat ik ’s avonds ging wandelen en lange overpeinzingen hield op een bank van de pier; maar ik heb geen enkelen Europeaan ontmoet. Alleen een inboorling heeft mij aangesproken in een taal, die ik niet verstond; waarschijnlijk vroeg hij een aalmoes.

Een dame, die ik den volgenden dag ontmoette en wie ik mijn verbazing te kennen gaf over die wonderlijke afzondering, begreep niet, wat ik voor bekoorlijks vinden kon in die rust van het tropische land en dat gemis aan afleiding. Voor haar was het een leven als in de hel; hoe miste ze haar Parijs! Ik heb later gehoord, dat haar man, die ambtenaar was, verlof had gevraagd, daar zijn vrouw het klimaat niet kon verdragen! Trouwens men zou een merkwaardig boek kunnen schrijven over die quaestie van de verloven in de koloniën, alsook over de verschillende redenen, die de belanghebbenden aanvoeren, om ze te krijgen.

De bevolking van Pondichéry is zachtzinnig, onderdanig en beleefd. Welk een treffend verschil met den onaangenamen neger, dien ik zoo dikwijls heb bestudeerd op de Antillen en elders! Het zijn zelfs sympathieke menschen, als men ze aan ’t werk ziet op het veld, of hen gadeslaat bij hun kleinhandel, rustig loopend zonder geraas te maken. De kinderen kruipen over den grond, scharrelen langs de wegen tusschen de kippen, en zijn talrijk in de struiken als de konijnen in Australië. Ik kan niet laten, hen juweeltjes te noemen, als ik denk aan de europeesche kinderen, die mij de laatste drie maanden het leven vergald hebben op twee booten van de Messageries Maritimes. Die indische kinderen zijn, net als maleische, chineesche en japansche, lief en aardig, schreien nooit, en of er vijf of vijftig onmiddellijk bij u in de buurt zijn, ge bespeurt hun aanwezigheid nauwelijks. Ik zie ze met genoegen aan, die kleine onschadelijke negertjes, naakt als wormen, en die als eenig kleedingstuk een touwtje om de lenden dragen, waaraan in ’t midden een soort van medaillon hangt bij wijze van vijgeblad, meestal uit metaal vervaardigd, koper, zilver of goud, al naar het vermogen der ouders. Wat heb ik hun vaak stuivers en lekkers toegegooid en wat had ik een schik in hun lachende gezichtjes!

Men kan merkwaardige zedenstudies maken in die landen van overzee, waar godsdienst en gebruiken zooveel van de onze verschillen. Verscheiden malen reden wij ’s avonds vóór den eten langs begrafenissen, waarvan de schikking tot vermakelijke verrassingen aanleiding gaf. Eens gingen we voorbij den stoet van een inlandsche vrouw van katholiek geloof. Zij lag in groot toilet, met bloemen en sieraden getooid en met zorg gekapt, op een, door de familie gedragen paradebed. Van een doodkist was geen sprake. Ze gingen haar eenvoudig aan den schoot der aarde toevertrouwen en haar met zand bedekken. Een anderen keer zagen we een mohammedaansche begrafenis, door zang en muziek begeleid.

Het aantal tot den christelijken godsdienst bekeerde Indiërs is nog slechts zeer gering. De groote meerderheid der inboorlingen heeft den eeredienst van het Brahmaïsme bewaard, waar luidruchtige feesten, processies met tamtams en andere muziekinstrumenten, die een helsch lawaai maken, bij behooren. Den dag na mijn aankomst is er een groot feest bij een Brahmaan van aanzien, waar de gouverneur genoodigd is. Op het oogenblik, dat ons rijtuig vóór de woning van den jubilaris stilhoudt, laat zich de Marseillaise hooren, en men voert ons naar de voor ons vrijgehouden zetels. Er wordt op onze knieën een reuzenbouquet gezet, die misschien wel een meter in omtrek is, en men hangt ons een krans van bloemen om den hals, die ons niet weinig prikkelt. De locale kleur, versterkt door de opgewonden uitroepen van [44] de menigte, is typisch; maar de geuren, die uit het publiek opstijgen, laten veel te wenschen over, te meer daar bijna zonder uitzondering allen naakt zijn, op het vereischte bandje of touwtje na. IJs en ijskoude dranken gaan overvloedig rond; de warmte in de beperkte ruimte wordt ondragelijk; het is tijd dat wij ons rijtuig en de open lucht weer bereiken.

Aardige dreumes in gala.

Aardige dreumes in gala.

Er zou tijd en veel geduld noodig zijn, om het verschil te leeren kennen in de gewoonten en wetten en maatschappelijke vormen, geldend voor de onderscheiden kasten van Brahmanen, en die hen in streng afgesloten klassen splitsen. De een zal nooit dit doen, de ander nooit dat; een handwerk, door deze kaste uitgeoefend, mag door een andere kaste niet worden ter hand genomen. De taak voor iedere kaste is zoo nauwkeurig voorgeschreven, dat het bepaald absurd wordt in onze oogen, en het komt mij voor, dat er zelfs voor deze menschen een lange, moeilijke leertijd wordt vereischt, als zij zich niet zullen schuldig maken aan eenige inbreuk op de velerlei voorschriften van hun godsdienst.

Bouw- en beeldhouwkunst hebben het in de gebouwen, die aan den hindoeschen en den brahmaanschen godsdienst zijn gewijd, tot een zeldzame hoogte gebracht. Vele auteurs hebben ze reeds beschreven; maar toch schijnt het ons van belang, erop te wijzen, dat die van Indië door de artistieke zijde van hun architectuur en den rijkdom van hun versiering uitmunten boven vele tempels, die wij in andere landen van Azië hebben kunnen bezoeken. Men vindt wel niet te Pondichéry zulke prachtige tempels als te Tanjore, Trichinopoly en Madura, maar dat neemt niet weg, dat die van Villenour en andere plaatsen in den omtrek een nauwlettend bezoek verdienen.

Ik ben verscheiden malen naar dien van Villenour gegaan, die op eenige kilometers afstands van de residentie is gelegen. Een zeer groote wagen of kar onder een breed afdak, die nu en dan dienst doet bij processies voor den eeredienst, geeft blijk van de bekwaamheid van deze inboorlingen en hun kunstvaardigheid in het handwerk. Die wagen, geheel van hout gemaakt, stelt een gansche boeddhistische geschiedenis voor, door middel van fijne werktuigen gegraveerd in vierkante blokken van dezelfde afmeting en aan elkander sluitend met onberispelijke symmetrie. Het gewicht van het geheel moet verbazend zijn, want op de hooge feestdagen zijn er 1200 à 1500 menschen noodig om het kolossale voertuig te trekken.

De kunstvaardigheid van deze inboorlingen is nog niet verloren gegaan, zooals men geneigd zou zijn te veronderstellen, als men bespeurt dat al die indische tempels tot de oudheid opklimmen, en dat men in onze dagen nooit eens den bouw van een nieuw, even grootsch bouwwerk bijwoont. Ik heb er het bewijs van gezien, toen de gouverneur mij naar een plaats bracht dichtbij Villenour, waar wij een wagen zagen, die bijna af was en met evenveel talent vervaardigd was, als die uit voorbijgegane tijden.

Het ware meesterstuk, dat wij voor oogen hebben, is uit zeer hard hout gesneden en stelt met merkwaardige fijnheid een boeddhistische processie voor, waarvan ons de beteekenis natuurlijk ontgaat, maar die ons met bewondering vervult. Een inlandsch beambte legt ons uit, dat er ten minste 500 menschen zullen noodig zijn, om den wagen te trekken. Hij laat ons het touw zien, dat men zal moeten gebruiken; het is zoo dik als een reuzenslang. Wij waren het niet alleen, die in verrukking raakten over dit mooie werk; een hoop kinderen omringde ons en was vervuld van eerbied. Ik vermoed, dat de heer Piot voldaan zou zijn over een bezoek aan een land, waar zijn leer zooveel aanhangers heeft gevonden.

Wat Pondichéry en de grond, die er bij behoort, aan landbouwvoortbrengselen opleveren, beteekent weinig. De geheele uitvoer heeft slechts een waarde van 27 à 28 millioen francs; katoenen weefsels zijn daarin opgenomen voor een som van bij de 9 millioen en de aardnoten voor 15. Volgens het jaarverslag van 1904 hebben 48 stoombooten van verschillende nationaliteit 581562 zakken aardnoten ingenomen van 75 kilo per zak. De aardnoten worden ook in den vorm van aardnotenkoeken uitgevoerd. Verleden jaar is de uitvoer van dit artikel gestegen tot een totaal bedrag van 4376 ton, hetgeen een waarde vertegenwoordigt van bij de 400,000 francs. Daarna volgen de katoenen [46] weefsels, die in de laatste statistiek voorkomen voor de som van bij de 9 millioen; de rijstsoorten voor 2¼ millioen en de huiden voor 1½ millioen francs. De andere uitvoerartikelen bereiken slechts een onbeduidend cijfer. Er wordt een kleine hoeveelheid vanille uitgevoerd, zooals ook kokosnoten en vruchten. Het verbouwen van aardnoten heeft in den laatsten tijd een groote vlucht genomen en zou nog aanmerkelijk kunnen toenemen. Die handel is voortaan een zaak van gewicht voor Fransch-Indië, daar Pondichéry voor die oliehoudende zaden een groote opslagplaats geworden is, die niet enkel gevoed wordt door de directe voortbrenging in de buurt; reeds beginnen de producten uit de omliggende engelsche bezittingen toe te stroomen, waardoor de handelsbeweging vertienvoudigd wordt.

De landbouwers uit het Zuiden van Indië, vooral uit de provincie Tanjore en uit de omstreken van Trichinopoly maken meestal voor hun verzendingen gebruik van Pondichéry, daar het de beste haven van de kust is, minder dan Madras aan cyclonen blootgesteld. De laatste, waarvan men de herinnering nog heeft behouden, is die van 1863; zeven schepen, die op korten afstand van het strand ten anker lagen, werden verzwolgen bij de groote ramp.

Wat de vanille aangaat, men is er met de cultuur nog pas sinds een dozijn jaren bezig; vrij groote velden zijn ermee beplant in den Kolonialen Tuin, waar de onderdirecteur mij wel de inlichtingen wil geven, die mij belang inboezemen. In het begin had men met groote zorgeloosheid te strijden. De inboorlingen, die bij het kweeken van het kostbare gewas gebruikt worden, moeten voortdurend onder toezicht zijn; in het begin lagen massa’s vanille in kisten te verrotten, alsof er een hoop hooi in lag. De tegenwoordige gouverneur heeft er orde op gesteld, zooals uit de verkregen resultaten blijkt. De vrucht van Pondichéry is dunner dan die uit Mexico en van Réunion, maar de geur der stokjes doet naar mijne meening niet voor de andere onder. De vanille wordt hier voor tien roepijen, dat is 17 francs, per kilo verkocht. Er zijn te Pondichéry kweekers met een ruim geweten, die hun welverzorgden en goed ingepakten oogst naar Bourbon hebben gezonden, om van daar als echte Bourbonvanille naar Europa te worden verscheept.

De geheele bevolking van de fransche nederzettingen in Indië bedroeg op 31 December 1903 het aantal van 273748 inwoners, onder wie slechts 1408 Europeanen, en wel 492 mannen, 546 vrouwen en 370 kinderen. De europeesche bevolking wisselt natuurlijk voortdurend, daar de meesten slechts zeer kort in de kolonie blijven. Dit geldt vooral van de ambtenaren en hun gezinnen, wier chassé-croisé over alle oceanen voldoende bekend is. Het aantal Europeanen of kleurlingen, die er wortel hebben geschoten en behagen vinden in de carrière, welke zij hebben gekozen, of in den handel, waarin zij bezig zijn, is slechts zeer klein. Men kan de vooroordeelen van een volk niet veranderen, zoo min als de begrippen, die gangbaar, zijn in het moederland. Een kolonie is nu eenmaal een oord van ballingschap, en het klimaat moet er noodzakelijk ongezond zijn. En hoeveel menschen, veroordeeld om in het land, dat hen heeft zien geboren worden, te leven in een voortdurenden strijd ter verkrijging van de meest dringende levensbehoeften, zouden zich een veel vrijer en ruimer bestaan kunnen verschaffen, als zij, zoo zij vlijt en volharding bezaten, besloten het routinejuk af te schudden, en iets te ondernemen, ’t zij landbouw of handel, in landen van onbetwistbare vruchtbaarheid, waar men nog zooveel handen kan gebruiken! Voor den groothandel, de banken, industriëele ondernemingen zouden er onmetelijke velden te exploiteeren blijven.

Wij behoeven slechts een afstand van 160 kilometer per spoor af te leggen, om Madras te bereiken, gelegen aan diezelfde kust van Coromandel, en we stappen uit in een groote handelsstad, waar het drukke leven zich in allerlei vormen voordoet, en waar men alles kan genieten, wat een bloeiende europeesche stad aanbiedt. Bombay en Calcutta zijn evenals veel steden van het Uiterste Oosten volkrijke, bloeiende centra, die in niets onderdoen voor de groote steden van onze oude wereld, en zij, die er zich gevestigd hebben in den handel, het bankwezen of de industrie, klagen niet over de zoogenaamde ballingschap. Trouwens in veertien of achttien dagen voeren de trein en de paketboot hen naar den geboortegrond terug voor een kleine vacantie, waartoe gemakkelijk besloten wordt door die inwoners, wier middelen hun de onbeteekenende verplaatsing toestaan.

Als men het leven van den inboorling nagaat met het oog op zijn behoeften en zijn intellectueele ontwikkeling, moet men wel inzien, dat hij veel gelukkiger is dan menig Europeaan of kleurling, die verkeert in wat wij overeengekomen zijn, beter levensomstandigheden te noemen. Wij vinden hem doorgaans vroolijk en tevreden; hij klaagt zelden, leeft op de primitiefste manier, wonend in een krotje of hutje met zijn meestal talrijk gezin, zich dekkend met een strook stof, die hem eenige stuivers heeft gekost, zich op de soberste manier voedend met de producten, die hij dikwijls zelf verbouwt zonder zorg voor den komenden dag. Is zoo’n man uit philosofisch oogpunt niet veel gelukkiger dan de meesten onzer?

Een van mijn grootste genoegens in de koloniën bestaat in een bezoek aan de markt, dien levenden kaleidoscoop, die altijd een verschillend veld van waarnemingen is, al naar de omgeving waarin men zich bevindt. De markten van Indië bieden niet zoo’n weerzinwekkend, kwalijk riekend schouwspel als de markten in negerlanden. De menschen zijn er minder vuil en maken minder leven dan de zwarten van de Antillen of Zuid-Amerika; zij passen met hun bonte doeken bij hun omgeving, die niet zoo carnavalachtig is als ginder. Rood is de meest geliefde kleur; men zou bijna kunnen zeggen de eenige, door mannen en vrouwen gedragen, zoowel wanneer zij zich een groot deel van het lichaam bedekken, als wanneer ze zich tot een eenvoudigen band bepalen, aangebracht naar de wetten der welvoegelijkheid.

De pagode van Villenour van binnen.

De pagode van Villenour van binnen.

Hier ook weer is er geen gebrek aan kinderen; maar de ouders behoeven zich niet om hen te bekommeren, want het talrijk kroost kan het goed vinden met de kippen aan den weg, en verdwaalt niet in de drukke menigte. Wat ik vurig hoop voor de inlandsche [47] bevolking van Pondichéry en zelfs voor heel Indië, is dat men er de invoering van automobielen verbiede, die er zeker spoedig veel kwaad zouden stichten. Ten tijde van mijn verblijf in de kolonie had een parijsch automobielfabrikant zich tot een ambtenaar in Pondichéry gewend, om inlichtingen te erlangen omtrent de mogelijkheid, het moordend instrument er in te voeren. De inboorling heeft de betreurenswaardige gewoonte, altijd op het midden van den weg te loopen, en zelfs als men in een gewoon rijtuig zit, moet men herhaaldelijk roepen, om hem naar den een of den anderen kant van den weg te doen gaan; wat de kinderen betreft, ze loopen voortdurend gevaar, in stukjes te worden gereden. Nergens ter wereld hebben de koetsiers zulk een moeilijke taak bij het mennen van hun paarden. Wat zou er gebeuren, als men op een dag den invoer van die wagens toeliet, die, al zouden ze enkele bevoorrechten gelukkig maken, een moorddadige werking zouden uitoefenen en de bevolking zouden decimeeren! De Europeaan zou, ook al kon bij zich bergen en zijn bestaan verdedigen, oproerige kreten uiten bij het zien van het monster, vooral om den aard van den grond. De bodem in het zuiden van Indië verkruimelt tot een rood poeder, dat bij het geringste zuchtje van den wind in wolken opvliegt. Nu reeds in onze europeesche landen het stof, door dit middel van vervoer opgejaagd, vrij gerechtvaardigde klachten doet rijzen, zou men te Pondichéry ware wanhoopskreten slaken. Hoe dikwijls is het mij gebeurd, dat ik na een wandeling van een paar uur moest constateeren, dat mijn wit costuum een saffraan kleurige tint had gekregen!

De heer Delale, hoofd van het openbaar onderwijs, is zoo welwillend, mij tot gids te strekken bij het bezoek, dat ik mij voorgesteld had te brengen aan de voornaamste scholen van de stad. De quaestie van het onderwijs, dat in de koloniën aan de inlandsche bevolking wordt gegeven, heeft mij altijd veel belang ingeboezemd en leidde mij tot merkwaardige vergelijkingen. Er zijn koloniën, waar het oprechten lof verdient, en andere, waar het, eerlijk gezegd, bedroevend is, waar het op niets, op geen onderwijs neerkomt. Te Pondichéry, waar verscheiden scholen zijn, heb ik aan vijf een bezoek gebracht. Het onderwijs staat onder het toezicht van een zeer intelligenten leider, die uitstekend samenwerkt met den gouverneur. Wat mij het meest heeft getroffen, is de practische manier, waarop de onderwijzers in de jeugdige hersens de dingen doen doordringen, die hun onderwezen moeten worden, niet door het domme systeem van machinaal de kinderen zinnen te laten herhalen, die ze niet begrijpen, maar door het kraantje van hun intelligentie te openen door verklaringen, die ze kunnen vatten, en die ze daarom niet vergeten. In die verschillende scholen ga ik door alle klassen heen en vraag verlof, die kinderen te mogen ondervragen, die toeval of intuïtie mij doen kiezen, daar ik altijd de keus van een onderwijzer een beetje wantrouw in de gevallen, dat de school aan een bezoeker moet worden vertoond. Het is mij aangenaam te kunnen zeggen, tot eer van den heer Delale, dat het bezoek aan die inrichtingen te Pondichéry zeer goede herinneringen bij mij heeft achtergelaten, en dat het te wenschen ware, dat men in enkele andere koloniën zijn goede methode volgde en tevens het aanhoudende toezicht, dat hij uitoefent in het hem toevertrouwde departement.

In de laatste school, die ik bezocht, en die alleen voor jonge meisjes bestemd is, woonde ik verschillende naailessen bij, waar het werk op zeer lofwaardige wijze werd gedaan. Ik ben verbaasd over de gemakkelijkheid, waarmee die meisjes in goed Fransch antwoorden op de vragen, die ik tot haar richt. In Engelsch-Indië had ik in twee scholen kunnen opmerken, dat de kinderen zich bijna alleen in hun moedertaal konden uitdrukken, doorspekt met enkele engelsche woorden, verhaspeld op een wijze, die ze onbegrijpelijk maakte.

Ach, indien het mogelijk was, al die kinderen in hun vroegste jeugd te doen begrijpen, dat er een studie is, waar de hersens door in de war raken en die de rust des levens verwoest, zou dat een weldaad zijn voor de kolonie! Ik heb het oog op de politiek, die dit arme land verwoest, de ontwikkeling tegenhoudt en op betreurenswaardige wijze de europeesche bevolking verdeelt.

Ik wil liever niet stilstaan bij de pijnlijke zijden van de politiek, waar zij tot minder fraaie resultaten leidt en vooral vroeger geleid heeft.... Buitendien, niet enkel in Indië houdt men zich op met verkiezingspraktijken die afkeurenswaardig en verderfelijk zijn. Er zijn in Frankrijk ook steden bekend, waar de kiezers zich tot voorbeeld schijnen te stellen wat er plaats grijpt om en bij de stembussen van de hoofdstad onzer indische bezittingen....

De grappige kant van de zaak is de terugslag der politieke meeningen op de onderlinge betrekkingen van de Europeanen, die te Pondichéry gevestigd zijn. Ik heb daar merkwaardige herinneringen aan behouden, en ik kan geen weerstand bieden aan den lust er enkele van mee te deelen.

Een ambtenaar, pas ontscheept in de kolonie, brengt een bezoek aan den heer A, maar kan, daar hij den volgenden dag ongesteld wordt, niet naar den heer B gaan.... Hij wordt dadelijk door dien laatste beschouwd als te behooren tot een hem vijandelijke clan en op zij geschoven; men vertrouwt hem niet. Een ander ambtenaar, die op dezelfden dag gezien is geworden in gesprek met twee menschen van tegengestelde politieke overtuiging, wordt door beide voor een halve gehouden, een middenman, dien men goed zal doen te mijden.

Aan de zijde der dames werkt de jaloezie met de allernietigste argumenten, de ongerijmdste voorwendsels, waarbij dan een gebabbel komt, zoo als men zich bijna niet kan voorstellen. Een dame uit Pondichéry heeft mij verteld, dat men vond dat zij haar rang niet voldoende kon ophouden, omdat zij in plaats van een pousse-pousse te nemen (kosten 20 centimes) te voet een boodschap was gaan doen op 100 M. afstands. Het schijnt wel, dat een vrouw die zichzelve respecteert, in dat land in ’t geheel niet mag loopen!

Een tocht naar Karikal en naar Mahé, die betrekkelijk niet ver van Pondichéry liggen, lachte mij niet toe. Daarentegen heb ik, toen ik eenigen tijd vóór mijn bezoek aan Zuid-Indië in Calcutta vertoefde, [48] een uitstapje gemaakt naar Chandernagor, slechts op een uur afstands per spoor verwijderd van de hoofdstad der engelsche bezittingen. Chandernagor, gebouwd op den rechteroever van de Hoogly aan een schilderachtige baai, herinnert aan de schoonste tijden van de fransche heerschappij in Indië. De stad heeft gedurende de geheele eerste helft der 18de eeuw de schepen bij honderden aan haar kaden ten anker zien komen; daar zetelde de gansche handel van Bengalen. Zij heeft haar voorspoed zien verdwijnen door de opkomst en de groote ontwikkeling van Calcutta. Maar nog is het een stad, die indruk maakt, een aardige plaats met breede, rechte straten en sierlijke huizen. Verscheiden ruïnen van paleizen en tempels getuigen van den vroegeren luister. Het grondgebied is niet zeer groot, namelijk 6 K.M. over de grootste lengte bij een breedte van 2 K.M., een oppervlakte van 1000 H.A. Het klimaat is er, dank zij den meren en bosschen om de stad, koeler dan in de omringende deelen des lands, maar de temperatuur is er veel veranderlijker en veel koeler dan te Pondichéry, ofschoon men in Mei zeer dikwijls een warmte heeft van 40 tot 45° C.

Indische schoone in feestgewaad.

Indische schoone in feestgewaad.

Er wordt, eigenlijk gezegd, te Chandernagor niets verbouwd, daar de beschikbare grond zoo beperkt is, dat men geen ernstige pogingen kan beginnen; maar de politiek is er wel doorgedrongen, evenals te Pondichéry, en zij vormt het hoofdonderwerp van alle gesprekken.

Ik bracht er twee heerlijke dagen door bij den vriendelijken administrateur, den heer Bertrand en zijn lieve vrouw, en ik genoot van de heerlijke wandelingen aan den oever der rivier in de zuivere, opwekkende lucht.

Er bestaat verschil van meening over de duurzaamheid van het engelsch bestuur in Indië. Naar alle waarschijnlijkheid hebben de Engelschen er geen wortel gevat. Een volksuitdrukking zegt: “De Engelschman en de Hindoe gaan samen als olie en water”, dat wil zeggen, dat ze in ’t geheel niet samengaan. De Hindoes verwijten den Engelschen, dat zij hen opeten, zooals de rupsen bladeren vernielen en zoo den boomen het sap ontstelen. Maar de Engelschen maken zich ook geen illusies omtrent de gevoelens, die zij den Hindoes inboezemen. “De intelligentste inboorlingen”, schrijft een engelsch reiziger, “erkennen de weldaden van ons bestuur; maar de massa wil liever slecht geregeerd worden door haar eigen hoofden dan goed door ons”.

Het schijnt, dat de fransche invloed dieper doorgewerkt heeft op de te weinig talrijke stammen, door oude verdragen onder ons bestuur gelaten. Ik kan de verzoeking niet weerstaan, enkele regels aan te halen, die door Pierre Loti in zijn Propos d’exil gewijd zijn aan de boeren uit den omtrek van Mahé (en die toegepast zouden kunnen worden op alle Hindoes, die fransch grondgebied bewonen), omdat zij uitstekend de gevoelens weergeven, die de inboorling te onzen opzichte koestert: “Zij zeggen in het Fransch bonjour, als de boeren bij ons en schijnen er trotsch op te zijn, bij ons te zijn gebleven; men ziet, dat ze lust hebben te blijven staan en een praatje te maken. Diegenen, die onze taal een weinig kennen, glimlachen en beginnen een gesprek, altijd pratend van: ‘Onze matrozen ... onze soldaten.’ Ja, men is hier toch wel in Frankrijk.” En ik moet denken aan een geval voor de rechtbank te Saigon, waar een van die Indiërs, beschuldigd van ik weet niet welke euveldaad, aan een magistraat uit Corsica, die hem als wilde toesprak, ten antwoord gaf: “Wij waren al Franschen tweehonderd jaar vroeger dan gij.”

Bij de ruïnen van Angkor

Naar het Fransch van den Vicomte De Miramon-Fargues
met photografieën van mevrouw de M.-F.

Van Saigon naar Pnom-penh en naar Compong-Cjuang.—Roeitocht op het Groote Meer.—Karren uit Cambodja.—Siem-Reap.—De tempel van Angkor.—Angkor-Tom.—Verval der khmersche beschaving.—Ontmoeting met den tweeden koning van Cambodja.—Oedong-de-Verhevene, hoofdstad van Norodom’s vader.—Het paleis van Norodom te Pnom-penh.—Waarom Frankrijk niet aan Siam het grondgebied van Angkor kon overlaten.

De drie torens van den tempel van Angkor-Wat.

De drie torens van den tempel van Angkor-Wat.

Tegen het einde van Januari 1903 gingen mevrouw de Miramon-Fargues en ik te Pnom-penh, de hoofdstad van Cambodja aan wal, in gezelschap van twee commissarissen van de tentoonstelling van Hanoï, de heeren Bonaparte-Wyse en den heer Rouget. Een stoomboot van de Messageries fluviales, die de Mekong in vier-en-twintig uur was opgevaren, had ons van Saigon erheen gebracht. Maar wij kwamen veertien dagen te laat aan; in dezen tijd van het jaar ledigt zich het reuzenbekken van de Tonlé-Sap, een echte binnenzee, en vloeit af naar de monding der rivier.

Het lage water maakt, dat de sloepen er niet kunnen binnenvaren, en onze tocht naar Angkor zou onmogelijk zijn geweest, als de resident-generaal niet de goedheid had gehad, een platboom-vaartuig te onzer beschikking te stellen, waarop in het midden een hut was aangebracht en dat in ’t geheel 12 M. lang en 2½ M. breed was. Zoo konden wij worden opgesleept tot Compong-Cjuang. Maar van dat punt af moesten wij gedurende twee dagen en drie nachten onze reis al roeiend voortzetten met niets voor oogen dan de eentonige vlakte van het meer. Onze drijvende woning was eigenlijk niet groot genoeg, om de zes-en-twintig bedienden en roeiers te bevatten, die rondom ons heen wriemelden, Cambodjanen, Chineezen, Siameezen, Annamieten, die vier verscheidenheden van huidskleur vertegenwoordigden, [66] buiten onze eigene, ’s Avonds werd er geen lamp aangestoken, om geen nachtvlinders en muskieten te lokken, maar om den tijd te dooden, vergastte ieder de omgeving met een liedje uit zijn vaderland, en daar de Têtfeesten nabij waren in de op den oever verspreide dorpen, beantwoordde de tam-tam het gezang, dat veel van een cacophonie had.

Eindelijk deed zich op een morgen de rivier Siem-Reap voor, en een zucht van voldoening ontsnapte ons, want die naam riep de koelte van de bosschen voor ons op en de wonderen van den tropischen plantengroei.

Maar bij aankomst wachtte ons een teleurstelling. De ossenkarren, die de mandarijn voor ons had gezonden, hadden pas de oevers der rivier verlaten, of reeds waren wij in een woestijnachtige streek gekomen. Wij reden langs lage, leelijk gevormde dwergboomen, vuil nog en bespat van het nu gezakte water; vervolgens geeft zelfs dat mager boom- en struikgewas het op en maakt plaats voor droog gras, en kort daarop is de grond, door de zon tot stof verpoeierd, bijna geheel kaal, met slechts hier en daar wat toefjes rijst, pas geplant en reeds overstoven met het fijne zand van den bodem, hetwelk reeds opstuift, als er maar een vogel overheen vliegt. Onze optocht bestaat uit tien zeer primitieve karren van planken en bamboelatten op een onderstel geplaatst zonder zijwanden. Alleen onze zucht tot zelfbehoud maakt, dat wij niet bij ieder stootje van het voertuig eraf rollen. Gelukkig heeft de weekelijke beschaving van ons Westerlingen een remedie voor de kwaal meegebracht in den vorm van een matras, die op het voorhistorisch voertuig werdt gelegd en die de ruwe schokken een weinig tempert.

Samengehurkt op onze matrassen als op een bed van heete asch, altijd maar pogingen doende, om geheel en al weg te kruipen onder onze zonneschermen, zien wij nu en dan eens even vaag de trotsche koepels van eenige khmersche ruïnen, die op den top staan van een brandend heeten heuvel of onduidelijk afsteken tegen de vlakte. De verschijning van die grootsche monumenten te midden der armzalige natuur werkt bemoedigend, maar toch is het tegelijkertijd een bedroevende aanblik. Welke adem is er over dezen bodem gestreken en over al die vroegere grootheid? En wie is van dit diepe verval, waarvan de aanblik ons in de ziel grijpt, de oorzaak geweest, wie gaf er den eersten stoot toe, de mensch of de natuur?

Eindelijk vinden wij de boorden der rivier terug, en als met een tooverslag is alles veranderd. Tusschen kokos- en arecapalmen, bananen en de verdere sappig groene massa van den exotischen plantengroei, staan op een rij de hutten van een eindeloos dorp. Op palen gebouwd, van bamboes en van stroo, zien ze er armoedig, maar toch wel zindelijk uit. Groote bruine menschen wonen in die lage verblijven met hun vrouwen, die regelmatige trekken hebben en hard, borstelig haar; met waardige gratie dragen al die personen doeken en gordels van verschillende kleuren. In de bedding der rivier draaien wielen met lichte schoepen, door den stroom in beweging gebracht, en voeren het water naar de woningen aan den oever door lange bamboekokers. Rondom de hutten speelden kinderen met groote buffels, wier horens, die zoo vaak gevaarlijk zijn voor Europeanen, in ’t minst geen booze bedoelingen schenen te hebben ten opzichte van het vuile kindertroepje.

Daar zijn we bij de “sala”, de herberg, die vriendelijk ter beschikking van de reizigers gesteld is; ’t is een blauw geverfde stellage van planken, en met haar estrade lijkt ze veel op het tooneeltje van een café-concert. Daarnaast woont de gouverneur, een stroohut, die zich enkel door haar grootte van de andere onderscheidt.

Dit groote dorp heet Siem-reap, provinciale hoofdstad; dus eerbied als ’t u blieft!

Wij wandelen nog een heelen tijd langs de hutten en de tuinen, waar alle arbeid aan de natuur blijft overgelaten en waar dit eenvoudig volkje de bevrediging van al zijn behoeften vindt. Dan treden wij een bosch binnen met dicht struikgewas, waarboven zich reuzenboomen verheffen, echte boomen uit het oerwoud.

En terwijl wij daar gaan en, boven ons, de apen zwaar door de boomen hooren springen, terwijl luid schreeuwende vogels aan ’t gillen zijn, en om ons heen de hanen en de wilde pauwen opvliegen, zien wij stil en bedaard die gebronsde mannen en vrouwen langs ons gaan, zoo flink en goed gebouwd en met iets zoo rustigs in den blik.

Zorgeloos volkje, door geen onvervulbare behoeften gehinderd! Gelukkig volk, dat geen geschiedenis heeft!

Het bosch, dat plotseling afgebroken wordt door een open ruimte, wijkt, als het ware, terug om een onmetelijken cirkel te omsluiten, waar als zuilen de stammen der reuzenboomen omheen staan. Toen aanschouwden wij in het te felle licht van die te wijde vlakte zwarte massa’s van onbekende, onbepaalde vormen, die tot in verre verte reeksen vormden of hier en daar zonderlinge punten omhoog staken. Een lange lijn van gevels loopt ongeordend langs den voet van drie hooge torens en wijkt in de verte, zooals groote schepen doen, die achter de gebogen lijn der zee het eerst hun masten vertoonen. Men voelt iets van teleurstelling opkomen, maar men herinnert zich dan al spoedig, dat juist de reuzenafmetingen van deze monumenten hen, om zoo te zeggen, neerdrukken door hun eigen onmetelijkheid.

Onze karren bestijgen een terras, beschermd door twee monsterdieren, die leeuwen voorstellen. Een steenen pad loopt voort tot dichtbij de vijvers, bedekt met lotusbloemen, en dan verder naar een wijde, omsloten ruimte, waar lange gangen doorloopen tusschen hooge, vierkante zalen. Door een eerepoort traden wij binnen en waren aldus in het heiligdom aangekomen. Vóór ons, maar nog op grooten afstand en over de toppen der kokospalmen heen, verhief zich de tempel van Angkor met zijn formidabele massa, waarboven drie koepels verrezen, die wij perspectivisch alle drie in één rij zagen.

De met groote platte steenen geplaveide weg voert erheen, streng, rechtlijnig en statig, en aan den kant staan twee kleine tempels, twee artistieke gebouwtjes, met hun voeten weggedoken in de modder van de plassen. Ginder, in de verte, heel aan het eind van den langen weg, ziet men verschillende [67] achter elkaâr gelegen portieken, en reeksen van stoepen en trappen leiden naar den centralen koepel, waarheen de aandacht wordt getrokken door middel van al die andere monumenten, deel uitmakend van het reusachtige plan.

Zoo is de pelgrim, gekomen uit het diepste van de bosschen, die de vlakte omzoomen, niet verlegen welken weg te kiezen. Te midden van de vele heiligdommen en ondanks de drievoudige omheining weet hij door de donkere gangen over de zonnige pleinen en tusschen de velerlei kloosters den weg te vinden; hij wordt, als ’t ware, meegetroond door de geheimzinnige eenheid dezer plaats, door een macht, die hem van godsdienstigen eerbied vervult en niets anders is dan de suggestie van de rechte lijn.

Wij zagen gevels, die zoo ver ons oog reikte, de een op den ander volgden; sierlijke portieken waakten twee aan twee op de hoeken dier gevels en verbraken er de eentonigheid van naar het midden; er waren zuilengalerijen, waar een overvloed van ornamenten als een levend klimop zich om de pilaren slingerde en waartusschen door in breede stroomen het licht naar binnen viel. Dat maakte het mogelijk op de wanden van de galerijen de bas-reliëfs te onderscheiden, waarin de geschiedenis te lezen was van ’t volk, dat deze monumenten bouwde, en verder volgden donkere zalen en lichte gangen, boogvormige en vlakke zolderingen, geheimzinnige hoekjes, waar de een of andere misvormde Boeddha troonde onder de bescherming van veel vleermuizen. En elders zag men vijvers, door galerijen omgeven; vierkante pilaren, in strenge rijen geschaard, om zolderingen en daken te dragen, of tot sieraad in hoeken aangebracht; afgesloten binnenplaatsen met kloosterramen en open pleinen, die als tuinen waren en waar, als bloemen op een bloembed, sierlijke, kleine tempeltjes stonden, om door hun fijn en fraai voorkomen de verpletterende schoonheid van het grootste heiligdom te temperen. Overal vielen in deze wonderlijke wereld van monumenten ingestorte gebouwen en deelen van bouwwerken in het oog, zooals zij daar half uitgewischt beeldhouwwerk droegen en met den aanslag van de eeuwen waren overdekt.

Hoe zal men al die wonderen met voldoenden eerbied bespreken? Is het niet, alsof men heiligschennis begaat, als men door de beschrijving der détails de bewonderenswaardige eenheid van dit meesterwerk verduistert? Die eenheid dringt zich op aan ons oog en staat levendig voor onze verbeelding al den tijd van het bezoek aan de monumenten; zij zal de hoofdindruk blijven, dien wij van hier meenemen, een diepen indruk van een werk uit één stuk, dat boeit door de grootschheid der proporties en daarna pas bekoort door de bevallige schikking van de versierselen, terwijl een grootsch genie niet enkel de hoofdlijnen trok, maar tevens de aantrekkelijke détails bepaalde en schikte.

Twee vierkanten bevatten boven elkander aangelegde terrassen, wier zuilen en kapiteelen in harmonieuse lijnen rijzen en overal met bas-reliëfs bedekt zijn. Het grootste en eerste van die beide vierkante pleinen heeft een omtrek van twee kilometer; er loopt een lange kruisgang langs, waarvan de zuilen aan den buitenkant, gekeerd naar het bosch en de tuinen, een interessante historische galerij vormen. Het tweede, dat er strenger uitziet, herbergt onder de gewelven van zijn gangen en zalen, vol angstwekkende schaduwen, een massa steenen godheden, het Pantheon uit den vervaltijd. In ’t midden van het tweede terras ziet men met verbazing een berg van gebeeldhouwde steenen, prachtig fijn bewerkt. Op dat reusachtig voetstuk staat de eigenlijke tempel.

In de hoeken verrijzen vier koepels, schitterende schildwachten, die den centralen koepel, den reus, het opperheilige, bewaken. Het zijn pyramiden met vele trappen, waarvan de omtrekken en de scherpe lijnen alle aan het oog onttrokken worden door een overvloed van ornamenten. Zij dragen op den top een vreemde bekroning, op een tiara gelijkend, een der oude tiaren uit den tijd der Middeleeuwen, waar wonderlijk gevormde steenen in bevestigd zijn en ruw gegraveerde cameeën. De gidsen geven er den naam van prea-sat aan, maar ik vrees, dat ik, door dien barbaarschen term te gebruiken, met een uitstalling van geleerdheid den diepen indruk van kunst en genie zal schaden, dien nog in mij wekt de herinnering aan het wonderwerk.

Men moet zich met behulp van handen en voeten opwerken tegen den heiligen berg, zoo steil en lastig is de beklimming langs ongelijke trappen met smalle treden, die bijna niet naar voren komen. De majesteit van het heiligdom wordt door dien moeilijken tocht verhoogd, en men krijgt meer eerbied voor wat men met zoo groote moeite moet bereiken. Boven krijgt men weer gewelven te zien en kapellen en kloostergangen, alle uitkomend bij den centralen koepel, het geheimzinnige middelpunt, dat boven het geheel zijn hoofd, met diamanten getooid, opsteekt. Daar zijn, naar men zegt, de heilige voorwerpen opgeborgen en de documenten, die de annalen bevatten van een ras, dat tot den sagentijd opklimt. Noch deuren, noch trappen stellen in staat, ook maar het minste of geringste van die geheimzinnigheden te doorgronden. Maar aan de vier hoeken en in het midden der gevels laten groote portieken stroomen licht binnenvallen, naar ’t schijnt om van alle punten van den horizon de eerbewijzen der natuur en der menschen in ontvangst te nemen.

Gezeten op de treden van een dezer portieken, met de voeten op een kroonlijst met afgebrokkelde beeldjes, zien wij de zon ondergaan achter het gebladerte van het bosch. Onder ons worden pleinen en gangen langzamerhand in duisternis gehuld, terwijl op de hoogte, waar wij ons bevinden, de laatste zonnestralen nog het heiligdom treffen. Eén voor één verdwijnen de zuilen, de kapiteelen en de bas-reliëfs, die men overal herhaald vindt, met de rijen, eindeloos lang, van heilige bayadères. Spoedig kunnen wij nauwelijks meer de daken onderscheiden met de zware, lange, afgeronde steenen, die rij aan rij zich uitstrekken met de eentonige regelmaat der voren in onze akkers. Eenzaam verschijnt soms nog, oplichtend, het gele kleed van een bonze, die bij zijn ronde langs een muur strijkt.

Toen kwam ’t ons voor, dat al die dingen, die wij nu zoo dicht vóór ons zien, en die zoo oneindig ver van ons oude Europa zijn, iets bekends hadden. Op het oogenblik, toen het plotseling invallenden [68] duisternis, dat eigen is aan oostersche landen, waar men de bekoorlijke schemeruurtjes niet kent, ze aan ons oog geheel onttrekt, wekken hun verwarde vormen in ons een wereld van onverwachte herinneringen.

De architectuur van deze monumenten is niet geheel nieuw voor ons. In streken, die minder ver van Europa verwijderd zijn, Babylon en Niniveh, vindt men diezelfde terrassen met bouwwerken er omheen, die breede wegen, met platte steenen geplaveid, en de assyrische muren vertoonen een dergelijke overvloed van bas-reliëfs.

Wat zijn het voor majestueuse figuren, die er zoo priesterlijk uitzien en aangebracht zijn op den voorgevel van een paleis of den rand van een toren? Egypte heeft daar zijn stempel op gedrukt. En die verrukkelijke tempeltjes met hun portieken en hun zuilen van zoo zuiveren stijl, waarin de harmonie der lijnen zoo goed past bij de soberheid der versieringen, moet men daarvan niet in het klassieke Griekenland de prototypen zoeken of misschien, wie weet het, de navolgingen?

Een breede steenen weg leidt naar den tempel.

Een breede steenen weg leidt naar den tempel.

Wat zijn er een dingen hier, die ons vertrouwd en bekend lijken! Wij herkennen de kleine klosvormige zuiltjes, die het traliewerk der vensters vormen, omdat wij ze reeds ontmoet hebben in oude huizen uit Bretagne.

Alles in één woord wijst op een van elders gekomen ras, dat zijn inspiratie heeft moeten halen van de wieg der wereld zelve, die grenzen van Europa en Azië, waar de oudste beschavingen geboren werden.

Niet ver van den tempel in het bosch ligt de koninklijke stad Angkor-tom begraven, welker reuzenomtrek 4 K.M. lang was aan elke zijde van het vierkant. Wij lieten den volgenden morgen onze karretjes weer aanspannen, om ons erheen te laten brengen. Helaas, indien de godheid al den tempel, haar gewijd, in stand heeft kunnen houden, zij heeft het niet kunnen of willen doen met de paleizen der menschen, en te midden van onontwarbaar struikgewas moet men er nu de ruïnen van zoeken. Plotseling staken de wielen der kar den arbeid in den zandigen grond; een schok schrikt den toerist op uit zijn mijmeringen bij het zien der apen, spelend in de hooge boomen. We gaan met de kleine ossen dapper een steenen trap beklimmen en rijden onder een eereboog door, van waar een impassibel steenen beeld ons schijnt te bewaken. Door het gebladerte kan men nog een lange reeks van zwarte muren onderscheiden, die in het struikgewas voortloopen; maar als op enkele plaatsen de boschjes minder dicht worden, ziet men opeens met verbazing, dat de muur, die als omheining diende, gebeeldhouwd is als een bas-reliëf in een tempel.

Op den rand van een open terreintje zien wij een heuvel, dicht met planten begroeid, reuzenboomen steken er hun kruinen in de hoogte, en te midden van hen rijzen donkere, statige steenmassa’s, die hun een plaats in de zon schijnen te betwisten. De heuvel zelf blijkt een monument van khmersche kunst, een tempel, een paleis of een graf, en op de forsche gewelven is als op vasten, effen bodem het levend bosch gegroeid. De pleinen, portieken en sierlijke zuilenrijen, de terrassen en trappen, steil als ladders, het labyrinth van zalen, de ingestorte verdiepingen, alles is overweldigd door dien plantengroei, die zelf zijn voetstuk weer vernielt.

Boven een drievoudige verdieping van gewelven loopt men over een vlakte, bedekt met enorme stukken puin, deelen van zuilen en reuzensteenen. Overal verrijzen koepels boven de ruïnen als onwrikbare bewakers. Veelal zijn het vier reuzenhoofden, onder een zelfde hoofddeksel gevangen, en niets heeft van die priesterlijke aangezichten de uitdrukking van hooge kalmte kunnen wegnemen, noch het nadeel, dat de boomen eraan hebben toegebracht, die in de spleten van ’t gesteente groeien en hun statige coiffure in een woeste pruik veranderen, noch het oneerbiedig spel der apen, die hun over het hoofd wandelen en geen eerbied toonen voor het gelaat.

Te midden der geheimenissen van het woud, bij al die ruïnen, waar tijgers soms hun jongen komen verbergen, onder de oogen van de steenen figuren, in hun eeuwigen droom verzonken, gaat onze verbeelding aan het werk, tracht het verleden op te roepen, en onder al die doode dingen treedt het leven naar voren, als een laatste vonk uit het beeldhouwwerk, waarmee de losse steenen versierd en als ten leven gewekt zijn. Zie, daar zijn koningen te herkennen, monarchen in triomf gezeten op hun zegewagens, door met goud gestikte dekkleeden versierde paarden voortgetrokken; een stoet van priesters en hovelingen vergezelt hen. Dan volgt het leger der krijgers, dat der slaven en, den optocht sluitend, de wonderlange stoet van olifanten.

Op den eindeloozen weg tusschen het paleis en den tempel van Angkor-Wat vertoont zich zulk een reuzenprocessie; maar zij leeft niet meer; zelfs de [69] legenden erover zijn verdwenen uit de herinnering van het volk, dat zijn eigen roemrijke geschiedenis niet meer kent, nu het verwoestingswerk van den tijd, door plunderingen geholpen, er een eind aan heeft gemaakt.

Het groote kloosterplein.

Het groote kloosterplein.

De hutten, waar de bonzen of priesters rondom den tempel wonen, vormen met de monumenten een aangrijpende tegenstelling. Het dorp is niets dan een verzameling stroohutten. Wij logeerden onder een groot afdak, in een aan alle kanten open ruimte. De vloer rustte op hooge palen en bestond uit een open vlechtwerk van bamboes, terwijl de bamboeladder toegang gaf tot dit hôtel. ’s Nachts, toen wij ons op onze matrassen telkens omkeerden, gekweld door ontzagwekkende droomen, klonken overal om ons heen de neusklanken van ’t psalmgezang der bonzen, die een soort van litanie aanhieven. Dat duurde lang en begon al vroeg weer in den morgen als antwoord op het gekraai der ontwakende hanen. En gedurende de enkele uren van rust, ons gelaten door die vrome zangen, waren er allerlei vreemde geluiden, wel geschikt om den reiziger te verschrikken, die daar in de open lucht ligt in het land van schorpioenen en slangen. Het waren onze ossen, die onder ons afdak vastgemaakt waren en die telkens bewogen of kauwden of zich zacht de lenden wreven.

Toch is dit volk, dat in hutjes van hout en stroo woont en dat meer gelijkt op een primitief volk dan op een, dat gedegenereerd is, wel stellig het nakroost van de groote bouwmeesters van Angkor. Zij zijn forsch en groot, hebben sterk geaccentueerde trekken, die op de onze gelijken, wijd geopende oogen, ’t geen alles erop wijst, dat ze van verre zijn gekomen. Stellig zijn deze menschen van hetzelfde ras als de Indiërs, die op datzelfde tijdstip, dat tot den fabeltijd schijnt op te klimmen, dezelfde reusachtige bouwwerken aanlegden. Zij kunnen elkander niet negeeren, want zij zijn nog tegenwoordig broeders door hun gelaatstrekken, zooals zij het vroeger waren door hun genie. Maar hoe dan dat totaal verval te verklaren, achteruitgang, die geen hoop laat en geen spijt? Helaas, dat zulk een verschijnsel niet tot de zeldzaamheden behoort!

Hebben de fellahs niet de pyramiden gebouwd? Hebben wij niet aan de Singhaleezen de kolossale werken van Anuradhapura te danken op het eiland Ceylon? Die onderworpen volken arbeidden voor hun meester en door de kracht van hun millioenen armen stelden zij hem in staat, de wonderen tot stand te brengen, waaraan hun intellect geen deel had. Zij waren menschelijke machines en werden voortgedreven door een klein aantal begaafden onder hen, en ze keerden terug tot den eenvoud der natuur, zoodra die aristocratie van gezag en genie uit hun midden verdween.

Op den morgen van den vierden dag waren wij vroeg bij de hand, om voor de laatste maal een bezoek aan den tempel te brengen, eer wij naar onze [70] jonk terugkeerden. De zon ging op achter het heiligdom. De koepels straalden boven onze hoofden en de kolossus verscheen in een krans van rooden morgengloed. Om ons heen was alles nog in schaduw gehuld; de hutten, de ossenkarren, onze cambodja’sche gidsen, de troep bonzen, die waren komen aanloopen om van de uitdeeling van gekleurde potlooden te profiteeren. Wij meenden een beeld te zien van het verleden van dit volk. Een verheven licht is op één punt des tijds boven deze streken opgegaan en heeft voor een oogenblik de bewoners uit de schaduw naar voren gebracht, om hen te doen deelen in zijn luister, zooals de slaven deelden in ’t geluk van den meester. Dat licht was slechts de weerschijn eener vreemde beschaving, en zoo lang de souvereinen van Angkor in gemeenschap bleven met de wieg van hun geslacht, gaven zij hun genie nieuwe kracht door het voorbeeld van een kunst, die langen tijd over de oude wereld heeft gestraald. Van daar haalden zij hun bouwmeesters en schilders en beeldhouwers. Maar op een dag werd de gemeenschap verbroken door noodlottige oorlogen en mogelijk ook door het terugwijken van de zee, want het is boven allen twijfel verheven, dat in dat ver verleden de Tonlé-sap een volkomen toegankelijke golf was. Toen het bloed niet meer van het hart toestroomde, gingen de leden kwijnen, en de koningen, in het nauw gebracht door de invallen der noordelijker wonende volken, verloren macht en aanzien. Zij verloren die zoo geheel, dat zij voor altijd de plaats van hun glorie uit het oog verloren, en dat op dit oogenblik een met hen wedijverend volk het land in bezit heeft. Siam bezit namelijk deze ruïnen, en het doet weinig of niets voor het onderhoud. Toen wij door Siem-reap reisden, kwam een siameesche gouverneur onze paspoorten opvragen en noteerde onze namen, om ze naar Bangkok te zenden.

Na een laatsten blik op den kolossus van Angkor-Wat, een blik, die het geheel niet kon omvatten, begaven wij ons naar beneden naar onze boot. Sedert vier dagen wachtten onze roeiers daar op ons, getrouw op hun post. De koelies belastten zich met matrassen en proviand, met de bagage en de toeristen zelven, en in minder dan een half uur was alles aan boord. Vooruit nu maar!

Twee dagen daarna, tegen den avond, zijn wij bij Compong-Chuang. Jonken, gelijk aan de onze, maar mooier versierd, wiegelen op de golven bij de aanlegplaats. Het zijn de equipages van den tweeden koning van Cambodja, die den resident een bezoek is komen brengen. Het gevolg van den monarch in partibus bestaat uit de vrouwen en de dames van het ballet. De prinsessen dragen het lange kleed van siameesche mode, de danseressen alleen een gordel als in Cambodja. Wij worden aan Zijne Majesteit, broeder van koning Norodom, voorgesteld, die naar landsgebruik den vorst heeft opgevolgd. Hij is een man van vijf-en-zestig jaar, gedrongen, krachtig, nog maar even grijs wordend en zich flink voordoend in zijn grijs jasje en wit vest. Zijn beenen zijn half bloot, als die van kinderen en hij draagt kousen en halfhooge laarsjes. Zijne Majesteit ontvangt ons uiterst vriendelijk; een onwankelbare glimlach speelt om zijn mond en onthult het mooiste gebit, dat eenig dentist voor zijn étalage zou kunnen verlangen.

“U is in Angkor geweest?” vraagt hij ons. “Dat is de wieg van ons ras, en mijn broeder en ik zullen altijd aanspraak blijven maken op het bezit ervan.”

Daarna boog de vriendelijke man en lachte, wisselde handdrukken met ons en ging in zijn drijvend paleis.

Moet ik de waarheid bekennen? Wij waren wel een weinig teleurgesteld over dien sympathieken maar zoo weinig majestueuzen afstammeling der groote vorsten van Angkor. De resident, onze vriendelijke gastheer, wien wij onze indrukken meedeelden, ried ons aan, in ’t voorbijgaan Compong-luong te gaan zien. “Van daar zult u Oedong kunnen bezoeken, de voorlaatste hoofdstad, en u zult u een juister voorstelling kunnen maken van wat een koning van Cambodja wezen kan”.

Den volgenden morgen heel in de vroegte deed onze jonk den oever van Compong-luong aan. De inlandsche gouverneur liet ossenkarren voor ons komen, en wij reden over een weg, breed en mooi als een uit Europa, naar Oedong de verhevene, het Versailles van Cambodja. Waarlijk, deze laan ziet er mooi uit, met dien rand van kokospalmen, die uit de vruchtbare vlakte rijzen, en de omgeving geeft ons al van te voren een hoog denkbeeld van de paleizen, waar zij toegang toe geeft.

Hoe verbaasd waren wij dan ook, toen plotseling de breede weg smal werd en doodliep in een rijstveld. Tegenover ons leek iets als een pleintje te liggen en na een omheining van groote palen gepasseerd te zijn met een soort van poort erin, bevonden wij ons in het oude koninklijk paleis. Achter een kleinen vijver ziet men eerst een “sala” of loods van twee verdiepingen, op in het water staande palen. Drie kleine tribunes zijn ervoor aangebracht, gesteund door drie groote palen, die aan het dak bevestigd zijn en wel 10 meter lengte hebben. Al hadden ze wel een beetje van een galg, toch dienden die stellages en pilaren nergens anders voor, dan om den vorst aan zijn volk te vertoonen. Ernaast stond een gewone tempel, wit met goud, die verbrokkelde en afschilferde en een grooten Boeddha bevatte achter een gebloemd katoenen gordijn van een paar stuivers de meter. Een groep bonzen bedient dit heiligdom en woont in de gebouwen van het eigenlijke paleis. Teleurstelling! Het paleis is slechts een hut van stroo, een groote hut wel, lang en diep, maar toch op verre na geen vorstelijk verblijf.

In het inwendige vertoonden de vertrekken van den koning, vader van Norodom, tusschenschotten van planken en witkalk, waar nog overblijfselen van fresco’s op te zien waren. Maar er is geen enkele steen gebruikt voor den bouw van deze koninklijke residentie en geen stukje beeldhouwwerk wekt eenig idee van kunst. Geheimzinnige bouwmeester van Angkor, wat is er uit uwe afstammelingen geworden!

Rondom het koninklijk paleis, en waar vroeger de volkrijke stad lag, breiden zich velden en moerassen uit. Toch lag daar nog in de eerste helft der 19de eeuw een groote stad. De bewoners zijn geëmigreerd, zonder zelfs ruïnen achter te laten als sporen van hun verblijf, want bamboes en stroo verrotten spoedig, en de woning der koningen wekt geen schitterende [71] voorstelling van de hutten hunner nederige onderdanen.

In een hoekje van de vlakte heeft de koningin-moeder een gedenkteeken voor haar echtgenoot opgericht, een mausoleum voor den slecht behuisden monarch. Het is een vierkante toren, omgeven door slanke zuilen, zooals ’t geval is bij alle heiligdommen in het land. Het opgewipte dak is gedekt met gekleurde pannen. Een drievoudig terras met een balustrade dient tot voetstuk voor het monument, en op de treden zijn allerlei godenfiguren aangebracht, ook monsters, die er als vogelverschrikkers uitzien. Zij houden de wacht bij elke trede van de trappen, aan iederen hoek van een muur, als om de schatten van het heiligdom te beschermen. Noodelooze moeite, er is niets te halen, en men moet er binnen treden, als men een echt voorbeeld van slechten smaak wil zien. Fresco’s zijn op de wanden aangebracht in schreeuwende kleuren, door spiegels in vergulde lijsten, die aan de pilaren hangen, schril weerkaatst. Op de verhooging, waar Boeddha is gezeten, ligt een kermisuitstalling van allerlei voorwerpen uit goedkoope winkels, bloempotjes met papieren bloemen erin, blauwe en gele glazen knikkers, dieren van verguld pleister, poppetjes van beschilderd karton, en eindelijk als pronkstukken van de etalage vier prachtige apothekers-uitstalflesschen, twee roode en twee groene.

Bas-reliëf van den Angkortempel.

Bas-reliëf van den Angkortempel.

Toch bevat Oedong-de-Verhevene nog enkele interessante overblijfselen. Er ligt niet ver van het grafteeken een groep heuvels, oprijzend midden uit de rijstvelden. Het woud, dat door den landbouw teruggedrongen is tot den voet der heuvels, beklimt ze, en te midden van ’t geboomte ziet men scherpe spitsen van bouwwerken. Dat zijn obelisken van een eigenaardigen vorm, dikker en lomper dan die uit Egypte, met massief vierkant voetstuk en afgeronde punt. Ze worden pnoms genoemd, en ’t gebruik wil, dat ze op hooggelegen punten worden geplaatst. Een eindelooze reeks van treden bracht ons naar den top. Daar stonden op een groot terras twee pnoms naast elkander, precies gelijk, alleen was de eene ingelegd met guirlanden en rozetten van gekleurd porselein. Rondom ieder voetstuk droegen enorme olifantskoppen het zware monument.

Van dit punt is het uitzicht over de vlakte van rijstvelden en plassen prachtig mooi; het oog reikt van Pnom-penh tot aan de grens van Siam. Op de golvende kruinen der andere heuvels stonden een tiental pnoms, die hun spitse toppen verhieven boven de boomen, zoodat die voorgrond den indruk maakte van een doodenstad. Ik weet niet juist, of die monumenten gebouwd zijn om heiligen-relieken te bewaren of voor de asch van een koning. Maar die tweede veronderstelling doet mij het aangenaamst aan, en ik mag gaarne denken, dat, om tot de onsterflijkheid in te gaan, de souvereinen van Cambodja tot de grootheid van hun voorvaderen meenden te moeten terugkeeren.

Van Oedong bracht de sloep ons, door den stroom geholpen, tot Pnom-penh. Daar resideert de tegenwoordige koning van het land, Norodom met zijn populairen naam; en nog vol van de pas opgedane indrukken over zijn vader, legden we bij hem onze eerste visite af. Wij treden in de omheinde ruimte van de koninklijke verblijven. In plaats van een eigenlijk gezegd paleis, zooals wij, Europeanen, ons dat voorstellen, bevinden wij ons tusschen een complex van allerlei kunstelooze gebouwen. Overal groeit gras tusschen de steenen, stukken puin liggen op den grond; op de binnenpleinen loopt gevogelte. Eerst was er dan de troonzaal, een lange loods, die mij denken doet aan de zaal, waar in onze jeugd de prijzen op school werden uitgereikt; verder allerlei goedkoope meubels in de andere vertrekken, verkleurd parijsch goedje, leelijk brons en onecht porselein, want de handelaars beschikken over een groot deel van de civiele lijst des konings, door hem die zoogenaamde kunstvoorwerpen duur te verkoopen.

Iets verder wijst men ons een huisje, leelijk en burgerlijk van stijl, zeker kant en klaar op de eene of andere tentoonstelling gekocht. In een villa van die soort woont de vorst, met veranda en gekleurde ramen, juist zooals een koopman in ruste het verlangt.

Een enkele maal krijgt Norodom verlangen naar iets groots; dan kwellen hem de groote ruimten van het oude Angkor in den droom. Zoo heeft hij nu een bouwwerk opgericht, dat zijn bestuur tot eer moet strekken, een vergulde pagode, en de inwijding van dit monument verleent aan de Têtfeesten dit jaar een ongewonen glans. [72]

Vóór den tempel prijkt het standbeeld van Norodom I. Hij is te paard voorgesteld in generaalscostuum met den hoed in de hand. De monarch is geheel van goud, en zijn paard is hemelsblauw gekleurd. De houding is niet kwaad, maar zoo bekend! Waar kunnen wij die toch meer hebben gezien? Een woord van onzen gids helpt ons terecht. Het is het standbeeld van Napoleon III, door de republikeinsche regeering op zij gezet, en waarvan men een presentabelen Norodom heeft gemaakt, door het baardje weg te laten en den neus wat af te platten.

Een khmersch paleis door planten overmeesterd.

Een khmersch paleis door planten overmeesterd.

Namaak, het standbeeld van den vorst! Namaak, zijn paleizen en zijn tempels! Namaak, alles in Cambodja, zoozeer dat die tot beginsel schijnt geworden.

Het gebeurt, dat volken, evenals oude menschen, kindsch worden. De rijpe leeftijd van dit ras was ook zijn gouden tijd. Sinds dien ouden tijd hebben de ontaarde afstammelingen van de Khmers uit hun roemrijk verleden slechts onbewuste herinneringen overgehouden, een soort van instinct, dat hen van groote gebouwen doet houden. Zij voelen veel voor al wat blinkt en schittert, en verbergen hun gebrek aan inspiratie onder indigo en goud en oker. Bij de bouwkunstige wonderen van Angkor vergeleken, lijken hun monumenten op kinderspeelgoed.

Zij werken niet voor de toekomst, en soliditeit is niet van hun gading. Het tegenwoordige is hun genoeg, de duur van een menschenleeftijd of van een koningsgril. Als de muren maar wit zijn, als de daken en de sieraden maar schitteren in de zon, is alles in orde. De koning, die een monument heeft laten bouwen, zal mogelijk voor het onderhoud zorgen; zijn opvolger zal het zeker verwaarloozen.

Die onvastheid schijnt altijd een kenmerk van het ras geweest te zijn; zij is de oorzaak van de verwaarloozing, waaraan de Khmers zooveel grootsche monumenten ten prooi hebben gelaten, en hun afstammelingen, door het voorbeeld van vroegere geslachten gewaarschuwd, hebben de gewoonte verloren, degelijk materiaal te gebruiken voor werken, die toch bestemd zijn spoedig te vervallen.

Pnom-penh zal hoofdstad worden van Cambodja. Wij hebben er huizen gebouwd van degelijke steenen, en wij hebben er westersch streven naar ontwikkeling ingevoerd. Nu moeten wij verder gaan en voor koning Norodom opkomen, dien wij onder ons protectoraat hebben genomen, en trachten, hem weer in ’t bezit te stellen van de oude ruïnen, die zijn voorgeslacht heeft achtergelaten.

In Zuid-Bretagne

Naar het Fransch van Gustave Geffroy.

Pottenmarkt te Quimper.

Pottenmarkt te Quimper.

Het stadje Quimperlé kan heel goed als type dienen voor Zuid-Bretagne, hier in dit hoekje van Finistère, zooals Morlaix en Saint-Pol-de-Léon Noord-Bretagne typeeren. Men kan te Quimperlé van allerlei eigenaardigheden der natuur en van ieder aanzicht, dat een landschap bieden kan, genieten.

Meisje uit Quimperlé.

Meisje uit Quimperlé.

Als men aankomt op een avond van helderen maneschijn, vindt men een vreedzaam, stil stadje, dat er fantastisch uitziet, met ledige straten en kronkelende steegjes, gevels, die voorover hangen en terugwijkende benedenhuizen. De klokkentoren van Saint-Michel drukt als een domper op de huizen der bovenstad. Als het blauwe maanlicht over het steenen gevaarte strijkt, ziet de toren er met zijn hoeken en bogen en balustrades uit als een reuzenuil met een vierkante kroon en de witte vlek van ’t uurwerk over zijn eene oog. De uil staat daar reeds op zijn steenen nest sinds de 15de eeuw, en de klokkestem, die zijn stem is, blijkt wel een stem te zijn uit het grijs verleden, zoo oud en vreemd en gesluierd klinkt zij, beverig en grommend en langzaam de tonen uitgietend over de stad en de rivier.

Dat is het eenige nachtelijke geluid in Quimperlé, die stem van lang geleden. Alles slaapt den slaap der kleine steden, dien slaap, die werkelijk slaap is, de dood der menschheid. Geen enkele tred op het plaveisel van de straten, geen geratel van een rijtuig bij ’t begin van den straatweg, zelfs niet het fluiten van een spoortrein op de hoogte. Alles zwijgt tegelijk, en als men opmerkzaam toeluistert, hoort men zoo nu en dan ’t geritsel van den wind in het gebladerte der boomen van het plein, of ’t zacht geklots van het water tegen den oever, of den doffen bons van een boot tegen de steenen kade. Zulke nachten kent het groote Parijs niet, welks holle [74] bodem, waarin de buizen en leidingen van allerlei diensten elkander kruisen, het geluid van al wat in beweging is, meedoogenloos terugzendt.

De fiacres van drie uur in den morgen rijden nog, nachtelijke feestgangers zijn nog onderweg, of reeds komen uit alle voorsteden de wagens van de groenten- en fruitverkoopers en gaan met de snelheid, die hun slaperige paarden bereiken, naar de hallen. Doch dat is nog maar een rustig, regelmatig, bijna gedempt geluid. Later behoort de stad aan de slagerskarren en de melkrondbrengers, die vliegensvlug door de straten daveren; gillend en met hun zweep omhoog, gedragen de koetsiers zich, of ze aan een wedstrijd met triomfwagens deelnamen.

Zulke genoegens kent Quimperlé niet, en de doortrekkende reiziger, die uit de groote steden komt, moet het stadje dankbaar zijn, dat hij er de décors der onbewegelijkheid en de stemmen der stilte mag bewonderen.

De menschen staan vroeg op; dan begint de vroolijke symphonie der klompen, en de verandering treedt op in ’t aanzien der stad. Die schijnt met den blauwen rook uit de schoorsteenen mee te gaan vliegen door de op terrassen liggende tuinen. Als de blinden en de vensters opengaan, verschijnen vriendelijk lachende gezichten met heldere oogen en praatlustige monden, de witte mutsjes reeds geplant op blonde en kastanjebruine haren. De koopvrouwen van visch loopen rond met den neus in den wind en een breeden roependen mond, die, daar ben ik zeker van, niemand het laatste woord zouden gunnen en voor haar zusters in het paviljoen der hallen van Parijs niet onderdoen in woordenrijkheid.

Als gij buitendien nog Quimperlé op een Zondag bezoekt, en als er in de buurt de een of andere vergadering is, zal het u gegeven zijn, de mooiste verzameling goed opgetrokken kousen, korte rokjes en kleurige boezelaars te zien. Die boezelaars! Men moet ze twee aan twee of drie aan drie of bij halve en heele dozijnen in de straten der stad hebben waargenomen en op de wegen in den omtrek, om zich een denkbeeld te vormen van hun belangrijkheid en hun luister. In de uitstalkasten van de winkels, beschaduwd door de overhangende luiken, zijn ze niet zoo schitterend welsprekend; maar als de vrouwen en meisjes van Quimperlé ze dragen en in haar wandelpasjes er fleurig mee flaneeren, bewust van eigen schoon aangekleed zijn, worden ze buitengewoon aardig en klinken hoog als een fanfare bij een marsch in den zonneschijn van een feestdag. Er zijn blauwe als korenbloemen, als maagdepalm en andere als hoekjes van den hemel na den regen of als blauwe kinderoogen. Er zijn violette als een onweershemel, als de zee in den zomer tegen den avond. Dan ziet men roode, vurig als bloed, en rose als rozen en gele als gouden knoopen. Men heeft er, die afwisselende tinten hebben als de borst van een duif en witte zijden boezelaars, die in de zon verguld lijken en blauwachtig zijn in de schaduw, en het lijkt wel, of die wandelaarsters het erop hebben gezet, op feestdagen alle kleuren der natuur na te bootsen op alle uren van den dag.

Quimperlé is naar mijn smaak een der mooiste stadjes van Bretagne, niet enkel om den bloei der mooie boezelaars, maar ook om zijn gunstige ligging aan de samenvloeiing van de Ellé en de Isole, die de Laïta worden, om de aardige huizen en de vroolijkheid der bewoners. Overal ziet men tuinen en boomen. Als men den heuvel Penarven is afgedaald, treedt men de stad binnen, komt op het pleintje van den Bourg Neuf, dan op de oude Place Royale en bij de merkwaardige kerk van het Heilige Kruis. Te Quimperlé is, evenals te Hennebont, de stad weer verdeeld; hier heeft men de hooge en de lage stad, en de laatste bestaat op haar beurt weer uit twee wijken, de eene, omsloten door de twee rivieren, vormt een gesloten stadsdeel, de andere wijk op den linkeroever der Ellé, heet Vannes, daar het riviertje, de Ellé, vroeger de grens vormde tusschen het diocees Vannes en Quimper. Tegenwoordig behoort alles bij het departement Finistère.

Op het terrein tusschen de beide rivieren ligt het eigenlijke Quimperlé. Evenals in vele plaatsen van Bretagne is het oudste huis een kluizenaarswoning geweest, geen hermitage van een heilige, maar de kluis van een onttroonden monarch, Gunthiern, prins van Groot-Bretagne, koning van Cambrië, die in een gevecht zijn hem onbekenden neef doodde. Smart en wroeging deden hem de heerschappij neerleggen. Eerst ging hij naar het eiland Groix, daarna naar den grond tusschen de Ellé en de Isole. De legende wil, dat hij er een klooster heeft gesticht; Albert le Grand bevestigt dat, Dom Lobineau spreekt het tegen. Wat met meer zekerheid kan beweerd worden, is dat hier een der kasteelen stond van de graven van Cornwallis. Een van die, Alain Canhiart, die op het punt was, het gezichtsvermogen te verliezen, werd genezen door een droom, waarin hij een gouden kruis zag. De paus, die geraadpleegd werd, raadde aan, een klooster te bouwen ter eere van het Heilige Kruis, dat op 14 September 1029 werd gesticht, dag der aanbidding van het kruis. In dien tijd werden Belle-Ile-en-Mer en andere leenen door Alain Canhiart aan de monniken afgestaan. Die laatsten lieten hun klooster in 1678 herbouwen.

Thans zijn er de rechtbank en het gemeentehuis, de onderprefectuur, een gemeenteschool en een politiepost gevestigd. Een deel der bibliotheek bevindt zich te Quimper. Een copie van het kloosterregister wordt in den vreemde bewaard. Maar gebleven is de kerk van het Heilige Kruis, die beroemd is in de kunstgeschiedenis als een der weinige navolgingen van de kerk van ’t Heilige Graf in Jeruzalem. Ik heb reeds als zulk een imitatie aangewezen de kerk van Lanleff bij Saint-Brieux; maar dat is een ruïne; en Sainte-Croix, de kerk die hersteld en herbouwd is in 1476, blijft door vele van haar deelen een merkwaardig monument uit de 12de eeuw. De algemeene vorm is rond; maar door uitbouwsels heeft zij den kruisvorm gekregen, eigen aan zooveel kerken. De meening der archeologen is, dat het koor nieuwer is dan het middengedeelte, en dat het oude koor zich bevond tusschen de vier enorme pilaren van het midden.

Sainte-Croix doet afbreuk aan Saint-Michel, een kapel, die tot kerk geworden is en een zeer belangwekkend gebouw moet heeten uit de 14de en 15de eeuw. De vierkante toren met zuilen en zuiltjes en [75] open galerijen, siert Quimperlé met zijn ernstige lijnen en fijn beeldhouwwerk. Saint-Colomban ligt in puin. Het Jacobijnenklooster, waar nu nonnen wonen, heeft enkel nog een poort uit de 15de eeuw, en het heeft zijn prachtige tuinen behouden.

Dit is zoowat alles, wat met enkele oude huizen overgebleven is van de oude stad. De vestingwerken en de poorten zijn verdwenen. Veel bruggen vindt men in de straten, zooals te verwachten is bij een stad, gebouwd aan twee rivieren. Kermissen en markten worden op het Saint-Michelplein gehouden, waarvan een gedeelte het Zonneplein en een ander het Varkensplein of de Varkensmarkt heet. De gemeenteschool is gevestigd in een oud Capucijnerklooster. Daar werden in ouden tijd de inwoners genoodigd, om op Goeden Vrijdag kabeljauw te komen eten, zooals men op Sint-Jan sardines ging nuttigen bij de Jacobijnen.

Het kerkhof omgeeft de Sint-Davidkapel. Er bestaat een zoo goed als volledige lijst van de burgemeesters der stad van de eerste jaren der 16de eeuw tot 1790. De zeehandel is afgenomen, schepen van dertig tonnen kunnen niet meer de rivier opvaren door de ondiepten.

Twee Benedictijner monniken, die beroemd zijn geworden, werden te Quimperlé geboren, Gurheden, geschiedschrijver van het klooster Sainte-Croix in de 12de eeuw, en Dom Morice, schrijver van de Geschiedenis van Bretagne, uitgegeven in 1750. Ook zijn er geboren generaal Hervé en de prediker Boursoul, terwijl de zeevaarder Du Conëdic ook dichtbij Quimperlé het levenslicht aanschouwde.

Ofschoon er nogal toeristen komen en enkele Engelschen zich er gevestigd hebben, blijft de streek toch eenzaam en een heerlijk oord voor wandelaars door het groote bosch van Clohars-Carnoët, een domein van 724 H.A.

Het begint aan het benedeneind der stad en strekt zich uit tot aan het dorp Clohars, en hier en daar liggen brokken verspreid, eikenlanen, hoekjes dennebosch en boomgroepen. De groote wegen worden dikwijls door pleizierrijtuigen bereden; maar de wegjes en voetpaden zijn eenzaam en verlaten, verlicht door ’t groene schijnsel, dat door de boomen valt. De plantengroei op den grond en op de hellingen der wegen is dicht en weelderig; hooge varens en distels staan er tusschen rose en paarse heide, en al die lage gewassen herbergen een wereld van de grootste verscheidenheid en ongehoorden vormenrijkdom, een wereld van insecten en vliegen en vlugge mieren, die lasten torsen grooter dan zij zelve. Vlinders van allerlei gedaante en kleur, morgenvlinders en avondvlinders, kleine bleekblauwe kapelletjes, die als fladderende viooltjes zijn, legers gestreepte en gebronsde kevers van kopergroen en gevlamde tinten, sommige met helmen en zwarte kurassen en horens als van een hert, dat alles leeft hier als in een klein bosch onder het groote. Men krijgt het alles te zien, als men zich maar onbewegelijk houden kan en op dezelfde plek oplettend alles wil gadeslaan, zonder de eindelooze tochten te storen van al die kruipers en vliegers en van de velen, die elk doorgangetje tusschen de grassprietjes kennen.

Heft men het hoofd op, dan krijgt men een indruk van den tempel van ongekorven hout; de boomstammen gaan rechter en losser en fierder de hoogte in dan de zuilen van gothische kathedralen. Zij hebben vorm en kleur en hardheid als van steen; de tijd heeft hun hout verhard als tot graniet. Er is een plekje, waar het aantal woudreuzen bijzonder groot is. Men ziet het van den grooten weg, die het bosch recht doorsnijdt in de richting van Clohars. Het bosch loopt hier over heuvels en door dalen en op een der hoogten ziet men een groep pijnboomen van edelen vorm en onvergelijkelijke gratie. Daar ze hun naaldenkroon enkel op den top dragen en geen lage takken hebben, beheerschen zij als reuzen het woud. In de ondergaande zon en het rose schijnsel doen hun rechte stammen denken aan masten van schepen; hun graniet wordt tot porfier, en de wind ontlokt klanken als van een orgel van hun donkere kronen.

Het eenige geluid, dat aanhoudt bij dit windgesuis, dat toeneemt en vermindert, zucht en fluistert en in golven aanbruist, is het gezang der vogels in de heggen en de boomen. Zij houden zelfs niet stil, als men voorbijgaat, of als er een roofvogel over het bosch vliegt, tot hun plotseling het zwijgen wordt opgelegd, als de wreede roover op een open plek in ’t bosch zijn prooi uitkiest. Alle andere geluiden zijn kort van duur en toevallig, en om ze te hooren, moet men goed opletten als een jager, en tevens met het geduld en de voorzichtigheid van een hengelaar. ’s Nachts vooral kan men lichte of zware schreden hooren van de dieren in het bosch, of plotseling verschrikt worden door vormen, die eensklaps uit het kreupelhout voor den dag komen en in een paar sprongen weer verdwenen zijn. Dan heeft het bosch zijn zwarte en zijn twijfelachtige, doorschijnende plekken; het is vol ongeziene dingen, vol van het geheimzinnige in de natuur, dat altijd den mensch schrik heeft aangejaagd.

Over dag ziet het er vriendelijker uit, vooral hier en daar aan den rand of op enkele hoogten, waar de hutten van kolenbranders en klompenmakers zijn gelegen. Daar vindt ge ze, de ware heeren van het woud, evengoed er meesters als de wachters, die bij bochten in den weg u voorbijgaan met het geweer op schouder en in den correcten pas van den soldaat. Die bijeenstaande hutten, die er geïnstalleerd zijn als in een Indianenkamp, die rook, die keukens in de open lucht, die werkende mannen, die lachende kinders in het groen, alles spreekt tot den beschaafde van instinctieve vreugde, van een onbezorgd voortleven van den eenen dag op den anderen, van de aanvaarding van een bescheiden bestaan, nederig en vrij en zoo gelukkig mogelijk.

Dit mooie bosch van Carnoët kent levendige feestvreugde, en wel eens per jaar, op Pinkstermaandag. In Toulfouën bij den ingang van het bosch wordt vogelmarkt gehouden, een waar feest voor den heelen omtrek. In de buurt zijn de ruïnen van het kasteel Carnoët, waar Con-Mor huisde, een der Blauwbaarden van Bretagne.

Maar de stad is het uitgangspunt van nog andere uitstapjes.

Quimperlé, dat de stilte van den nacht en de vroolijkheid van den dag kent, heeft niet alleen een [76] bosch, het heeft ook een rivier en op twaalf kilometer afstands de zee.

Ontvangst aan een sterfhuis te Concarneau.

Ontvangst aan een sterfhuis te Concarneau.

Die twaalf kilometer kan men afleggen door het woud van Clohars-Carnoët of langs de rivier, de Laïta, gevormd beneden het stadje door de vereeniging van de Ellé en de Isole. ’t Is waar, dat men op die rivier zich nog in het bosch bevindt. Het water der Laïta stroomt onder struiken door en tusschen eiken en beuken. Het is blauwachtig en helder bij ’t verlaten van Quimperlé, wordt dan onder het kreupelhout groener en donkerder, weerspiegelt het gebladerte en laat heel in de diepte een streep over van de lucht, schittert dan weer vrij op de open plekken en wordt bij de bochten gelijk aan een liefelijk meertje. Stelt u het bosch van Fontainebleau voor, doorstroomd door een rivier. Die stroom wordt breeder en breeder, laat zijn oevers droog in den tijd van eb, vloeit tusschen door rotsen versterkte kanten, met pijnbosschen bedekt en boschjes van kastanjeboomen. Na een oponthoud te Saint-Maurice, waar men voorbij een kasteel uit de 18de eeuw gaat, dat zich spiegelt in een vijver, en waar men de ruïnen der abdij Saint-Maurice bezoekt, omgeven door de gebouwen van een boerenhuis, gaat de rivier met korte golfjes verder. Die eerste elastische golfjes schijnen de boot aangenaam aan te doen, nadat zij lui den kalmen loop van ’t water heeft gevolgd. Men wordt herinnerd aan een paard, dat eerst op een moeilijken weg dommelig en traag heeft geloopen en dan, door zweep en woord aangemoedigd, een mooien weg vóór zich ziet, waar het flink en ferm lang achtereen vlug zal kunnen draven.

Zoo komt de boot, die het eerst al te gemakkelijk had in tegenstelling met het paard, opgewekt te Pouldu, dat tegelijk aan de rivier en de zee is gelegen.

Het is een gehucht, waar het goed rusten is voor hen, die villa’s aan de kust hebben gebouwd en hun met vijgenboomen beplante tuinen door hooge muren hebben omgeven. Het strand der zee is hier omzoomd met struikgewas vol bloemen en in den herfst met vruchten overladen. Nu kweelen er de vogels in. De rotsen zijn laag, en hier en daar dalen lange, zachte, zandige hellingen af naar zee. Aan den horizon ziet men het eiland Groix, als een steenen tafel oprijzend uit de golven. In de zachte lucht komt een aroma van bloemen naar ons toe door de zilte zeelucht heen.

Ten tijde van mijn verblijf te Pouldu en te Quimperlé hadden het dorp en het stadje een eigenaardig karakter, dat ik niet verborgen wil laten, al moet de nationale trots er onder lijden. Het een en ’t ander vormen samen een badplaats, die een soort van engelsche kolonie is, een volledige kolonie, waar men zich niet zou verbazen, als men er een consulaat vond en een engelsche vlag.

De hôtels van Quimperlé waren ingenomen door engelsche families of door engelsche jonge meisjes met haar gouvernantes. Meer dan de helft der plaats, ja bijna de geheele stad, was bezet door John Bull met vrouw en kinderen, en John Bull leefde hier als in Australië of in Indië. Hij heeft zin voor cosmopolitisme, en dat toont hij in een hoekje van een stil, kalm stadje in Bretagne, waar hij zijn zomerrust geniet, even duidelijk als in die streken, waar hij regeert in naam van zijn koning-keizer. Hij is overal op zijn gemak, en als men zegt, dat de Engelschman zoo aan zijn home gehecht is, sluit dat tevens in, dat hij zijn tehuis overal kan vinden en dat alle plaatsen geschikt zijn, om er zijn thee en zijn biefstuk met smaak te gebruiken.

Te Pouldu was alles vol, net als te Quimperlé, en veel Engelschen, die het klimaat boven dat van Londen verkiezen, blijven er het geheele jaar. Zij hebben hier hun huis, hun boot, hun rijtuig; ze dwalen langs de kust, loopen door het bosch, en overal ziet men hun witte hoeden, groene voiles en geruite pakken. Want zij geven zich hier het uiterlijk van de Engelschen uit onze vaudevilles, en de dames en kinderen overdrijven eveneens de anglomanie. En daarom ook ontmoet men in het land der vroolijke klompen en der mooie boezelaars zooveel groote meisjes, die als kinderen van Kate Greenaway gekleed gaan, en die veel te ernstig kijken, als ze naar huis gaan van een zitje bij het teekenen van een aquarel of van een levendige vlinderjacht.

De meisjes van Pont-Aven maken zich mooi en hebben een gerechtvaardigde reputatie van behaagzucht.

De meisjes van Pont-Aven maken zich mooi en hebben een gerechtvaardigde reputatie van behaagzucht.

Er is wel een verklaring van te geven, waarom de Engelschen en villégiature zich er dadelijk zoo stevig installeeren, waarom onze buren van overzee terstond de omgeving verengelschen, het stadje, ’t [78] hôtel, het strand en alle plaatsen, waar zij hun tenten opslaan voor korteren of langeren tijd. De eigenaardige zeden en gebruiken geven er de waarde aan van een home, dat de Engelschen zoozeer op prijs stellen, evenals al degenen, die over Engeland spreken. Het bestaat wel, dat gevoel, maar niet alleen op de gevoelige, dichterlijke en romaneske manier, zooals allen zich dat voorstellen. Het is ver uitgebreid, gegeneraliseerd, algemeen geworden. Het home is de plaats, waar de Engelschman zich bevindt. Ook de plaats, die de zee voor hem inneemt, is daardoor aangewezen; zij vooral is zijn domein, waar de andere volken zich eigenlijk niet mogen vertoonen. Het is vrij gemakkelijk in te zien, hoe dit gevoel hem is aangeboren en zich altijd bij hem heeft ontwikkeld. De dubbele verklaring hangt samen met de aardrijkskundige gesteldheid van Engeland, met zijn rol in de wereld en ook met den zin voor het reëele, die een der karaktertrekken is van het handeldrijvende volk.

Het moederhuis is een eiland. Het was voor de daar gevestigde menschen volstrekt noodig, hun fortuin op het water te beproeven. Hun continentale uitbreiding in Europa is hun onmogelijk gemaakt door het verzet van Frankrijk; zij hebben in ons een levensfrischheid en kracht gevonden, waarop hun pogingen zijn afgestuit, en dus hebben zij hun horizon elders moeten uitbreiden. En dan was er de zee! Die hebben zij golf na golf veroverd; ze hebben haar geheel geëxploreerd; zij hebben alle landen op alle breedten aangedaan, overal hun vlag geplant, waar nog een zandbank was te vinden. De bewoners van het europeesche eiland zijn ten slotte in het bezit geraakt van een onmetelijk rijk, dat met zorg uitgekozen koloniën omvat, die op het budget prijken met baten, niet met nadeelige saldo’s. Dan, na dien zegetocht over de wereld, na die vestiging hier en elders verschijnt de zin voor de werkelijkheid, en de practische geest gaat aan het werk.

De Engelschman verstaat, zooals men heeft gezegd en dikwijls herhaald, de kunst van reizen, en het denkbeeld, dat men leert door reizen is aan hem bewaarheid. Zoo heeft hij leeren begrijpen, dat de aarde heel klein is, och zoo’n klein planeetje, dat men gemakkelijk naar alle zijden kan bereizen, terwijl het engelsche volk talrijk genoeg zou wezen, om het geheel te bezetten. Maar die onderneming biedt wel eenige moeilijkheid, en nu hij de aarde niet geheel voor zich kan nemen, stelt hij zich tevreden met een gedeeltelijke bezetting en inbezitneming. Toch is het gevoel van die universeele souvereiniteit, die niet tot de onmogelijkheden behoort, hem bij en uit zich altijd en overal, in de kleine bretonsche steden, uitgekozen als geschikte punten, daar het klimaat er heerlijk is, en op de groote, wijde zee, die er slechts schijnt te zijn, om de Britsche eilanden met water te omringen.

Te Pouldu hield ik mij eenigen tijd op in het oranjekleurige zand en de holle wegen, waar de hellingen met wilde aardbeien en viooltjes zijn begroeid. Toen ging ik per boot naar Douëlan en Pont-Aven. Het eerste is een haven, waarin enkele booten liggen. Pont-Aven “stad van naam, veertien molens en vijftien huizen, meldt de faam”, zegt het spreekwoord. Er zijn inderdaad molens te Pont-Aven, maar er zijn nog meer rotsen en ’t allermeeste schilders; schilders van alle naties en ’t meest amerikaansche schilders. Het heet, dat een Amerikaan Pont-Aven heeft ontdekt in 1872. Welk een hôtel en wat voor table d’hôte toentertijd! Maar het landschap vloeide over van tooneeltjes, door die heeren als motieven aangeduid. De rivier is verrukkelijk door haar watervalletjes en scherpe bochten, door groene oevers en kleine strandjes, waar men een schildersezel kan neerzetten.

De meisjes van Pont-Aven maken zich mooi en hebben een gerechtvaardigde reputatie van behaagzucht. Ze besteden veel geld aan degelijke stoffen voor haar japonnetjes, vooral het bruidskleed moet prachtig zijn. Haar nationale dracht vertoont veel fluweel en borduursel, goud- en zilvergarnituur en allerlei versiering.

Niet ver van Pont-Aven ligt de kapel Trémalo, een laag gebouwtje, waarvan de muur maar even boven den grond reikt met een hoog dak erop en een klein klokkentorentje, zoodat het geheel er als een schuur uitziet; verder het kasteel Hénan, dan veel dolmens of hunebedden, een ingestorte toren en begroeid plateautje, die de ruïnen van Rustephan moeten zijn, gesticht in de 12de eeuw.

Dan bereikte ik Bannalec, het land der zwarte mutsjes, dan Rosporden, waar ik in den namiddag aankwam en waar alles mij doodsch en verlaten scheen met het stille marktpleintje en de zwarte huizen, en Concarneau, dat mij aan Pont-Aven deed denken.

De aankomst in den zomer tegen het vallen van den avond te Concarneau in een der hôtels, die op de haven uitzien, geeft een goed denkbeeld van de villégiatures in die visschersplaatsjes. De dame van ’t hôtel heeft, zoo al niet de nationale dracht, toch het karakteristieke mutsje behouden, maar er is veel schijn bij die vertooningen, en de bretonsche meubels zijn in Parijs gemaakt en toen verzonden naar de handelaars in oudheden in die kleine stadjes. Hier bijvoorbeeld is gelukkig de eetzaal echt engelsch en modern, vernist hout en electrische verlichting, maar de costumes der dames, wit en rood en fleurig, de mannen met hooge witte boorden, alsof ze een rol in een blijspel speelden, waarin het leven op een kasteel voorkwam, en geen middagmaal in een dorpsherberg vlak bij de schepen met sardines.

Concarneau gelijkt teveel op een deftige badplaats; maar als men het plaatselijke leven nagaat, is het bestaan der visschers altijd interessant. Ruwe, sterke heftige mannen zijn het, die soms een wedstrijd houden met volle booten, om maar het eerst hun visch te verkoopen. Daarna wordt alles weer kalm, als de booten op een rij liggen in de haven, en de netten drogen.

Ik ben hier gekomen in een tijd van feestelijkheden; en ik meng mij onder de menigte, die kijkt naar wilde-beestenspellen en luistert naar straatzangers. Er zijn veel vrouwen bij met bretonsche mutsjes en mannen met snorren, uit het régiment meegebracht.

De beide stadjes staan met elkander door een brug in gemeenschap. De nieuwe stad is slechts een voorstad, maar die neemt toe in aanzien en wint het [79] van de moederstad. Deze heeft een geschiedenis, verhaald door de stevige muren. Zij is bezet geweest door de Engelschen, werd bevrijd door Du Guesclin en had te lijden in de oorlogen der Liga. Tusschen de hooge wallen, en in de vesting met gekanteelde muren is thans een visscherijschool gevestigd.

Buiten Concarneau kan men een bezoek brengen aan het museum Keryolet, aan het departement vermaakt door de gravin Chauveau Narischkine. Het uitwendige is een slechte nabootsing van werk der 15de eeuw, maar er zijn enkele mooie dingen, oud borduursel, aardewerk en een verzameling mutsjes. Toch is het prettiger, door de velden te loopen, waar de natuur prachtig is.

Deze heele streek van Bretagne is als een tuin, gelegen op de zuidelijke helling der Zwarte bergen, een oude, liefelijke tuin met eeuwenoude boomen, bloeiende velden en omlijnd door het saffierblauw van de zee. Van Quimperlé tot Douarnenez ademt alles rust, bekoring en vroolijkheid, met uitzondering alleen van de vooruitstekende rotspunten, die van Penmarch en du Raz.

In deze opmerking is niets overdrevens. Er is in Bretagne een eigenaardige tevredenheid, een natuurlijke vroolijkheid bij de bewoners. Reeds in het noorden van het land, aan het Kanaal, waar men den ernst verwachten zou in de straatjes der kloosterachtige steden, heeft de melancholie haar glimlach. Ik denk vooral aan de vrouwen van het land, nu ik dit schrijf, de vrouwen, die het leven zoo kalm opnemen, zoo aanhoudend bezig zijn en zoo bevallig zich bewegen met onveranderlijk, kalm gelaat. Zij kunnen echter ook wel haar genoegen er af nemen, en niet alleen de jonge meisjes, ook de oude vrouwen dragen dikwijls den gelukkigen glimlach, die aantoont, dat zij ’s levens zorgen niet zwaar nemen. Op feestdagen, bij bruiloften en boetedagen ontmoet men altijd bekoorlijke oudjes, zacht, eenvoudig en welwillend, die u een tot weerziens toeroepen, haar “kennavo!” alsof ze wilden zeggen, dat men ze misschien niet zal terugzien in de vroolijke gezelschappen, maar dat zij niettemin zeer gelukkig zouden zijn, als ze nog één- of tweemaal mochten terugkeeren.

Nog duidelijker komt het opgewekte humeur aan den dag in het zuiden in de streken aan den Atlantischen Oceaan; de taal is er levendiger; de menschen spreken haastiger en luider, en er wordt meer gezongen. Op de wegen hoort men lachen en zingen en praten; elk kruispunt van wegen wordt een societeit, soms een danszaal. Een muzikant, op een ton staande, is voldoende, en men danst de oude boerendansen met de vastgestelde figuren en de deftige buigingen.

Ik heb zulke menuets zelfs zien dansen op den weg naar Raz in dat sombere landschap, waar de velden door steenen zijn omsloten. Er moet een groot weerstandsvermogen in het ras aanwezig zijn, om zoo de nederige en bescheiden algemeene vroolijkheid te kunnen handhaven bij de vijandige natuur tegenover die zee, die zoo dikwijls wreed en woest is. Maar het landschap is daarentegen vertrouwd en vriendelijk langs de holle, door groen beschaduwde wegen, de voetpaden, tusschen hagen ingesloten en de velden, bloeiend afloopend naar zee.

Mij treft die luchthartigheid in het land, dat met zijn schoone boomen de baai de la Forêt omzoomt en dat tot Concarneau en de in zee uitstekende punt Beg-Meil voortloopt, terwijl ik door het dorp La Forêt en ’t gehucht Fouesnant ga. Men beschrijft, als ’t ware, al dat groen, die rose en blauwe velden en den glanzigen zeespiegel voor zich zelven, alleen als men die dagen herroept en zich de aardige gesprekken weer te binnen brengt. Ik weet wel, dat de strijd om het bestaan ook hier als elders een onaangenamen kant kan hebben; maar ondanks alles, ondanks de kwaal van het snobisme, hier en daar opgetreden op bepaalde plaatsen aan de kust, ondanks de kwade praktijken, met de beschaving in de veelbezochte dorpen gebracht, ondanks de noodzakelijke laagheden, die met het bezit van geld worden aangevoerd, is dit toch het land, waar men nog ’t best een eigen, vrije manier van leven behoudt en een belangelooze vreugde aan het schoone der natuur.

De Glenans-archipel, ten westen van de Woudbaai gelegen, telt negen eilandjes, waarvan één, Cigogne, een fort draagt. De belangrijkste daarna zijn Loch, Penfret, waar een vuurtoren en een semafoor zijn opgericht, en ’t eiland Sint-Nicolaas, waar men tevergeefs beproefd heeft, een kapel te bouwen voor het honderdtal bewoners, allen visschers, die er in hutten wonen. Dit is niet Belle-Ile, noch Groix. Al deze eilandjes vormden vroeger samen één eiland, zegt men; maar de zee heeft zich tot taak gesteld, die eenheid te verdeelen, den grond vaneen te scheuren en de rotsen uiteen te doen wijken. Het is nu niet anders dan een hoop boven water uitstekende rotsen, een golfbreker voor de baai van La Forêt.

Fouesnant ten noordwesten van die baai is een bloeiend dorp, waar veel drukte heerscht op marktdagen, op het plein bij ’t kerkhof en de kerk. Men kan er varkens te zien krijgen, zoo groot als kleine ezels. Er wordt een massa boter verkocht en appelen vent men er; de appelwijn van Fouesnant heeft een goeden naam, en hij verdient dien. Een der belangwekkendste personen, die ik ooit in mijn leven heb ontmoet, is een appelenkoopman, die te Roscoff woonde, en die te Fouesnant kwam, toen ik er vertoefde, om een deel van den oogst of misschien wel alles, op te koopen. Hij was, zoo gij wilt, commis-voyageur, want hij reisde voor zijn handel en hij nam gaarne het woord aan de table d’hôte van het kleine hôtel, waar hij was afgestapt en waar ik ook logeerde.

Hij was er een bewijs van, dat de commis-voyageurs niet allen, zooals beweerd wordt, zoutelooze verhalen doen of opsnijders en kletsers zijn. Deze was een goed spreker, zeker, maar hij praatte niet, om niets te zeggen. Hij had heel wat van de wereld gezien, Europa, de kusten van Afrika, Amerika, Azië en Oceanië. Het bijzondere was, dat hij goed had gezien al wat hem onder de oogen kwam. Ik heb eenige avonden met hem gesleten, niet om met hem een gesprek te voeren, maar eerder om naar hem te luisteren, hem slechts een woordje tot antwoord gevend, om hem op te wekken, door te gaan. [80]

Nooit heb ik zulk een verzamelaar van feiten ontmoet en ik ben nog al met menschen in aanraking geweest, maar deze was waarlijk verrassend. Hij was begiftigd met een geheugen, dat geen aarzeling, noch weigering kende, en dat, naar men terstond merkte, niet door boeken was gevoed. Hij had in zich de herinnering bewaard aan alle landen, die hij bezocht had, alle zeden en gewoonten, die hij had waargenomen. Hij was op de hoogte van regeeringen en wetgevingen en handelstoestanden en kende allerlei bijzonderheden, die zich aan hem hadden voorgedaan. Wat Bretagne aangaat, daar kende hij alle steden, alle dorpen, alle gehuchten, wist wat er op de velden groeide, waarmee de bewoners zich voedden, hoe zij zich kleedden en welke hun karaktertrekken waren. Hij beschreef den vorm der mutsen, het borduursel van ’t corsage, de manier, waarop ceintuurgespen werden gesloten, en tegelijk gaf hij wenken over de geschiktheid voor den handel, den stoutmoedigen of schroomvalligen geest der menschen, hun somber of opgewekt humeur. En met hoeveel menschen had hij niet zaken gedaan! Deze appelkoopman was van gemiddelde lengte en ook van middelbaren leeftijd, gedrongen, met breede schouders, een forsch, welgebouwd hoofd had, een kleinen zwarten knevel met enkele witte haren erin en kleine, zwarte, onderzoekende en zeer scherpziende oogen.

Dolmen te Kernuz.

Dolmen te Kernuz.

Als gij hem ontmoet en hem aan dit signalement herkent, schroom dan niet, een gesprek met hem aan te knoopen; ge zult u den tijd niet beklagen, dien gij hem schenkt, en ge zult u niet vervelen bij dien verzamelaar van feiten, die altijd bereid is, u zijn collecties te laten zien en steeds eenvoudig, overtuigd en met geest het woord voert.

Des middags en des avonds bleef ik langen tijd bij dien sympathieken prater. Maar toch vond ik ’s morgens en in den namiddag den tijd, de omstreken te gaan zien en ’t land van Fouesnant te leeren kennen. Ik wandelde dikwijls naar Beg-Meil, een zomerstadje aan den westkant van de baai, met kleine huisjes, zandige tuinen en veel groen. De kust is er laag met kleine duinen en zacht gras bedekt. Daar tegenover zag men de grijze, violette of in het licht schitterende rotsen van de Glenans-eilanden. Maar mijn liefste wandelingen waren de schaduwrijke wegen naar den achtergrond der baai. De zee, door al het groen gezien, is onvergelijkelijk mooi, en de baai, die zoo weinig wordt bezocht, doet voor geen inham in schoonheid onder; men geniet daar in de buurt de schoonheid van een met zorg aangelegd park. De zuidelijke natuur, zoo hoog geprezen, schijnt een schouwburgdecoratie, vergeleken bij dit frissche, intieme landelijk schoon. Hier niet meer de gratie van Quimperlé of de schilderachtigheid van Pont-Aven; maar in ernstige lijnen en donker groen zijn er de wegen en de dalen getrokken, alles uitloopend op het witte strand en de blauwe oneindigheid der zee.

De vrouwen van Fouesnant zijn mooi, evenals die van Pont-Aven, dat wil zeggen, ze zijn forsch en statig en soms vertoonen ze rijke kleedij, als de omstandigheden het zoo meebrengen. Haar gewoon costuum is maar eenvoudig; een rok, een boezelaar met banden en een lijfje, maar alles is met borduursel overladen, borduursel van goud en zilver en gekleurde zijde. Er bestaan van die costuums uit oude tijden, die ware meesterstukken zijn, en de vrouw, die ze draagt, schijnt een standbeeld, stijf en schitterend voor een processie naar buiten gekomen als een heiligenbeeld. Zij loopt dan ook met afgemeten schreden, in het volle besef harer gewichtigheid. Het mutsje met de linten ligt op het voorhoofd, de beide vleugels sluiten bij twee zijden van het gelaat aan. Dat laatste heeft mooie trekken, lange, zachte oogen, maar het is dikwijls mager met een langen neus en dan heeft het met den kleinen mond een uitdrukking van een listig muisje.

Van Fouesnant ga ik naar de Forêtkapel dichtbij, tusschen hooge boomen met een lijdensberg erbij, en dan naar Benodet.

Er was feest te Benodet op een Zondag. Gekleurde boezelaars kwamen uit alle holle wegen aanloopen. Kleine meisjes in lange jurken en met roode boezelaars als standbeelden in nissen zijn op het oog de aardigste oude vrouwtjes, die men zich kan denken. Zij vereenigen de grappige komiekheid van de jeugd, die zich voor ’t eerst verkleedt, met die van kleine meisjes, die haar poppen dragen met de zorg van oplettende moedertjes. Achter haar loopen de vrouwen met haar klokrokken en de weinig lenige lijven, als uit hout in het corsage gesloten.

Het is een bewonderenswaardig land; men ziet er velden met tarwe en aardappelen, vlas en rogge en veel boomen als in een park of een boomgaard.

“Vroeger, toen wij Lotharingen nog hadden”, zei de koetsier, die mij reed, “noemde men dat den tuin van Frankrijk. Nu is dit land hier zoo gelukkig”.

Ik geloof, dat de koetsier Lorraine met Touraine verwart, dat wij nog altijd bezitten; maar ik help hem niet uit den droom. En deze streek is toch ook inderdaad een prachtige tuin.

Wij komen te Benodet. De kermis aan het water gelijkt op alle andere kermissen; maar men heeft er hier de zee bij met haar witte zeilen als achtergrond. Het spel met de stokken, het worstelen van den sterken man met den liefhebber, het zijn gewone kermisvermakelijkheden. Maar de liefhebber, een jonge boer, die gedronken heeft en niet weg wil, staat met open mond te wachten op een tweeden slag en geeft iets eigenaardigs aan de voorstelling. [81]

Het drogen der sardines.

Het drogen der sardines.

Ook de vrouwen en meisjes van Fouesnant met de muizenprofielen en den kleinen mond, met de mutsjes boven op het hoofd, die heel wat donker haar onbedekt laten, zijn geen alledaagsche toeschouwsters en geven met de naïeve, gezonde en geamuseerde trekken aan alles een eigen karakter.

Romeinsche Venus uit Tronoën.

Romeinsche Venus uit Tronoën.

Anderen loopen ernstig rond, laten zich kijken meer dan zij rondzien. Dat zijn de schoonheden uit het land van Fouesnant met goudborduursel op hun jakjes. Daar zijn er twee, een met kastanjebruinen boezelaar, de ander met een bleek lilaschortje met bloemen erop; ze beslaan den geheelen weg en zijn breed en forsch in haar rijken tooi. En het geheele bretonsche land, alle typen dooreen, ziet men op een hoekje van het feestterrein vóór een tent, met dit opschrift: “Mevrouw Anézel, somnambule van den eersten rang, consulten over het verleden, het heden en de toekomst, voor civiele en militaire zaken, handelsaangelegenheden of liefde....”

Op den drempel verschijnt te midden van een troep Zigeuners de oostersche schoone, een mooi donker meisje met gekroesde haren, een koperkleurige gelaatskleur en brutale, fluweelen oogen. Zij loopt heen en weer met de handen in de zij, bewegelijk in haar lenige manieren tusschen dit stijve volkje van Bretagne. Ze staat stil, noodigt een boer binnen te treden in de tent en dringt bij hem aan met woord en gebaar en zachten drang. De vierkante boer met zijn ringbaardje om de kin blijft onverzettelijk, doof en stom, een schuine, wantrouwige beer, die een poesje ziet rondscharrelen.

Benodet ligt aan de rivier en aan de zee; de eerste is de Odet, die hier komt, na Quimper te zijn voorbijgestroomd en de baai van Benodet ligt wijd open naar de zee. De burgerij van Quimper komt hier uitspanning zoeken; er zijn veel mooie huizen midden in tuinen en een breed en veilig strand, waar de baders druk aan ’t wandelen zijn. Plotseling wordt de lucht donker, het weêr verandert; blauwgrijs wordt het uitspansel en in den regen loop ik de Odet over.

Aan den anderen kant heeft men het land van Pont-Labbé en Penmarch, waar ik een bezoek zal brengen, vóór ik naar Quimper terugkeer. Vóór Pont-Labbé liggen de eilanden Tudy en Loctudy. Het eerste is geen eiland meer, want de zee heeft zooveel zand aangevoerd, dat het met de kust is verbonden; maar als men er den voet zet op dien grond, die met de zee gelijk staat, heeft men een gevoel, van in het water te zijn. De kleine lage huizen met hun tuintjes zijn als vastgemeerde bootjes, waaromheen de netten hangen te drogen. Er zijn nog andere eilanden in de buurt, Chevalier, Garo, het Gemzeneiland; ’t is een soort van archipel in een ondiepe, woelige zee. Het dorp Loctudy aan de overzijde van de Pont-Labbérivier, is beroemd om zijn romaansche [82] kerk, men kan er gemakkelijk komen van het eiland Tudy, als men een voorbijvarende boot neemt. De kerk is wel dat korte reisje waard om haar zuilen met versierde kapiteelen, en ook de bevolking verdient een bezoek, de mannen met de versierde vesten en de vrouwen met de hoog op het hoofd gedragen mutsen.

Van daar bereikt men Pont-Labbé per rijtuig of per boot naar verkiezing; maar nu het weer begint te regenen, is het verstandiger een rijtuig te kiezen. Men rijdt een tijdlang langs de zee, maar dan wordt het bevallige landschap doodscher; de boomen staan wijder uit elkaâr, en het land wordt moerassig en arm, met kleine stukjes bouwland ertusschen.

Pont-Labbé is thans niet meer dan een klein visschers- en ankerplaatsje. Vroeger heeft de stad haar dagen van glorie gehad. Het is het centrum geweest van een der machtigste baronnieën van Bretagne, heeft een vestingwal van muren gehad, waarvan nog sporen over zijn. De vesting werd ontmanteld, want zij onderwierp zich niet zonder weerstand te bieden aan de koninklijke macht, en in 1501 moest een edict den heeren van Pont-Labbé gelasten, zich voortaan niet meer te noemen heeren van het hertogdom Bretagne en niet meer de wapens van dat hertogdom te voeren.

In 1673 woedde te Pont-Labbé een oproer als verzet tegen het verzegeld papier, ingevoerd door Lodewijk XIV. De stad is er goed blijven uitzien, en ’t is een genot, er binnen te komen na een vermoeienden rit, zelfs als het regent. De huizen van graniet, oud van voorkomen, hebben al den ernst van gebouwen, die al twee- of driehonderd jaar oud zijn en zoo goed gebouwd werden, dat ze nog soliede zijn. Langs de kade staan schaduwgevende boomen, en de haven levert een aardig tooneeltje op met de vele booten, de rij van huizen en den hoogen klokkentoren. De gebouwen van het Karmelieterklooster zijn afgebroken, en het klooster is later te Quimper weer opgericht, ingewijd 17 Maart 1902. De kerk is de oude kapel van dat klooster uit het einde van de 14de eeuw, gerestaureerd in de 16de.

Alle vrouwenhoofden dragen hier den bigouden, waar men nog teekeningen van phoenicischen oorsprong op meent te herkennen, en van laken of fluweel vervaardigd. Dat mutsje wordt boven op het hoofd gedragen en laat het haar van het achterhoofd vrij. De rokken hebben meestal een fluweelen rand, de mouwen van het lijfje zijn bewerkt en kleurrijk evenals de boezelaars. De mannen dragen ronde hoeden met smalle randen en met fluweelen linten versierd. De vrouwen met haar wijde rokken lijken op laplandsche vrouwen. Zij gaan voor leelijk door, maar er zijn toch wel aardige bij; men moet ze niet vergelijken bij vooraf gemaakte schoonheidsvoorstellingen met haar korte, platte neuzen en blauwe, starende oogen. Ze hebben geen gebruinde tint, maar zien er blank en rose uit, als vrouwen uit het Noorden.

De weg van Penmarch volgt eene zuidwestelijke richting, bestijgt een hoogte door de landes, door dennenbosschen en bouwland. Men kan zich ophouden in het kasteel Kernuz, toebehoorende aan de familie Châtellier, en het museum bezoeken, waar talrijke belangwekkende voorwerpen zijn, zooals de druïdische diademen van massief goud en veel romeinsche beeldjes van gebakken aarde, te Tronoën gevonden, en door romeinsche soldaten in Gallië gebracht. Zij stelden huisgoden voor en fetisjen, ook Venussen en Juno’s, onder welke één bijzonder bekoorlijk was, een rijzige, slanke Venus, de eene hand omhoog geheven, de andere op de heup gesteund, met een kapsel, verdeeld in golvende bandeaux. Ook is er een gallisch graf te zien, een vreemde dolmen, waarop de figuren zijn gebeeldhouwd van Mars, Mercurius en Hercules.

Te Plomeur wordt het land nog armer. Het is een effen vlakte zonder boomen, waar enkel druïdische steenen en torens boven lage huisjes de aandacht trekken. Dat terrein van rotsen en moerassen en heiden, waar de wind vrij spel heeft, is het gebied van Penmarch, dat op een ondergegane wereld gelijkt. De volksfantazie heeft er een mooie stad geplaatst, met veel kerken en een bloeienden handel. Gustave Flaubert, die zijn indrukken opschreef over een reis door Bretagne, heeft herhaald, na Emile Souvestre, dat de straten ieder aan een bepaalden handel waren gewijd, de straat der goudsmeden, die der geldwisselaars, die der galanterieën enz. André Le Braz heeft niet veel moeite gehad, om den geringen grond voor die veronderstellingen aan te toonen, en ik ga de zaak niet opnieuw onderzoeken uit historisch oogpunt. Ik kan alleen vertellen, wat ik van hoorenzeggen heb.

Buitendien schijnt de natuur erop te wijzen, dat hier nooit zulk een groote stad heeft kunnen verrijzen en standhouden. Het aantal kerken doet er niet veel toe en haar grootte ook niet. Een kerk werd niet alleen voor een stad gebouwd, maar ook voor de omgeving. Een kerkelijke gemeente kon zeer groot zijn, al was ook de kerk slechts door enkele weinige huizen omgeven. Het was voldoende, dat de toren van verre zichtbaar was, en dat de boeren, in hun hutjes of werkend op den akker, de tonen konden hooren, hun door den zeewind toegevoerd. De wind wierp wel eens den toren omver, maar dan werd hij herbouwd, omdat hij iets heiligs was.

Maar het is niet waarschijnlijk, dat men met alle geweld een stad zou hebben willen bouwen, waar die toch niet kon blijven bestaan, op dien onvruchtbaren grond, gebeukt door wind en golven. Steden ontstaan op natuurlijke wijze aan den oever van rivieren, in vruchtbare dalen en op heuvelhellingen. Als het moet, vindt een dorp nog wel een plaatsje, onverschillig waar, als het maar in de buurt der bebouwde velden is. Overal waar de grond voor bebouwing geschikt is, verrijst een huis. Een tweede voegt zich bij het eerste, dan een derde; er vormt zich een groepje en men heeft het gehucht, het dorp. Het voetpad wordt tot weg verbreed, en de weg kan tot hoofdroute worden.

Geen stad echter zal ontstaan op een plateau, waar veel sneeuw valt, noch op een vooruitspringende rots, die aan de woede der zee is blootgesteld. Men zal dus denkelijk de belangrijkheid van Penmarch in den ouden tijd sterk overdrijven; de stad zou bij een hoogen vloed verzwolgen zijn of ten minste teruggebracht [83] tot de afmetingen van een bescheiden dorp of liever van enkele dorpjes en gehuchten. Maar alle watervloeden zouden niet kunnen teweegbrengen, dat hier vruchtbare grond was geweest en een omgeving, geschikt voor het bestaan van een groote stad. Aan den anderen kant kan echter een veilige, goed beschutte zeehaven een stad doen ontstaan. De booten roepen huizen en pakhuizen. Men kan dus zonder bezwaar, in plaats van een stad, die het geheele schiereiland overdekte, een groote stad aan zee veronderstellen met veel klokkentorens, een stad van visschers, reeders en kooplieden. Er wordt gesproken van vijftien duizend inwoners van Penmarch, van achthonderd schepen, die op de kust aan kabeljauwvangst deden. Zoo groot is ongeveer de beteekenis van Douarnenez en Concarneau, die ongeveer zevenhonderd schepen hebben. Nu zijn er zoowat tienduizend inwoners in Douarnenez en zesduizend in Concarneau. Het oude Penmarch heeft een stad van dien aard kunnen zijn. Maar de legende heeft er zich mee bemoeid. Men heeft onder het water een stad meenen te zien, nog ouder dan Penmarch, begraven in de golven. Dat is de stad Is, welker klokken men op sommige tijden hoort luiden. Vroeger werd de mis bediend op het schip, boven de golven, die een wereld begraven hadden, en wel voor de zielsrust der begravenen.

Een haven, schepen en kabeljauwvangst, die vormen het vaststaand verleden van de streek. De aanwezigheid van de kabeljauwen op de banken in de wateren van Penmarch had visschers gelokt, en hertog Jan V moest in 1494 een edict uitvaardigen, waarbij aan de landbouwers verboden werd hun huis en hof te verlaten, op straffe van de strop. Toch wilden allen fortuin maken, ten minste leven van die natuurlijke winst, desnoods door den handel in visch, het “vastenvleesch”, een handel, die meer voordeelen afwierp dan de landbouw op het schiereiland.

Emile Souvestre, die wat er verteld werd, heeft verzameld en er een geschiedenis van heeft trachten te maken, schrijft hierover: “Penmarch had toen een haven, gevormd door een lange pier, waarvan men de overblijfselen nog kan zien, en die van Kerity liep tot de rots La Chaise genoemd. Wat de stad betreft, zij bedekte het terrein, waar nu de kleine gehuchten Penmarch en Kerity liggen, zooals blijkt uit het puin, dat daar overal verspreid ligt. De groote uitbreiding der stad was oorzaak, dat men haar niet had versterkt, maar daar de ligging gevaarlijk was met het oog op de Engelschen en de zeeroovers, hadden de meeste rijke bewoners hun huizen voor aanvallen trachten te beschutten, door er een gekanteelden muur om te laten bouwen en er een toren op aan te brengen.

De ontdekking van de groote Newfoundlandbank voor de kabeljauwvangst was de eerste slag, aan Penmarch toegebracht. De stad behield echter nog haar handel met Spanje, handel in geweven stoffen, hennep, vee enz. Toen volgde de vreeselijke ramp, de groote springvloed, die de haven deed verzanden en oorzaak was van de verplaatsing der kabeljauwbanken. Toch gaat Souvestre voort: “In het begin van de 16de eeuw was het nog een belangrijke stad. Hendrik II stond in 1557 aan zijn gelukkigsten boogschutter het recht toe, onbelast vijf en veertig vaten wijn te verkoopen, een voorrecht, dat Rennes en Nantes niet hadden kunnen verwerven. Maar tegen dien tijd begonnen de zeeroovers meer aanvallen te doen en brachten der stad groote schade toe”. Ten slotte noemt Souvestre een ramp, misschien een springvloed, die driehonderd booten deed schipbreuk lijden, op elk waarvan zich zeven man bevonden. Veel kooplieden verlieten toen Penmarch met al wat zij bezaten, om zich te gaan vestigen te Roscoff, Quimper, Brest en Audierne.

Tijdens de Ligue wilden de bewoners zich bij geen enkele partij aansluiten; zij bouwden een fort te Kerity, stelden enkele der op de gevaarlijkste plaatsen gelegen huizen in staat van verdediging en veranderden de kerk van Tréoultré in een arsenaal en een schuilplaats voor de vrouwen, kinderen en grijsaards. Dit was niet voldoende, om Fontenelle tegen te houden, die door list de stad binnendrong, waar zijn volk zonder mededoogen plunderde en moordde. Moreau zegt, dat de heftigste moordtooneelen in de kerk plaats hadden, waar de bedden der stedelingen tot bij het altaar stonden. De rooverhoofdman liet naar het eiland Tristan in de baai van Douarnenez driehonderd booten met buit brengen. Ondanks die ramp ging Penmarch niet aanhoudend meer achteruit.

Op het tijdstip, toen Souvestre zijn reisverhaal deed, telden de beide dorpjes slechts achttienhonderd inwoners; nu wonen er zesduizend. Men heeft te Kerity en te Saint-Guénolé visschersbooten en sardinebereiding. Er zijn uit den tijd, dien wij hebben opgeroepen, nog enkele oude huizen over, die hun gordel van verdedigende muren hebben behouden en ook torentjes bezitten. Er zijn ook zes kerken of kapellen, waarvan Sint-Nonna de voornaamste is. Een opschrift boven de deur vermeldt: “Op den dag van den Heilige Renatus in 1508 werd deze kerk gesticht, en de toren in het jaar 1509”. Het gebouw ziet er massief en indrukwekkend uit en is versierd met grappig beeldhouwwerk, figuren, druiventrossen, scheepjes. Het heeft een grooten vierkanten toren met slanke torenspits. Binnen in de kerk vindt men een gebeeldhouwd doopvont en een schilderij bij het hoofdaltaar, voorstellend het bezoek van Lodewijk XIII te Penmarch. De kerk van Kerity, die het oudst is, heeft als buurvrouw de kerk van de Tempeliers, die in zeer slechten staat is, maar toch nog stevig in elkaâr zit.

Ik heb al gezegd, dat er hier veel kerken zijn, de Sint-Pieterskerk, de Notre Dame en de Saint-Guénolé, een der mooiste met haar vierkanten toren, haar kijkgaten voor de bewakers en haar deur met gebeeldhouwde scheepjes. Doch er zijn heel andere versterkingen aan het strand der zee, reuzengroote, vlakke steenen, waar de golven over bruisen, grillig uitgetande rotsen, waar de zee tegen breekt. Bij laag water zijn het velden met verspreide steenbrokken, gelijkend op kudden van dieren, die er weiden of er hun prooi beloeren. Als de vloed opkomt, krijgt men den indruk van een voortdurend werkende, onweerstaanbare macht. De vloed komt eerst met kleine witte randjes, die het zand omzoomen als met [84] witte kant. Dan neemt de beweging toe, de wind stuwt de golven op, de golven worstelen tegen hinderpalen, en langzamerhand schijnen van den verren horizon reusachtige golven op te komen, de “witte paarden van de zee”, waar een grieksch dichter van spreekt. Nu moet er worden opgepast. De golven zijn vraatzuchtig, zelfs in tijden van mooi weêr. Er komen slechts kleine rimpelingen aan de oppervlakte, regelmatige golfjes, die harmonieus op elkander volgen, en waar men voor kan wegloopen, als zij wat hoog komen of haast maken en teveel terrein winnen.

Maar er is iets anders. Onder de kalmste zee, bij den vriendelijksten zonneschijn, als een zachte koelte alles liefkoost en de vlinders uit de heggen aan het strand der zee komen vliegen tot boven de eerste golfjes, die met het zand spelen, kan zich in open zee op groote diepten een onmetelijke golf vormen, die haar beweging vervolgt, zonder zich door iets te verraden op de altijd kalme oppervlakte. Plotseling rijst dan die verborgen golf omlaag, heel dicht bij het strand, wordt hooger en hooger, tot zij reusachtig is en zwaar en op het land neerploft met onweerstaanbare kracht, alles verpletterend en meesleurend. Zoo werden op een dag in den herfst, October 1870, de vrouw van een ambtenaar uit Quimper met haar dochtertjes en de kindermeid, in ’t geheel vijf personen, van een vlakken steen aan het strand, waar zij zich volkomen veilig waanden, meegesleurd naar de open zee. Er is een kruis in de rots gespijkerd als herinnering aan die gebeurtenis.

Vulling van de blikjes sardines.

Vulling van de blikjes sardines.

Bij Penmarch ziet men den oceaan reeds in zijn volle kracht, zonder dat iets hem tegenhoudt. Vooruit staat Torcherots, een hol geraamte, waarin de zee weerklinkt als in een schelp. Bij de Philopenrots laat men u een grot zien, waar Girondijnen zich in 1793 hebben verscholen. Men is ook inderdaad te Penmarch aan het eindje van de wereld, en men moet wel op zijn schreden terugkeeren, als men de kust niet wil volgen tot Audierne. Ik moet trouwens naar Quimper. Dien weg langs de kust wil ik een andere maal in tegengestelde richting volgen, als ik van Audierne kom. Men kan toch niet altijd tusschen groote steenen leven en het is mij aangenaam, eens weer naar een echte, groote stad te gaan, waar wat meer te genieten valt dan te Penmarch, juist als men na een zeker aantal dagen, in een stad doorgebracht, blij is naar een rustige streek te vertrekken.

Dus vooruit naar Pont-Labbé des avonds, en van daar naar Quimper per spoor. Ik ben er aangekomen in den avond, dus heb ik den eersten aanblik van een mooie stad in ’t volle daglicht gemist. Doch dien kreeg ik den volgenden dag, een Zondag, en ik heb de sobere genoegens van dien dag met voldoening genoten, mij amuseerend met militaire muziek en met de families van de militairen: papa’s, mama’s en jonge meisjes, sterk zich bewust van de contrôle waaronder zij worden gehouden! Wie zal de kleine drama’s tellen en de groote comedies, die daar worden afgespeeld op zoo’n marktplein in een provinciestad, terwijl het koper zich waagt aan marschen en ouvertures van opera’s.

Maar laat ons over Quimper spreken, de oude hoofdstad van het graafschap Cornwallis, aan de samenvloeiing van de Steir en de Odet tegenover het exercitieterrein.

Het eerste feit, dat de geschiedenis van Quimper verhaalt, is een opstand van de plaats tegen het romeinsche juk aan het einde van de 14de eeuw, toen zendelingen beproefd hadden de bewoners tot het christendom te bekeeren. De zendeling werd bisschop, en dit was het begin van de macht der geestelijkheid in dit land; het gezag der bisschoppen [85] werd zoo groot, dat zij in de elfde eeuw over de stad een onbeperkt gezag uitoefenden en den naam van heeren droegen, rechtstreeks onder den hertog geplaatst, met een staf, die zoowel in het tijdelijke als in het eeuwige alles bestierde. De stad, die in de 13de eeuw door Pierre de Dreux versterkt was, werd ingenomen en in 1344 geplunderd door Karel van Blois. Montfoort sloeg er het beleg voor in het volgend jaar; hij werd afgeslagen, maar zijn zoon werd er ontvangen en erkend. Bij het oproer van 1489 versloegen de gewapende boeren de Spanjaarden, die Quimper te hulp waren gekomen, plunderden hun tenten, en daarna werden de opstandelingen op hun beurt verslagen door de hertogelijke troepen in de velden rondom Pont-Labbé.

Een oude visscher.

Een oude visscher.

Quimper is een licht en vroolijk stadje, schilderachtig door zijn oude wijken, die met de nieuwe afwisselen. Eerst was het alleen op den rechterover van de Odet gebouwd, smal bij de Steir en voorzien van kaden. Maar de noodzakelijkheid maakte, dat de stad zich uitbreidde op den linkeroever, waar men nu rechte en breede straten vindt met fabrieken, werkplaatsen en woonhuizen, overal met brugjes, om van den eenen oever naar den anderen te komen.

In 1901 is in de stad een kunstmuseum voor den godsdienst opgericht; men vindt er beeldhouwwerk, schilderijen, geschilderde kerkglazen, borduurwerk en heilige boeken. In ’t stadhuis is een rijke bibliotheek, met ongeveer dertig duizend deelen, waaronder veel zeldzame uitgaven, zooals een bretonsch woordenboek, een der oudste die bekend zijn, te Tréguier gedrukt in 1499. Het museum heeft ook buiten beeldhouwwerk en schilderijen archaeologische verzamelingen en belangrijke collecties ethnografica, waarvan een deel geschonken is door den heer Silguy. De heer Bougeard heeft aan de stad een schoone collectie gravures geschonken.

De oude gebouwen zijn er talrijk; het Sint-Katharinahospitaal dateert van 1645; het lyceum, nog altijd in de gebouwen van het Jezuietencollege is onder Lodewijk XIV gesticht; de kerk van Locmaria, een voorstad van Quimper, is van de elfde eeuw, de kerk van den H. Mattheus van de 13de, en dan is er nog de kathedraal van Quimper, een der mooiste bouwwerken uit Bretagne. Als men er naar ziet van uit de Groote Straat, die smal is en met vooroverhangende gevels een zeer mooien indruk maakt, is het een imposant en rijk gebouw. Van het plein gezien, maakt het een nog beteren indruk. Sommige gedeelten zijn uit de eerste helft der 13de eeuw. De spitsen, die modern zijn en van 1854 dagteekenen, passen uitstekend bij de torens uit de 14de eeuw. Het geheel vormt een der schoonste gothische bouwwerken uit Bretagne.

Door de oude straten wandelt men verder naar de kade langs oude huizen met veel beeldhouwwerk, terwijl op den drempel de eene of andere vrouw, in gedachten verzonken, den nieuweren tijd te binnen brengt. Maar laat eens een buurvrouw of een toevallige voorbijgangster een praatje beginnen, dan wordt de peinzende een drukke babbelaarster. Al die menschen uit de straten van Quimper, het personeel, dat kleine handelsbelangen heeft, huisvrouwen, die op de Woensdagmarkt inkoopen gaan doen of op de kermissen van den derden Zaterdag van iedere maand, jonge arbeidsters uit Locmaria, allen zijn vlug en vroolijk. Ik heb enkele dagen gewoond in een der kleine straten tusschen de Steir en de Odet, en daar heb ik tegen het vallen van den avond, als ieder rust neemt en verademing zoekt na de volbrachte dagtaak, hetzelfde gevoel gehad als te Morlaix en te Quimperlé, bewonderend den goeden, opgewekten geest. De verdiensten zijn gering; maar de menschen hebben weinig noodig, en hun gelukkige aard doet de zorgen vergeten. Men behoeft den gang en het gelaat der vrouwen maar te zien, om den opgewekten en toch zachten geest waar te nemen van de vrouwen en meisjes, klein, een weinig dik, meestal flink gebouwd en met heldere, open oogen.

Van af den berg Frugy heeft men onder de mooie beuken, die er heerlijke lanen vormen, een prachtig uitzicht op de stad, de kaden, de beide rivieren en de omstreken. Quimper is het middelpunt van een groen land. Uit dicht opeenstaande daken stijgt blauwachtige rook omhoog; de groote kathedraal schijnt als een groot schip op de zee van lage daken te drijven. Dichterbij ziet men de voorstad Locmaria.

Daar wordt het bretonsche aardewerk gemaakt. Er is veel namaaksel, en dikwijls ontmoet men teekeningen en versieringen, afkomstig uit Rouaan. Maar er is ook een originaliteit, en die vind ik in de gewoonste dingen. Men kent, omdat men ze in alle steden van Bretagne heeft gezien en ze ook in de parijsche winkels heeft ontmoet, borden en inktkokers, [86] wijwaterbakjes, schotels, kandelaars en al die andere voorwerpen, die de reizigers blij zijn aan te treffen, en die zij meenemen als herinneringen aan de doorreisde streken. Maar er zijn ook doodgewone borden, zooals ik er voor een kwartje gekocht heb op de markt en die toch bekoorlijk zijn van levendige harmonische kleuren, op de manier van veldbouquetten dooreengemengd. Ik heb ook kopjes gezien in den vorm van klaverblaadjes met blauwe versierselen. Onder de beeldjes ontmoette ik veel Heilige Anna’s en Maria’s en heiligen in den vorm van kandelaars, geknield soms en in hermelijn gekleed, met een bril op den neus.

Er wordt niet enkel aardewerk te Quimper gemaakt, maar ook porselein; dan worden er metalen bewerkt en leder; er wordt bier bereid en men kan er ingemaakte voedingsmiddelen krijgen; er wordt koren gemalen en op enkele kilometers afstands, te Ergué-Gaberic, is een groote papierfabriek. De handel is vooral graanhandel; ook wordt er handel gedreven in was en honig, linnen en touw, vee en boter.

Buiten Quimper is de omgeving allerliefst. Deze streek alleen zou al voldoende zijn, om de al te veel verbreide meening te niet te doen van de eentonigheid van Bretagne’s binnenland. Hier niet de gelijkheid van de landes en ook niet de trotsche natuur van La Forêt. Laat men maar eens de Odet volgen, niet naar de monding, maar stroomop; men zal dan spoedig te Stangala blijven, doel van alle wandelaars uit Quimper, die wat meer verlangen dan het zondagsche militaire concert. Dat is een alleraardigst plaatsje met overvloed van bloemen, die op rotsen groeien, zoo mooi, alsof men opzettelijk tuinen op het gesteente had aangelegd.

Verscheiden malen ben ik naar de in zee ver uitstekende punt du Raz gegaan, toen de spoorweg nog niet tot Audierne liep, en langs verschillende wegen, maar altijd met Douarnenez als uitgangspunt. Eerst is er een weg over Comfort, Pont-Croix, Audierne, dat is zelfs de ware weg, de eenige, de klassieke weg naar du Raz. Buiten dien weg zijn er alleen voetpaden en dwarswegen; dus gaan rijtuigen en voetgangers, die wel eens een herberg willen aandoen, er alle over. Ik voor mij volgde een andere route, mooier naar mijn smaak, langs de kust over Tréboul, waar ik de zee heb zien zegenen door de priesters, en over Beuzec.

Toch is de weg over comfort en Pont-Croix niet zonder bekoring en ook niet oninteressant. De natuur is er ernstig, zelfs somber, maar men komt ook geen lachende landschappen zoeken bij du Raz. Trouwens de vroolijkheid en de somberheid van een landschap zijn betrekkelijk. Zij hangen van de stemming van den reiziger af, van toevallige ontmoetingen, van een zonnestraal, die door den grijzen hemel breekt en de bloemen der distels doet schitteren boven de vale kleur van den grond. En dan, hoe schunnig en armoedig ook een gehuchtje is, dat men passeert, ’t is toch altijd een vereeniging van menschen, die hun huizen bij elkander plaatsten, om samen ’t lot het hoofd te bieden.

Met ziet vrouwen en kinderen op de drempels der huizen, mannen, die van het land naar huis komen; men kan eens een winkel binnengaan, een groet met menschen wisselen en een oogje slaan op wezens, die nuttig werk verrichten en gevoel van solidariteit bezitten. Om te Audierne te komen, behoeft men slechts den weg te volgen, die langs de rivier loopt. Dan plotseling maakt die een bocht, en de weg gaat stijgen; men ziet een visschersdorp met huizen langs de kade en heel veel booten. Bij mijn eerste reis heb ik gelogeerd in een klein hôtel aan de kade, bestuurd door het echtpaar Batifoulier. De Batifouliers waren geen Bretagners, maar Auvergnaten; er zijn veel Auvergnaten in Bretagne en allen hebben de gemeenschappelijke kenmerken van het keltische ras.

De Auvergnaat is meer handelsman en zuiniger is hij ook, zoodat het hem meestal beter gaat in zaken. Maar Batifoulier was beroemd om iets anders; hij had zijn bekendheid te danken aan zijn persoon, en inderdaad was hij, dunkt mij, een eenig type. Hij was lang, maar niet daardoor trok hij de aandacht; zelfs leek hij, oppervlakkig beschouwd, van gewone lengte. Maar hij was buitengewoon breed; ik zou haast durven zeggen, dat hij even breed als lang was, een bewegende toren en een, die langzaam bewoog, een olifant of een hippopotamus, dien men gekleed had in een broek en buis en met een klein hoedje. Alle vergelijkingen met groote gebouwen en zware beesten kwamen iemand in den zin, als ze dien forschen man zagen met zijn enorme ledematen. Maar het gezicht! Ik heb nooit zoo’n groot gezicht gezien met zijn twee reuzenwangen, een waterval van kinnen, een knevel en een puntbaard en alles vrij regelmatig, met kleine boosaardige oogjes in die vetmassa. De kleur was niet rose, ook niet rood, maar paars.

Die kolossus had tot vrouw een oud, in ’t zwart gekleed mensch, met een zwart doekje om het hoofd en een mager lijfje. Zij bestuurde de zaak en ze deed dat goed. Hij, Batifoulier, was een volmaakte waard; zijn huis en hij waren één. Men moest hem zien op het trottoir, als hij belde voor de maaltijden. Met hoeveel overtuiging ging dat. Nooit zag een redenaar op de tribune, een priester bij het altaar er ernstiger uit. Dus men kan begrijpen, hoe het was, als hij voorzat aan de table d’hôte, want hij gebruikte zijn maaltijd met de gasten. In het midden van de tafel gezeten, drie plaatsen vullend voor zich alleen, diende hij den gasten de koolsoep voor en zat voor bij de maaltijden der ambtenaren, die er geregeld tweemaal per dag kwamen.

Hij presenteerde ook de sardines, wijzend, hoe men die moest eten, in één hap ze verslindend, na kop en graat behendig te hebben verwijderd. Hoeveel at hij ervan? Dat weet ik niet. Maar ’t was afgrijselijk. En het kwam mij voor, dat de booten, welker masten ik gezien had in de haven vóór ’t hôtel, alleen daar kwamen, om sardines te lossen, bestemd den honger te stillen van den auvergnaatschen reus. Hij sneed ook het gebraad voor en schonk den appelwijn. Goedig van aard en zeer voorkomend, trotsch op zijn rol in ’t leven, had hij bij het waarnemen der honneurs van zijn huis iets van den grand seigneur, van Porthos, den musketier, ontsnapt uit de grotten van Locmaria en hotelier geworden te Audierne. [87]

Men had het dus goed bij Batifoulier, ondanks de sardines aan alle maaltijden, en die men niet kon weigeren onder de allesziende oogen in het groote, paarse gelaat. Er werden ook heerlijke dingen gebraden in den jachttijd, en alle ambtenaren van de belasting en de griffie en de politie waren, dat begrijpt men, niet achterlijk in ’t vertellen van hun jachtavonturen.

Dan had men er de zee in de buurt, die heel uitlokkend was, die ongebogen lijn van de Audierne-baai, die van kaap du Raz tot de Torchebaai gaat en de rotsen van Penmarch. Van de pier, die moedig in de open zee is uitgebouwd, heeft men een prachtig gezicht op de open baai. De haven is niet van zooveel beteekenis als Douarnenez en Concarneau. Er zijn niet meer dan honderd visschersschepen te Audierne; maar ze zijn voldoende om levendigheid te brengen, als ze uitgaan of thuiskomen of stil liggen in de baai.

Ze zijn bemand met ruwe kerels, die stil en bedaard zijn bij hun werk, maar die luidruchtig en geweldig zijn des Zondags en op vrije dagen, als ze herberg in, herberg uit loopen. Ik herinner mij een Zondag, toen ik was gaan wandelen naar Plouhinec aan de overzij van de rivier Goayen. Daar ik mij wat verlaat had, ging ik niet weer den omweg over de brug, maar wou den overtocht doen met een bootje van een man uit Audierne. Ik kreeg gauw spijt van dat besluit en dacht honderdmaal, dat we op dat korte eindje naar den kelder zouden gaan met het bootje vol dronken menschen, dat tusschen andere luidruchtige bootjes door moest varen. Voor ’t vervolg ging ik liever des Zondags naar Plouhinec terug langs den langsten weg. En ik ging nog verder dan dat tusschen een overvloed van steenen liggend dorp, altijd langs de kust, den weg der douane volgend. Het is een troostelooze route. Ik heb er, geloof ik, wel een dag geloopen, zonder een menschelijk wezen te ontmoeten buiten de weinige dorpen, en die dorpen zelf maakten ook nog den indruk van eenzaamheid, zoo somber waren ze met alle mannen op zee, alle vrouwen op het veld en kinders op de drempels van de huizen. Achter een toonbank soms een vrouw, en hier en daar een paar gezichten achter de ramen.

Om bij een dier dorpen te komen, moest men zich van de zee verwijderen en langs een pad gaan tusschen steenen muurtjes of over een dorre vlakte met het weinige groen, dat de scherpte van den zeewind kan verduren. Men zag alleen hier en daar een armoedig aardappelland, waar men kon zien met hoeveel moeite de landman wat voedsel haalde uit dien misdeelden grond.

Een dier dorpen was Plozenet, dat bijna niet den naam van dorp verdiende. De huizen staan er om een kerkje geschaard, en even voorbij Plozenet naar den kant der zee draagt een groote gedenksteen van wel vijf meter hoogte een opschrift, dat de schipbreuk in de herinnering roept van ’t schip de Droits de l’homme in 1797. De schipbreukelingen werden door de zee verzwolgen, en velen van hen, op ’t strand gespoeld, zijn hier begraven bij den menhir van de Rechten van den Mensch. Het opschrift luidt: “Hier bij dezen Druïdensteen zijn ongeveer zeshonderd schipbreukelingen begraven van het schip De Rechten van den Mensch, gestrand in den storm van 14 Januari 1797. Majoor Piron, te Jersey geboren, die op wonderdadige wijze aan de ramp ontkwam, is naar deze plek teruggekeerd op 21 Juli 1840, en toen hij daartoe de toestemming had verkregen, heeft hij op den steen dit getuigenis van zijn dankbaarheid laten graveeren.”

Daarna keerde ik terug naar het strand, dat kaal was als te Audierne, met wit zand en groote rolsteenen en hier en daar een kleinen inham of een nietig dal, waar planten groeien en zacht gras. Ik bleef een dag te Plovan, toen te Treguennec en in de Onze-Lieve-Vrouwenkerk te Tronoën, waar ik in de schemering aankwam. Het was echter nog licht genoeg, om het kerkje te zien en den lijdensberg, den oudsten van Bretagne, met twee rijen van beelden en daarboven de drie kruisen.

Daar bespeurde ik, dat ik dichter bij Penmarch was dan bij Audierne, waar ik zou logeeren, en ik besloot naar Pont-Labbé terug te gaan, waar ik gemakkelijker een rijtuig zou kunnen krijgen naar Audierne. Op den terugweg waren mijn gedachten vol van de zee, de nimmer vervelende, die zooveel prettiger onze droomen begeleidt, dan de onbewegelijke dingen doen, zoodat er een soort van verwantschap moet bestaan tusschen haar en onze diepste gedachten. De reden van onze liefde voor de zee moet zijn, dat zij het schouwspel biedt van altijddurende beweging, als was zij de steeds onrustige ziel der golven. “De oceaan spreekt tot de gedachten”, heeft Victor Hugo gezegd, en hij helpt ons inderdaad de raadselen en problemen van dit moeilijk leven te ontcijferen. Ik voelde dat alles aan dit strand van Bretagne, toen ik mij verder begaf van Audierne naar Esquibien en Saint-Tugean, waar de gothische kerk in een reliekenkastje een ijzeren sleuteltje bezit, dat aan Saint-Tugean heeft behoord en waarmee kleine broodjes worden doorboord, die dienen om dolle honden op de vlucht te jagen. Met het sleuteltje bewaart men er ook de tanden van den heilige in een kaak van verguld zilver, die men slechts behoeft aan te raken, om van kiespijn te genezen. Ter eere van den heilige dragen nog verscheiden mannen in die streek een sleutel, geborduurd op den rug van hun jas en hoeden, waar een looden sleutel aan een lint bij neerbengelt.

Tot hier toe heb ik niet anders gezien dan wat eiken en dennen. Na Saint-Tugean en Primelin zijn die er niet meer. Er zijn windmolens, want het waait op de hoogten, van waar men de schuimende zee overziet. Ook zijn er dolmens, en het dorp Plogoff, gesticht door den heiligen Collédor, bisschop, die kluizenaar geworden was en die hier gelukkiger zich voelde dan aan het hof van koning Arthur. Plogoff is geen onaardig dorp. Verbeeldt u de huizen verspreid over de heuvels; hier één huisje, daar een paar andere, drie of vier ginds en een half dozijn rondom het kerkje. Te Lescoff heeft men voor het laatst zulk een huizengroep vóór kaap du Raz.

Nog twee kilometer door de landes, en men komt aan den vuurtoren. Dit is nog niet het eindje der wereld, want men krijgt nog het eiland Sein, en ’t is zelfs niet de laatste vuurtoren, want in de wijde [88] zee staan nog de vuurtoren La Veille met groen licht, de Tevennecvuurtoren en die van Armen, ook in de open zee gebouwd vóór ’t eiland Sein. Maar dit is het eind van het vasteland en ’t verste punt van Bretagne met Saint-Mathieu.

Deze eerste maal, dat ik naar du Raz ging, heb ik allereerst dien vuurtoren bewonderd op de hooge kaap, en ik heb mij vermaakt met een gesprek met een der wachters. Het was een man, die al grijs werd, en nog altijd trouw zijn wachterstaak vervulde tusschen hier en den toren in de open zee. Hij las couranten, had boeken, drukte zijn meening zeer verstandig uit over wat er in de wereld voorviel, en ik was zeer verbaasd, toen ik later vernam, dat die kalme, rustige man krankzinnig was geworden en dat hij de misdaad had begaan, zijn vrouw te worgen, die op een dorp bij de kaap woonde.

Ik herinner mij nog, of het gisteren was, hoe hij mij zorgvuldig geleidde en tot gids diende bij mijn wandeling om de kaap. Dat is niet gevaarlijk voor wie vast van voet is en niet aan duizelingen lijdt; maar dan moet men nog met zorg de steenen uitkiezen en de trappen, die den omgang mogelijk maken om het enorme, verweerde rotsblok vol spleten en afgronden. De weg is niet gemakkelijk en er is maar één weg. De straatjongens, die ons volgen, geven er echter niet om, laten zich langs de hellingen afglijden, houden zich vast aan vooruitstekende steenen, verdwijnen in holten en komen op eenmaal weer te voorschijn, alsof ze een luik oplichten, en maken al die gymnastische toeren, waar ik wel voor zou bedanken, om mij een bouquetje welriekende, gele bloemen te brengen, geplukt op de helling van een gapenden afgrond.

Kerkhof op het eiland Sein.

Kerkhof op het eiland Sein.

Ik kan die oefeningen niet meemaken; dat heeft mij het draven door de straten van Parijs niet geleerd. Dus volg ik voorzichtig mijn metgezel, die mij aanwijzingen geeft en mij soms bij de hand neemt, als het pad te glad en te moeilijk is. Het begin der reis valt het zwaarst langs het noordelijk deel der kaap. Dat is ook het mooiste gedeelte, namelijk het meest grootsche en schrikwekkende. De Hel van Plogoff is een gat, waar het gevaarlijk zou zijn in te storten; de roode wanden van de kloof zouden nergens den val breken, en de zee daarbeneden met haar golven en haar schuim en haar donderend geweld doet denken aan een troep wilde beesten, opgesloten in een te enge ruimte, wier woede naar een prooi verlangt.

Het schouwspel van dit punt is over de zee niet zooveel dreigender dan van Penmarch; maar hier is alles op één plek geconcentreerd, terwijl Sein in de buurt is, en de woedende zee tusschen dat eiland en het continent. Dat is een eenig en aangrijpend schouwspel, die woede van de zee tusschen het vasteland en het eiland, waar de zee onbeschrijfelijk heftig is. Het verrast, als men er toch visschersbooten en groote schepen ziet passeeren. De mensch levert er een bewijs van zijn moed en zijn verstand. Hij vertrouwt zich toe aan het razend snelle water, omdat hij het in al zijn grillen en nukken heeft leeren kennen.

Enez Sizun heet het eiland Sein, de legendarische verblijfplaats der druïdische priesteressen. Het is een rots, die al meer door de zee wordt afgebrokkeld, met een vuurtoren erop en een kleine haven voor reddingbooten en voor een dertigtal visschersschuiten. Daarbij zijn de kleine huisjes van het dorp gebouwd. Hevige stormen zijn gedenkwaardig gebleven in de geschiedenis van Sein, waar het licht, dat wijd uitschijnt over de zee, het einde van Bretagne aangeeft.

Taormina

Door Johanna G. Lugt.

Io voglio il sole, io voglio il sole ardente.

Annie Vivanti.

Gezicht op Taormina.

Gezicht op Taormina.

Wanneer men Italië herhaaldelijk heeft bereisd en zich eenigszins gemeenzaam heeft gemaakt met zijn volk en zijn taal, met zijne zeden en gewoonten, wanneer men daarbij zijn hollandsche pietluttigheid heeft achtergelaten en zich heeft afgewend om met laatdunkendheid op het eerste gezicht iedere plaats over de grens “een vuil gat” te noemen, wanneer men in het italiaansche volk iets anders heeft leeren zien dan een volk van bedelaars en men op prijs heeft leeren stellen zijn vriendelijkheid, zijn beleefdheid, zijn vroolijkheid, in één woord wanneer men is gekomen onder de bekoring van het zonnig Italië, dan begrijpt men eerst recht den hartstocht van de in Engeland geboren en opgevoede dichteres Annie Vivanti voor haar eigenlijk vaderland en voor haar italiaansche zon, dan begint men iets te gevoelen van haar “ebbrezza del sole”, van haar “zonneroes”.

Als die zon opgaat achter de bergen van Calabrië en haar schitterschijf langzaam komt kijken over den hoogen Aspromonte, dan is almee het eerste wat zij ziet het liefelijk Taormina aan de Oostkust van Sicilië tusschen Messina en Catania.

Hoog boven de zee, gekleefd tegen de rotsen, ligt het daar te wachten om zich opnieuw te verkneukelen in het zonnetje dat straks zijn druiventrossen zal komen rijp stoven, zijn oranjebloesem zal laten geuren, zijn lucht zal komen verwarmen, het zal maken tot een paradijsje op aarde.

Wilt gij een onvergetelijken indruk opdoen, kom dan eens vroeg uit de veeren, zoo tusschen vier uur en half vijf, trek de hoogst noodige plunje aan en spoed u naar de hoogte boven het Teatro greco. Verzuim echter niet den vorigen dag kennis te geven van uw komst aan den “Custode” daar gij anders het hek gesloten zult vinden van dit “monumento nazionale”. Maar hebt gij hem kennis gegeven dan zal hij niet aarzelen vroeg voor u op te staan en te zorgen dat gij het hek open vindt, ook zal hij u niet boos aankijken als gij hem daarvoor een [90] lira in de hand drukt, wie weet of gij, verrukt over hetgeen gij gezien hebt, hem straks niet twee lire zult toestoppen.

Zet u nu eens rustig neder op het hoogste punt, dáár waar vroeger het volk een plaatsje vond, eerst bij de grieksche drama’s, later bij de wilde en bloeddorstige romeinsche schouwspelen, en wacht nu eens op de dingen die komen zullen.

Beneden u is het water van de Straat van Messina nog donker van kleur, de kustlijn strekt zich naar beide zijden uit noordelijk tot Kaap Sant’ Alessio, zuidelijk tot Kaap Schisò en is nog weggedoezeld in de flauwe ochtendschemering. Maar in het Oosten boven Calabrië begint de hemel reeds een lichtgeele tint aan te nemen, allengs gaat die tint over in oranje, van oranje wordt zij goud, het water beneden u krijgt meer en meer die diep azuurblauwe kleur die het tot zonsondergang zal behouden, de zon is op het punt boven de bergen te verrijzen. Haar stralen schieten reeds in alle richtingen boven de scherp geteekende berglijn uit, de hooge top achter u, waarop het dorp Castelmola ligt, is reeds schitterend verlicht, langzamerhand wordt de geheele atmosfeer om u heen een en al vuur, de zon verschijnt boven de bergen.

En zoo is zij er dan weer, de zon van Italië, de zon van Taormina! Reeds voelt gij haar warmte en werpt gij de sjaal af die gij voor de ochtendkoelte had medegenomen. Zie nu eens om u heen! Aan uwe voeten het teatro greco, met zijn reusachtige afmeting, zijn heele en halve zuilen, zijn nissen en doorgangen, zijn scena en zijn orchestra, hoe verplaatst het u in eens in de klassieke tijden der Grieken, in de historische tijden der Romeinen. Recht voor u door de groote opening van de Scena ziet gij den kolossalen kegel van de Etna, met haar rookpluim overhellend naar het N.O. Diep onder u Giardini, het spoorwegstation van Taormina, iets verder het dorp Calatabiano en daar tusschen het stroompje de Alcantara, dat zich in zee stort. Westelijk op gindsche rotspunt Castelmola, een armoedig doch schilderachtig dorp dat als een steenen kroon geplaatst is op den top van een berg, zoodat men al evenmin begrijpt hoe de bewoners er komen als wat zij er uitvoeren. Onmiddelijk onder u eindelijk schittert thans in de felle ochtendzon het huizencomplex van Taormina met zijn duomo en kerken, zijn hôtels en ruïnes. Reeds begint het aardige plaatsje teekenen van leven te geven, het hanengekraai wordt gevolgd door het balken van talrijke ezels die er reeds naar verlangen de bezoekers op hunne geduldige ruggen de bergen op te dragen naar Castelmola of Monte Venere of naar ieder ander punt waar men van het heerlijke vergezicht wenscht te gaan genieten. Hier en daar wordt een deur geopend, er komt leven en bedrijf in de straten, Taormina is ontwaakt.

Wij spoeden ons terug naar ons hôtel om ons te kleeden en, na een echt italiaansch ontbijt met versche vijgen en druiven of wat de tijd van het jaar oplevert, maken wij ons op om te gaan genieten van het vele dat Taormina te genieten geeft. Wij bevinden ons hier op klassieken bodem. Taormina heeft eene geschiedenis zooals geheel Sicilië, het Trinacria der ouden, er eene heeft. Laten wij, alvorens onze wandeling te beginnen, ons eerst door de “Guida di Taormina” zéér vluchtig op de hoogte laten brengen van die geschiedenis.

Naar alle waarschijnlijkheid was Taormina reeds ruim 700 jaar v. C. de acropolis van Naxos, terwijl een versterking der Cartagers als de eigenlijke grondslag van het tegenwoordige Taormina mag beschouwd worden. (392 v. C.).

Aan de vele oorlogen tusschen Cartagers, Messineezen, Syracusers en de overige Sicilianen, ontsnapte Taormina niet; voortdurend was het de dupe van den strijdlust der omwonenden, die het afwisselend in bezit namen, met den grond gelijk maakten en weer opbouwden.

Gedurende het beleg door Marcellus in 241 v. C., in welk beleg Archimedes zulk een groote rol speelde, verleende Taormina doortocht aan de Romeinen op voorwaarde bevrijd te blijven van romeinsch garnizoen en vrijgesteld te worden van het leveren van schepen aan Rome, waarop de Romeinen na Sicilië te hebben veroverd, Taormina onafhankelijk verklaarden.

Twee eeuwen later, 36 v. C. werd Taormina, dat zich vóór Pompejus en tegen Octavianus had verklaard, de basis van Pompejus’ oorlogsoperaties en ’t was juist op de zee vóór Taormina dat Octavianus in persoon Pompejus versloeg in den later zoo beroemd geworden zeeslag. Sicilië kreeg toen een constitutie, maar Taormina, door Octavianus gehaat, werd tot romeinsch garnizoen gemaakt en bleef toen vele jaren in de geschiedenis een ondergeschikte rol spelen.

Na den ondergang van het romeinsche rijk bleef het door zijn ligging langen tijd bevrijd van de aanvallen der Saraceenen.

Die naam van Saraceen werd aan de Arabieren gegeven en is afgeleid van het arabische woord sarako dat stelen beteekent. Nog heden ten dage wordt in Taormina het woord Saraceen als een scheldnaam beschouwd.

Na in 902 n. C. toch eindelijk in handen der Muzelmannen te zijn gevallen, kwam het in 1078 in de macht der Noormannen, nam het in 1282 deel aan de Siciliaansche vespers en ruim anderhalve eeuw later aan den burgeroorlog onder de regeering van Lodewijk van Aragon.

In 1535 door Karel V verkocht wist het zich dadelijk weer vrij te koopen.

Onder de regeering van Karel II werd Taormina in 1675 door de Franschen stormenderhand genomen, doch vanuit het kasteel Mola door de Taormineezen zelf beschoten die hunne stad heroverden en van de vreemde indringers bevrijdden.

Tengevolge van den vrede van 1720 kwam Sicilië in het bezit van Oostenrijk en later van de spaansche Bourbons.

In 1806 hadden de Engelschen in Taormina een sterk garnizoen.

Met de italiaansche omwenteling van 1848–1849 liet Taormina zich weinig in, doch in 1860 op den 9 April ontscheepte zich Garibaldi op het eiland Sicilië, dat toen van de overheerschers werd verlost en voor goed bij het Koninkrijk Italië werd gevoegd. [91]

Geen wonder dat de vele volken die achtereenvolgens op dit plekje grond zijn gevestigd geweest daarop hun stempel hebben gedrukt en hunne herinneringen hebben achtergelaten.

Het allerschoonste en interessantste op dit gebied is zeker het reeds vermelde Teatro Greco. Maar voor wij dat van naderbij beschouwen willen wij, zooals aan nieuwe bewoners eener plaats, al zal hun verblijf ook niet van langen duur zijn, betaamt, ons eerst gemeenzaam maken met de plaats dier tijdelijke inwoning.

Beginnen wij met ons hôtel. Het is geen gewoon hôtel, het hôtel Victoria, zooals men dat in alle plaatsen met eenig verkeer vindt. Taormina, dit moet niet uit het oog worden verloren, ligt niet op vlakken grond, doch is tegen steile rotsen aangebouwd. Tegen die rotsen nu was amper plaats te vinden om er een straat op aan te leggen die, zooals de hoofdstraat de Corso Umberto, van poort tot poort doorloopt zonder trapjes of zonder scherpe rijzingen en dalingen. Maar er een huis laat staan een hôtel te bouwen welks basis geheel op effen terrein kwam te staan, dit was een taak zelfs voor den bekwaamsten architect onuitvoerbaar. Hôtel Victoria heeft dan ook niet minder dan vier uitgangen in vier verschillende boven elkander evenwijdig liggende of dwars tegen den berg oploopende elkander kruisende straten. De tuinen liggen op de derde verdieping, de eet- en leeszalen op de vierde, vele kamers op de vijfde verdieping, alles tusschen, naast, onder en over elkaar gebouwd, zóó dat het onmogelijk zou zijn er een behoorlijken plattegrond van te teekenen. Wil men het hôtel verlaten dan kiest men dien uitgang die u brengt in de straat die u het spoedigst naar uw doel voert. Logeert men op de vijfde verdieping, de meest begeerde wegens het heerlijke uitzicht, men laat zijn rijtuig of ezel op de vijfde verdieping voorkomen als men een bergtocht wil maken. Men zal daarentegen liever de eerste verdieping kiezen als men naar beneden wenscht te gaan.

Corso Umberto.

Corso Umberto.

Wij verlaten het hôtel thans ook door dien uitgang voor deze eerste wandeling in het stadje. Wij bevinden ons dan dadelijk in de hoofdstraat de Corso Umberto, breedte p.m. 5 meter zoodat, als de voorbijgangers zich tijdelijk in de open deuren bergen, twee rijtuigen elkander zonder ongelukken kunnen voorbijrijden. Het is een typisch italiaansche straat, onmogelijk dikwijls te zeggen waar het eene huis begint waar het andere eindigt, evenmin is het altijd uit te maken of een huis één dan wel tien eeuwen oud is; alles is grijs, grauw, groezelig, aan den beganen grond geene vensters, alleen groote deuren, wijd openstaande, toegang gevende tot de zoogenaamde bassi, ruime gewelven, waarin de winkels, café’s, scheersalons en tutti quanti worden gehouden. Achter in de bassi bevindt zich een trap van steen of marmer toegang gevende tot de kamers in de bovenverdieping. Dikwijls ook zijn die bassi tevens de woning van het gezin en ziet men bij dag de bedden opgerold in een hoek liggen.

Menig huis getuigt van vroegere weelde door een fraai gothisch of romaansch poortje of raamomlijsting, door enkele brokstukken marmer heerlijk ingelegd hetzij met zwarte lava, hetzij met veelkleurige marmersoorten, een bewijs dat de thans veelal verarmde of verwaarloosde huizen vroeger een deel uitmaakten van rijke en fraai gebouwde palazzi. En dat is een van de dingen die niet alleen op Sicilië maar in geheel Italië het meest treffen en iedereen dadelijk in het oog springen, dat men overal tot in de kleinste plaatsjes monumenten vindt van vroegere grootheid, rijkdom en weelde, monumenten die Italië maken tot een reusachtig museum, waar overal iets valt te genieten en te bestudeeren, waar ieder stadje, ieder dorp waard is bezocht te worden en de reiziger gedurende eenige uren zich aangenaam of leerzaam zal kunnen bezig houden.

Het kost werkelijk eenige zelfbeheersching Taormina’s hoofdstraat ten einde te loopen zonder links of rechts een trap af te dalen of op te klimmen. Bij ieder zijstraatje toch wordt men aangetrokken hetzij door een pitoresk groepje, hetzij door een geestige fontein of door een fraaie ruïne. Wij bieden echter weerstand aan de verleiding en gaan, al kijkende en bestudeerende, door tot de Piazza Nove Aprile, vroeger Piazza Sant’ Agostino. En wij willen hier in het voorbijgaan even opmerken dat het gemeentebestuur van Taormina al even dom is als dat van een zekere hoofdstad van een zeker land, met zijn neiging om oude historische namen te veranderen in dien van onbeduidende vorsten en weinig zeggende [92] data, op die wijze een interessant geschiedenisboek, waarin de historie van de plaats voor alle eeuwen is vastgelegd, veranderende in een vulgaire Almanach de Gotha. Laat men in een zich uitbreidende stad in dezelfde lijn voortwerken en in de namen der nieuwe straten voor het nageslacht de herinnering bewaren aan de gebeurtenissen der nieuwe tijden, desnoods aan de toen regeerende vorsten en aan de bekende mannen, mits zij werkelijk die herinnering verdiend hebben, er is niets tegen, maar de oude namen moeten in iedere plaats heilig gehouden worden.

Wij willen dus Taormina’s gemeentebestuur niet op dien weg volgen en houden ons halstarrig aan den ouden naam Piazza Sant’ Agostino. Het is een genot daar een oogenblik te verwijlen want schilderachtiger plekje is nauw denkbaar. Aan de eene zijde de oude klokketoren, de aardige renaissance gevel van de San Giuseppe en het gothische kerkje Sant’ Agostino; ten oosten een heerlijk terras met ijzeren hek, vanwaar men opziet naar de Etna en onder zich heeft een 200 M. diepen afgrond, welks bijna loodrechte rotsen alleen nog toegankelijk zijn voor eenige geiten en welks voet bespoeld wordt door de blauwe golfjes van de zee. Op dit punt is het stadje om zoo te zeggen in tweeën verdeeld door een ouden vervallen muur in moorschen stijl, over bergen en door ravijnen afdalende van de ruïnes van het kasteel van Taormina dat de rots ten westen der stad bekroont.

Straatje in Taormina.

Straatje in Taormina.

Door de poort onder den klokketoren voortschrijdende vervolgen wij onzen weg tot de Piazza del Duomo, een kerk van gemengd gothische en renaissance bouw met een fraaien ingang in Siciliaansch gothischen stijl aan de noordzijde.

Vóór den Duomo bevindt zich een allergeestigste fontein, de fontein der Vier Beesten, zoo genaamd naar vier gedrochtelijke dieren uit welker bekken het water vloeit in den steenen bak, waarin de vrouwen uit de buurt, naar italiaansche zeden, hare kleeren komen spoelen.

Ook deze Piazza is weder afgesloten door eene poort, de Toca-poort, die nog niet het einde der plaats vormt, daar eenige weinige schreden verder de hoogst schilderachtige Catania-poort de werkelijke uitgang is aan de zuidzijde der stad.

Wij keeren dus op onze schreden terug, zien opnieuw met welgevallen op naar zoo menig aardig motief, naar de balcons veelal voorzien van fraai gedreven ijzeren hekken, naar het taormineesche leven dat op al die balcons wordt afgespeeld.

Italië toch is evenals Spanje het land der balcons, geen raam zonder balcon, geen balcon zonder menschen die daarop hunne huiselijke bezigheden verrichten, hun wasch behandelen, een buurpraatje houden, hunne op straat spelende kinderen nagaan en zoo noodig waarschuwende of bestraffende woorden toeroepen, hunne etenswaren of andere kleine inkoopen met een mandje aan een touw van de venters op straat ophalen, de liefdesverklaringen en serenades hunner aanbidders, want ook die spaansche gewoonte is hier inheemsch, aanhooren.

Wij gaan ons hôtel weder voorbij om het noordelijk einde van den Corso Umberto te bekijken. Dit brengt ons al spoedig op de Piazza Vittorio Emanuele waar wij getroffen worden door de middeleeuwsche lijnen van het Palazzo Corvaia. Nog draagt het in ieder opzicht het stempel zijner vroegere grootheid, maar het is een vervallen grootheid. De rez de chaussée is doorgebroken en vervormd tot verscheidene bassi, winkels van het eenvoudigste type waar koopwaren van de allergoedkoopste soort zijn uitgestald. Treedt men het paleis binnen dan vindt men nog een aardig binnenhof, waar een fraaie marmeren trap op slanken boog naar boven voert. Langs een gedeelte van de steenen trapleuning ziet men nog een soort lambrizeering met een zeer goed gebeeldhouwd relief, waarop drie bijbelsche voorstellingen: de schepping van Eva, de Zondenval, Adam en Eva aan den arbeid. Het dak van het palazzo wordt gekroond door de zoogenaamde “merluzzi” een arabisch bouwmotief, een soort kanteelen, dat men hier overal terugvindt, en ook bij nieuwe huizen en hôtels een geliefde gevel-bekroning is geworden. De achterzijde van het paleis is gebouwd op de ruïnes van een tempel aan Minerva gewijd, en het geheel maakt nog den indruk een sterk gebouw te zijn geweest, waarin de normandische heeren die het eenmaal hebben bewoond, zich weken en maanden hebben kunnen verdedigen tegen de aanvallen van Saracenen of andere naburige volken, en dat meer had van een vesting dan van een comfortabel paleis. [93]

Naast het Palazzo Corvaia de kerk Santa Catarina en een klein, eerst onlangs opgegraven romeinsch theater, waarin de twee vomatorien, toegangen tot de hoogere rangen, nog duidelijk te zien zijn. Aan de andere zijde van het pleintje het Teatro Margherita en een kleine kazerne voor “Carabinieri”. De Porta di Messina sluit hier het stadje af. Rechts van deze poort brengt de Via del Teatro Greco ons naar de belangrijke overblijfselen van het grieksche theater, dat een nadere en aandachtige beschouwing overwaard is. Wij willen dus aan de hand van den Custode of bewaarder, die daarvan een lezenswaardige beschrijving in drie talen heeft uitgegeven, dit oude grieksche theater eens wat van naderbij bezien.

Palazzo Corvaia.

Palazzo Corvaia.

Het is niet met zekerheid te zeggen in welken tijd de bouw van het theater gesteld moet worden; men gelooft echter te kunnen aannemen dat het omstreeks 358 v. C. ten tijde van Andromachus van Taormina werd opgericht. De halve cirkelvorm doet ons geen oogenblik aan zijn griekschen oorsprong twijfelen, waar tegenover staat dat alle ruïnes geheel het karakter van de romeinsche bouworde hebben. Hieruit blijkt dat toen de Romeinen zich in Taormina vestigden, zij het theater veranderden en vergroot hebben, zoodat wel de grieksche grondvorm overbleef, maar de onderdeelen veranderd werden in romeinschen trant. Voor deze verbouwing vond men een treffend bewijs in een klein grieksch tempeltje, in de bovengalerijen opgegraven, dat den Grieken gediend had tot offerplaats en voor wasschingen.

Teatro Greco.

Teatro Greco.

De Romeinen braken dit tempeltje bij de verbouwing van het theater gedeeltelijk af, om op zijn sterke muren de fondamenten van de bovengalerij te doen rusten.

Maar niet alleen vindt de geometrische grondvorm zijn oorsprong bij de Grieken, ook de fondamenten en muren van het Proscenium “het voortooneel” wijzen op helleensche afkomst. Na de laatste opgravingen heeft men pas kunnen bewijzen, dat slechts de bovendeelen van het theater aan de Romeinen kunnen worden toegeschreven. [94]

Een breede trap, Scala regia genaamd, was de algemeene toegang tot het theater. Later werd hierin door Keizer Augustus een verandering gebracht. Hij liet voor de vrouwen een afzonderlijke trap bouwen aan het tegenovergestelde uiterste van de buitenste zuilengang, welke trap echter nooit geheel voltooid werd.

De Scala regia bestond uit met steenen geplaveide bordessen, welke telkens onderling door drie treden verbonden waren. Boven gekomen gaf een deur toegang tot een kleine overdekte gang die uitkwam op de eerste praecinctio of half-cirkelvormige rij zitplaatsen, die rijk gedrapeerd en, van curulische en beweegbare stoelen voorzien, bestemd waren voor de senatoren, de magistraten en de vestaalsche maagden.

Naast het tweede bordes begint een andere kleinere trap, die toegang verschafte aan adel en patriciers, voor wie de tweede praecinctio bestemd was, en op welks zetels somtijds de eigennamen der rechthebbenden waren aangegeven. Van deze zetels liggen in de arena nog brokstukken die de namen der eigenaars dragen.

Langs deze zelfde trap moesten de artisten en de burgers nog hooger stijgen, en gaande door de bovenste galerijen, daalden zij dan door vomitori, d.i. openingen, aangebracht in den grooten muur die de cavea omringt, naar de derde of laatste praecinctio.

Deze drie rijen zitplaatsen vormden te zamen de Cavea, die door een groote overdekte galerij, welke uit twee zuilengangen bestond, omringd was. De binnenste werd gedragen door vijf-en-veertig zuilen, terwijl de buitenste door pilasters werd gesteund. Te zamen boden zij het publiek een toevlucht bij regen. In gewone omstandigheden werd de buitenste gebruikt om zich te vertreden of wel als marktplaats, en diende de binnenste tot doorgang naar de derde praecinctio. Op de overdekking dezer twee zuilengangen bevond zich een groot terras dat voor het volk bestemd was. Het bestaan van dit terras lijdt geen twijfel, waar nog heden ten dage restanten worden gevonden van een trap die buitenom er heen voert. Deze zuilengangen waren gebouwd op een zwaren muur die de geheele cavea omringde en door welken op tien plaatsen op gelijken afstand uitgangen waren aangebracht. Deze muur was versierd met zes-en-dertig nissen waarin vazen of beelden waren geplaatst.

Beneden bevond zich het podium, dat de arena omsloot. Onder dit podium kwam een overdekte gang door drie deuren in de arena uit, door welke gang naar alle waarschijnlijkheid de wilde dieren in de arena werden gelaten, om hunne bloedige gevechten tegen de gladiatoren te leveren.

De eigenlijke arena is de ruimte tusschen het podium en het tooneel of scena. Het proscenium, dat bij de Romeinen verplaatsbaar was, besloeg van de altaren op het tooneel af nog bijna een derde van de arena. Op dit proscenium of voortooneel voerden de Romeinen hunne tooneelspelen, hunne drama’s en dansen op.

Het grieksche orchest bevond zich tegenover het tooneel, doch de Romeinen verplaatsten het op den muur van het podium, dus eigenlijk ter zijde van het tooneel, daar waar het podium in een elliptische vorm eindigde en waar ook de timele of plaats voor het koor was.

Onder het proscenium bevond zich een onderaardsch kanaal dat achter het tooneel eindigde. De constructie van dit kanaal laat ten duidelijkste zien dat het voor den afvoer van regenwater bestemd was of om een groote hoeveelheid water te bevatten dat voor het theater gebruikt werd. Er zijn echter geleerden die meenen dat dit kanaal voor de acoustiek diende, misschien ook—wat ons echter zeer twijfelachtig voorkomt—tot bergplaats van diegenen uit het publiek, die tijdens de voorstellingen stoornis veroorzaakten. Twee andere onderaardsche gewelven, die aan den muur van het theater parallel loopen, staan met eerstgenoemd gewelf in verbinding en dienden voor hen die belast waren met de tooneel veranderingen. Men ziet er nog duidelijk zeven vierkante gaten in, op gelijken afstand, die rechtstandig oploopen tot de grondvlakte van de arena en waarin de balken geplaatst werden, dienende tot steun van het groote plankier van het proscenium.

Het tooneel bestond dus uit het proscenium of voortooneel en het eigenlijke tooneel. Op dit laatste bevonden zich twee altaren, gewijd aan de goden, waarboven de eerste zuilenrij die het tooneel versierde. Elk der twee altaren telde drie nissen; voor de middelste, grooter dan de anderen en ook afwijkend van vorm, hing een gordijn, waarachter de beelden van Apollo en Bacchus. Deze twee altaren waren door drie deuren gescheiden; door de middelste, thans door den bliksem verwoest, kwam de hoofdpersoon op, door de beide anderen kwamen de andere personen ten tooneele.

Onder deze deuren, welker drempels op gelijke hoogte lagen met den vloer van het tooneel, bevonden zich nog drie kleine deurtjes aan de voorzijde van het tooneel, die in gemeenschap stonden met een onderaardsche gang, die den medewerkers in het treurspel tot doorgang dienden en hen op het achtertooneel of postscenium brachten. Deze gang werd bij de opgravingen in 1853 en 1854 ontdekt. Een hooge breede gang, ook onder het tooneel gelegen, gaf toegang aan de vrouwen die, langs een trap links van het tooneel, hunne plaatsen op de bovenste galerijen wilden bereiken.

Aan beide zijden van het tooneel bevonden zich nog twee kamers, die zonder twijfel dienden tot bergplaatsen voor alles wat op het tooneel betrekking had, of misschien ook als kleedkamers voor de artisten.

De voorzijde van het tooneel was met kostbaar veelkleurig marmer bekleed; de zuilenrijen in corintischen en jonischen stijl, waren van cippolijnsch graniet en afrikaansch marmer, de voetstukken der altaren van wit marmer.

Na deze beschrijving van de voornaamste deelen van het theater, nog een enkel woord over de verschillende doeleinden waartoe het gebezigd werd. Behalve de tragedie beoefende men er de satire, het tooneelspel, de pantomime en den dans. In de arena vonden de bloedige gevechten der gladiatoren plaats. Maar men behandelde er ook de publieke zaken, men ontving er de vreemde afgezanten, men besliste er over de zaken der republiek, dikwijls werd er recht gesproken, men beraadslaagde er over te verleenen eerbewijzen en op te leggen straffen en hield er redevoeringen tot het volk. Hier redetwistten de wijsgeeren, hier werden de veroordeelden ter dood gebracht, hier [95] traden de dichters en schrijvers voor het volk op.

Wanneer men bedenkt dat de stad Taormina een theater kon oprichten van die grootte en pracht, zal men zich gemakkelijk een denkbeeld kunnen maken van den rijkdom en intelectueele ontwikkeling die daar in de oudheid heerschten.

Slechts eenige van de grieksche republieken uit die tijden zijn, dank zij haar macht en haar hooge ontwikkeling, in staat geweest een dergelijk theater te stichten. Het waren steden als Syracuste, Catania, Segesta, Gela, Agira en enkele anderen.

Wie, door denzelfden gids geleid als wij, het theater bezoekt, zal kalm het schitterend natuurtafereel kunnen genieten dat zich voor zijne oogen ontplooit, en zal in hem een uitstekend geleider vinden, die niet zal nalaten weer met dezelfde verontwaardiging te vertellen dat, nog geen halve eeuw geleden, de inwoners van Taormina de steenen uit het Teatro Greco haalden om er hunne woningen mee te bouwen, hij zal ook stellig wijzen op het verschil in den baksteen van voor 2000 jaar en den nieuwen tot restauratie gebruikten, die nu reeds verweerd is en afgebrokkeld.

Teatro Greco.

Teatro Greco.

Het heeft ons dikwijls in Italië getroffen dat de gidsen met onvermoeiden ijver u alles trachten uit te leggen en begrijpelijk te maken, ja zelfs oogenschijnlijk nog in vuur en verrukking raken als stonden zij, evenals wij, voor het eerst vóór hun “monumento nazionale”.

En dit trof ons niet alleen op de minder bezochte plaatsen van Sicilië, maar evenzeer te Pompeï, te Rome en elders.

Met moeite scheiden wij van deze heerlijke en aangename plaats, maar er is nog zóóveel te zien dat wij ons hier niet langer mogen ophouden. Wel zijn het op nieuw gevallen grootheden die onze aandacht vragen, maar zij zijn zóó belangwekkend, zóó typisch, dat men nauwelijks den wensch in zich voelt opkomen ze anders te zien dan in den toestand waarin ze thans verkeeren. Zie de Badia Vecchia of oude abdij en het Palazzo del Duca di S. Stefano, die beide niet veel meer dan ruïnes zijn.

De Badia Vecchia vertoont nog hare fijne gothische spitsboog vensters, de reeds meergenoemde “merluzzi”, haar inlegwerk van zwart-bruine lava, dat men nog fraaier kan zien aan de dakomlijsting van het Palazzo S. Stefano uit de 15e eeuw.

Uit veel later tijd zijn kerk en klooster San Domenico uit de 17e eeuw, en eigenlijk de eenige meer moderne gebouwen van het plaatsje.

Het klooster is thans tot hôtel ingericht en maakt geen uitzondering op den regel, integendeel bevestigt weder het feit dat de monniken er bijzonder slag van hadden voor hunne kloosters de meest idylische plekjes uit te zoeken, waar zij, afgezonderd van de menschen, de natuur in al haar heerlijkheid konden genieten. Wie èn ligging èn hôtel heeft gezien, doet beter er in onze wintermaanden niet aan te denken, tenzij hij, ongevoelig voor Annie Vivanti’s blauwen hemel en zonneroes, de voorkeur geeft aan de [96] trieste en zonlooze dagen van ons vochtig vaderland.

Laat ons thans niet in den steek om, als echte haastige sight-seeërs, Taormina na een of twee dagen weer te verlaten. Ga nog eens mee naar Giardini en bekijk onderweg de oude saraceensche graven die als een hooge muur met nissen aan eene zijde onzen weg begrenzen. Ook zult gij op die wandeling wel gelegenheid hebben de siciliaansche karren eens te bezien, die trouwens door hun eigenaardige vorm en kleur wel niet aan uwe opmerkzaamheid zullen ontsnappen. Wij zouden ze het best kunnen vergelijken bij een van boven van voren en van achteren open vierkante bak op twee hooge wielen; zij zijn zonder banken, de koetsier zit op den bodem van zijne kar en laat zijne beenen vrij naar beneden bungelen. De wielen en de beide randen der zijkanten zijn hel geel geschilderd, terwijl de paneelen van beide zijden prijken met bonte voorstellingen, meer of minder goed van teekening, dan eens van schitterende steekspelen, een andermaal van bloedige veldslagen of bijbelsche tafereelen, zoodat men ze rijdende prenteboeken zou kunnen noemen. Ook aan den ezel of het paard zijn de kleuren niet vergeten. Het roode hoofdstel is fijn benaaid met zilveren lovertjes en kleurige kralen, op den kop en midden op den rug verheft zich een pluim in sprekende tinten, terwijl belletjes veelal voor de muziek zorgen.

Saraceensche graven.

Saraceensche graven.

Zoo nadert men Giardini dalend langs den breeden zig-zagweg, wandelend langs vijgen of amandelboomen, nu en dan verrast door de heerlijke geuren van bloeiende citroen- of sinaasappelboomen. En bij iedere bocht van den weg verandert ons uitzicht; wij zien de Etna met haar rookenden top, de zwarte lavamassa’s die tot op uren afstand voortgevloeid, donkere rivieren lijken die zich in zee ontlasten, of in het noorden de Straat van Messina, Calabrië, de uitgetande kust van Sicilië, waarlangs de spoor als kinderspeelgoed voortglijd, verdwijnend, verschijnend, tunnel in, tunnel uit.

Zoo genietende en bewonderende komen wij aan het strand en bieden geen weerstand aan de verzoeking een klein tochtje op zee te maken. Roeibootjes genoeg en geen gebrek aan overvragende roeiers die u gaarne naar de Grotta Amato of Grotta del Giorno zullen brengen. Roep hun uit de verte reeds toe dat gij geen Engelschman of Amerikaan zijt, wij durven u verzekeren dat hij u de helft zal vragen, en dat niet alléén, hij zal ook verrast opzien als hij zijn eigen taal hoort, en al hebt gij ook dikwijls moeite uit zijn eigenaardig dialect wijs te worden, gij zult toch na vijf minuten in een interessant gesprek gewikkeld zijn over zijn land, zijn gezin, zijn leven, zijn lijden. Opgewektheid zult gij bij hem niet vinden; de Siciliaan is over het algemeen somber; zang en lach der Napolitanen zal men tevergeefs bij hen zoeken, maar zijn fond is beter en hij is meer ontwikkeld. Trots kijkt hij uit de donkere oogen, ridderlijk is zijne houding.

Palazzo S. Stefano.

Palazzo S. Stefano.

Moet ons zijne mindere opgeruimdheid verbazen als wij zijn land hebben gezien? Ons lachen zon en blauwe hemel toe, wij vinden de schitterende oude gebouwen en ruïnes interessant, de lavavelden en cactussen eveneens. Maar die onafzienbare rotsenmassa’s waarop dier noch plant kunnen leven, al die rivieren en stroompjes die des zomers hun waterlooze steenen bedding vertoonen, de menschen en kinderen moordende zwavelmijnen bij Caltanisetta, de alles vernielende druifluis die op onmetelijke velden allen wijnbouw onmogelijk maakt, hoe zouden die ons lijken als wij, in plaats van toeristen, bewoners van Sicilië waren? Maak u geen illusie dat heel Sicilië is als Taormina, en wie nooit dit liefelijk oord aanschouwde doch alléén Palermo bezocht, moet ook niet zijn Conca d’Oro of goudenschelp, de heerlijk groene vallei waarin die stad ligt, als bewijs van Sicilië’s vruchtbaarheid aanhalen. Neen, Trinacria deed ons dikwijls denken aan een vergeten, verongelijkt kind van het moederland Italië. [97]

Weg naar Castelmola.

Weg naar Castelmola.

Na het zeetochtje moet gij ook nog een dag de bergen met ons in, te voet of op een ezel, al naar verkiezing, maar raden doen wij u in deze niet. De keuze is moeilijk, wilt gij zelf zoeken waar op de steile bergpaden met vallende steenen uw voet te zetten, of wilt gij het overlaten aan uwen ezel, die, daar kunt ge op aan, nooit vallen zal maar altijd de beste plekjes zal weten te vinden. Maar dan moet gij het stootende gevoel er voor over hebben dat, vooral berg af, aller onaangenaamst is.

Tusschen twee muurtjes van los op elkaar gestapelde steenen, waarachter de wijnvelden liggen, bestijgen wij de trapsgewijze ruw aangelegde wegen. Links en rechts hooge cactussen zwaar van de rijpe cactusvijgen, een geliefkoosd volksvoedsel der Sicilianen, die ondoordringbare hagen vormen tusschen de verschillende bezittingen.

Wij wagen ons aan geen beschrijving van de cactus, overtuigd geen betere te zullen kunnen geven dan die van Selma Lagerlöf in haar “Wonderen van den Anti-Christ” waarin zij haar beschrijft als iets dat “strompelde en stortte, dat viel en kroop, dat liep op de knieën, op ’t hoofd en de ellebogen. Het was binnen en buiten ’t dal, het had slechts stekels en knobbels, had een mantel van spinnewebben en poeier op zijn pruik en leden zooveel als een worm. Wist Gaetano dat de cactus op de lava groeide en den grond bewerkte gelijk een boer? Wist hij dat alleen de fichidenda de lava kon beteugelen? De cactus was de beste toovenaar die op de Etna woonde.”

Ja, wat volgens de legende bedoeld was als een vloek voor Sicilië, is het ten zegen geworden. Volgens de overlevering toch meenden de Saraceenen geen beter middel te kunnen bedenken tot uitroeiing van de bewoners van Sicilië dan het invoeren en aanplanten van de cactus. Hare vruchten toch kunnen, wanneer men er niet aan gewend is, bij onmatig gebruik den dood veroorzaken. Doch de Sicilianen vielen niet in de hun gespannen strik; zij begonnen met de cactusvijgen met mate te gebruiken en eerst toen zij er behoorlijk aan gewend waren, werden zij langzamerhand een volksvoedsel. De prijs is vier stuks voor twee centimes, wel een bewijs hoe overvloedig zij zijn, en het is dan ook niet ongewoon er 60 à 80 op één dag van te verorberen. De flauwe smaak bracht ons niet in verzoeking er ons aan te buiten te gaan. Als een aardige bizonderheid zij hier nog vermeld dat wij ze later eens te Hamburg in een delicatessen-winkel zagen liggen, doch daar kostten zij 72 cents per stuk, dus 288 maal zoo duur!—De naam “fighi d’India” vindt dus zijn oorsprong in den invoer van de cactus uit het land der Saraceenen, dat de Sicilianen India noemden.—En Selma Lagerlöf noemt haar met recht den toovenaar van de Etna omdat, wanneer de velden op dien berg door lava onbruikbaar zijn geworden voor wijn- of landbouw, zij beplant worden met cactus, die den grond breekt en allengs weder geschikt maakt voor andere doeleinden.

Na een uur stijgens bereiken wij Mola, een klein [98] dorp op den top van een kale rots. Reeds op den weg buiten om den steilen steenklomp, door de oude vervallen poortjes, genoten wij het verrukkelijk vergezicht, dat nog ruimer werd op het zonnig dorpspleintje. Maar hoezeer ons het panorama bekoorde, wij zouden het niet wenschen ten koste van Mola als woonplaats. Ongeplaveide niet meer dan 1½ meter breede straten, die nauwelijks den weidschen naam straat verdienen, liggen tusschen de armelijke en schamele huisjes; logge zwarte varkens loopen overal onbeheerd rond of liggen zich midden in de straat in het zonnetje te koesteren. Treurig is het gezicht op de kale, bruin gekleurde wijnvelden, waar de gevreesde druifluis alles heeft verwoest en de bewoners heeft verarmd. Een oude man, die ons van de tallooze kinderen wilde verlossen die zich tot gids hadden opgeworpen, vertelde ons van zijn vreeselijken achteruitgang, hoe hij vroeger jaarlijks 100 H.L. wijn verkocht voor 20 lire per H.L. en nu niets meer. De alles vernielende philoxera had niets gespaard.

Vijf, zes kinderen huppelden aan alle kanten om ons heen, aangevoerd als hoofdwegwijzers door Saviotto Francesco di Francesco en zijn nichtje Angela, een donker gebrand bruinoogig kind van een jaar of tien. Saviotto beklaagde zich over zijn weinige kennis van vreemde talen en vertelde ons vol trots van een neefje dat gids kon zijn in ’t fransch, duitsch en engelsch. Op een der vele varkens wijzend zeide hij: ik weet alleen pig, schwein, cochon en wat de signore op zijn neus heeft zijn spectacles. Half smeekend vroeg hij ons of wij hem niet een fransche grammatica wilden sturen, want genoemde neef had boeken en die had hij niet. Angela vroeg ons voor iederen persoon dien wij tegenkwamen om een soldo, en het scheen wel of iedereen familie van haar was.

“Da un piccolo soldo a mia sorella” (geef een stuivertje aan mijn zusje). Twee minuten later: “Da un piccolo soldo a quest’ uomo, è mio nonno, non vede dagli occhi” (geef een stuivertje aan dien man, hij is mijn grootvader, hij ziet niet uit zijn oogen). Haar eigen woning voorbijgaande “Ecco la mamma e il piccolo fratello, da loro un piccolo soldo”, en zoo ging het maar door. Op ons uitgangspunt teruggekeerd waar drijver en ezel wachtten, stond een groot gedeelte van de kinderbevolking om ons heen en de tevredenheid was algemeen toen een regen van piccoli soldi op de vuile handjes nederdaalde. Nog lang daarna hoorden wij hun gejuich en hun geroep van “buon giorno, buon giorno, buon viaggio, a rivederci!”

Saviotto’s laatste woorden waren: “mandatemi un libro francese, si sa il nome, per indirizzo basta Mola presso Taormina”. (Zend mij een fransch boek, gij weet mijn naam, als adres is voldoende Mola bij Taormina). Aan zijn wensch hebben wij voldaan en hem later uit Holland een fransch-italiaansche grammatica toegezonden, maar of zij in zijn bezit is gekomen en of hij ijverig studeert, dat hebben wij tot onze spijt nooit gehoord.

Van Mola gaat de tocht opwaarts naar den top van de Monte Venere, waar alweder een veelomvattend, overschoon uitzicht onze moeite ruimschoots beloont. Daar ziet men niet alleen de blauwe zee, de bergen van Calabrië, de dorpen en stadjes langs de kust, het grootsche massief van de Etna, maar ook het golvend binnenland met zijn eindelooze bergreeksen in het blauwend verschiet. Langen tijd verdiepen wij ons in de aanschouwing van dit grootsche tooneel, tot onze steeds langer wordende schaduwen en het blijkbare ongeduld van onzen ezeldrijver ons waarschuwen dat het tijd wordt naar Taormina af te dalen.

Terug dus naar Hôtel Victoria en een plaatsje gezocht op een der vele terrassen om daar plannen te maken voor verdere tochten. Wij ondervinden hier in Taormina weer hoe moeilijk het is aan zijne oorspronkelijke plannen getrouw te blijven, en geen gehoor te geven aan verleidelijke voorstellingen van medereizigers die ons nieuwe heerlijkheden voorspiegelen van andere oorden doch die buiten ons bestek liggen, al worden die dan ook afgeschilderd als nog mooier en interessanter dan wij tot dusver zagen. Zoo staan wij nu voor de moeilijke keus of wij het binnenland zullen ingaan, de kust zullen volgen of om de Etna trekken.

Na rijp beraad kiezen wij dezen laatsten weg en besluiten met de Circum-Etneaspoor om en over de Etna een bezoek te brengen aan Catania en langs de kust terug te keeren naar Taormina.

Andermaal dalen wij langs den heerlijken zig-zag weg af naar Giardini en sporen van daar naar Giarre. Hier geen dorre omgeving zooals bij Mola, geen braakliggende landen; vruchtbare wijnvelden liggen aan beide zijden van de spoorbaan, het oog verlustigt zich in het warme donkergroen der uitgestrekte citroen-aanplantingen en in het diepe blauw van de zee.

Wij stappen te Giarre over in de Circum-Etneaspoor, het kleine armelijke rammelende treintje, dat in 5½ tot 7½ uur Catania bereikt. De wagens van dit spoortje hebben de bizondere eigenaardigheid dat een eens gesloten raampje niet meer geopend en een geopend niet gesloten kan worden; de deuren gaan aan hetzelfde euvel mank. De stations, veelal uit lava opgetrokken, verkeeren in den meest armoedigen en primitieven toestand en wij kunnen een gevoel van deernis niet onderdrukken met de ongelukkige aandeelhouders in deze onderneming. Eene aangename gewaarwording daarentegen maakt zich onwillekeurig meester van hem die zonder ongevallen ter bestemmingsplaats is uitgestegen, na over de slecht-liggende rails op de woeste lavavelden te zijn gehobbeld. Intusschen de weg dien men aflegt doet alle ongeriefelijkheden zoo niet vergeten, dan toch getroost dragen.

Reeds dadelijk na het verlaten van Giarre begint de baan aanmerkelijk te stijgen en al spoedig bevinden wij ons tusschen de lava. Een bruinzwarte dikke vloeistof in haar loop plotseling tot steen gestold, een donkere hardgeworden zee met hare golven en kolken, alom de meest phantastische krullen en vormen vertoonend, omringt ons aan alle zijden. Van afstand tot afstand is de steenharde lava geschikt gemaakt voor den wijnbouw en in vruchtbare velden herschapen. Zooals reeds vroeger werd opgemerkt komt bij deze bewerking een eereplaats toe aan den “toovenaar van de Etna”, aan de Cactus die, hoe [99] raadselachtig het moge schijnen, die harde massa weet te doorbreken en weder aarde weet te vormen in dezen, voor menschen onbewerkbaren grond. Als zij haar eerste werk verricht heeft, plant men de brem die de lava nog meer doorbreekt en scheurt, ten slotte de vijg die alles uit elkaar rukt en den grond weder geschikt maakt voor den wijnbouw. Een boeiend schouwspel vormen de plotselinge overgangen van de meest desolate wildernissen tot de groene en vruchtbare landouwen en omgekeerd weder van deze in een streek van verschrikking en verwoesting.

Voortdurend stijgt de spoor, links ziet men op tegen den berg, rechts wordt het uitzicht op het golvend binnenland al fraaier en fraaier. Wij gaan dwars door den inktzwarten lavastroom van 1879, gevloeid uit den meest noordelijken krater van de Etna, stijgen hooger en hooger en bereiken na 2½ uur sporens op een hoogte van 750 M. het stadje Randazzo.

Tusschen de wijnvelden.

Tusschen de wijnvelden.

Al spoedig blijkt ons dat wij hier worden verwacht. Een station vroeger stijgt een jongmensch in den trein en vraagt ons of wij de Hollanders zijn die naar Randazzo reizen. Niet weinig verbaasd kijken wij elkander aan, doch al spoedig komen wij tot de ontdekking dat een Belg en zijne vrouw, met wie wij te Taormina kennis maakten, ons bezoek hebben aangekondigd in den Albergo Italia. De hôtelhouder, bevreesd dat de zeldzame gasten zijn eenigen concurrent zouden bevoordeelen, zond ons zijnen boodschapper tegemoet, om zeker te zijn dat wij hem niet zouden ontsnappen. De jonge man, waarschijnlijk bevreesd dat de jongen van het andere hôtel de lucht van zijn plan zou krijgen, had zich van twee petten voorzien, en eerst toen hij zich van ons bezit had verzekerd, werd zijn gewone pet voor zijn hôtel-pet verwisseld en trad hij als officieel persoon voor ons op.

De Belgen, die Sicilië reeds vroeger hadden bereisd en dus het klappen van de zweep kenden, hadden hunne komst te Randazzo vooraf aangekondigd en den hôtelhouder ook op ons bezoek voorbereid, daar wij dan allicht de kamers iets schooner zouden vinden dan dit gewoonlijk voor onverwachte gasten is weggelegd.

Onbevreesd dus wandelen wij met den jongen man naar den bewusten Albergo. Niettegenstaande de vreemde omgeving, hebben wij een oogenblik het gevoel of wij een hollandsch stadje binnentrekken, immers evenals daar te doen gebruikelijk is, stroomen ook hier de inwoners van alle zijden toe om onzen plechtigen intocht bij te wonen, er vormt zich achter ons een kleine optocht en begeleid door een flink escorte trekken wij voorbij het andere hôtel, welks eigenaar ons met donkere blikken nakijkt, en komen weldra aan voor een groot oud palazzo.—Breede marmeren trappen leiden naar een ruime vestibule op de eerste verdieping; het geheel getuigt alweer van vroegere weelde en grootheid, doch is thans overtogen door een waas van verarming en vervuiling. De waard heet ons welkom, laat ons in de groote eetzaal en vervolgens in onze daarop uitkomende slaapkamers. Het zijn alle groote en zeer hooge vertrekken met uitzicht op de Etna.

De hôtelier is blijkbaar niet zeker genoeg geweest van onze komst om daarvoor iets in huis te nemen of in gereedheid te brengen. Hij zit er erg mee in wat hij zoo op eens klaar moet maken, maar heeft gelukkig zooals een rechtgeaard Italiaan betaamt, macaroni in huis. Terwijl de jongen in ruwe aarden kannen water op onze kamers brengt, wordt met den heer waard overeengekomen dat hij ons gedurende vier en twintig uren zal herbergen en verzorgen en met den noodigen goeden wijn onze dorst zal lesschen voor de somma van zeven lire de persoon. Wij houden een nauwkeurige inspectie over slaapkamers en bedden, die na onzen eersten indruk van het hôtel gelukkig nog al meevallen, en wachten met belangstelling af welk maal men ons zal opdisschen.

Al spoedig worden wij aan tafel genoodigd en na een diep bord met macaroni en tomaten te hebben genuttigd, worden wij onthaald op kip. De waard blijft heen en weer loopen, vraagt telkens belangstellend of het smaakt en herinnert ons herhaaldelijk aan het feit dat wij op het land zijn, waar men geen hooge eischen kan stellen. Wij verklaren ons dan ook volkomen tevreden, doch van de oogenblikken dat de man zich omdraait maken wij behendig gebruik om eenige varkens, die onder de ramen loopen te knorren, mee te laten genieten van de ongare kip. ’s Mans verbazing moet groot geweest zijn zelfs de beentjes niet op onze borden terug te hebben gevonden, doch of hij dit heeft toegeschreven aan [100] hollandsche zeden, hij heeft met italiaansche wellevendheid over de zaak gezwegen. Intusschen laat u door dergelijke kleinigheden toch niet afschrikken een nacht in Randazzo te blijven, niet alleen dat het stadje zelf een bezoek overwaard is, maar tenzij gij vóór dag en vóór dauw op weg wilt gaan, moet gij er dit voor over hebben, indien gij de Circum-Etnea toer geheel bij daglicht maken wilt.

En nu de stad in. Randazzo is de plaats die het dichtst nabij den Etna-krater gelegen is. Het dateert uit de middeleeuwen, heeft een bevolking van ongeveer 12000 zielen, en is grootendeels uit lava gebouwd. Hoewel deze hier en daar is beschilderd hebben de gebouwen die hun oorspronkelijke kleur behielden een somber en droevig aanzien. Aan al die bruin-zwarte kerken, scholen en huizen, aan die vervallen gebouwen die nooit worden opgeruimd, maar overal als ruïnes blijven staan, kan zelfs de italiaansche zon geen vroolijk tintje geven. Wij bezoeken de hoofdkerk de Santa Maria, een gebouw uit de dertiende eeuw, met een negentiende eeuwsche toren in den stijl van de kerk opgetrokken. Oude paleizen als dat van Baron Fisauli, het palazzo Finochiaro, het stadhuis trekken onze aandacht en zijn nog een sieraad van de stad. Het vroegere hertogelijke paleis is in een gevangenis veranderd en de hôteljongen wijst ons de puntige ijzers die uit den gevel steken en waarop men vroeger de hoofden der onthalsden ten toon stelde.

Bloeiende amandelboomen.

Bloeiende amandelboomen.

De kerk San Nicolo is geheel van steen gebouwd met vroolijke afwisseling van witte en zwarte kleur en komt dus aangenaam uit tegen de sombere omgeving. Van de hoofdstraat bereikt men die kerk door een zeer fraaie overwelfde gang.

Onze waard had ons medegedeeld dat een rijk particulier, Baron Vagliasindi del Castello, eigenaar was van een groote verzameling oudheden, een waar museum vormend. Wij zenden dus onzen jongen naar hem toe om belet voor ons te vragen, en komt deze ons spoedig berichten dat wij welkom zullen zijn. Met groote vriendelijkheid worden wij ontvangen door den heer des huizes die ons zelf zijne schatten wil laten zien. Een aangenaam onderhoud ontspint zich waarin de heer Vagliasindi ons mededeelt dat hij behalve grondbezitter en oeconoom ook oculist is. Hij heeft te Parijs gestudeerd, doch tot nu toe was het hem nog niet gelukt zijne fransche vrienden over te halen hem in het binnenland van Sicilië te komen bezoeken; de Franschen, zegt hij, beschouwen Sicilië nog als het land van roovers en van de Maffia, waar geen christenmensch zich wagen kan, en hij constateerde met genoegen dat de Hollanders op dat punt meer verlichte begrippen hadden. Op onze vraag of er dan werkelijk van al die verhalen niets waar is, deelt hij ons mede dat de toestand werkelijk niet rooskleurig genoemd kan worden, doch dat reizende vreemdelingen niets te vreezen hebben zoolang zij stil huns weegs gaan, zich niet te veel bemoeien met het volk en vooral geen nieuwsgierige vragen doen of een kijkje willen nemen in de woningen. Dan [101] krijgt men argwaan, beschouwt die indringers als lieden door het gouvernement gezonden om na te gaan of er ook nog nieuwe belastingen kunnen worden opgelegd, en zou men hen misschien een leelijke kool stoven. Geheel anders echter wordt de zaak voor grondbezitters en landheeren, die moeten steeds op hun hoede zijn, zich niet ongewapend of onverzeld te ver van hun veilige woonplaats wagen, willen zij niet de kans loopen te worden opgelicht en slechts tegen een flink losgeld te worden vrijgelaten.

Het museum van onzen vriendelijken gastheer, uitsluitend bestaande uit voorwerpen, op zijne eigene bezittingen opgegraven, is werkelijk overrijk en belangwekkend en bevat grootendeels dezelfde zaken die men bij duizenden ziet in de musea van Palermo, Messina en de andere steden van Sicilië. Lange reeksen grieksche en phoenicische vazen en aardewerk, vele overblijfselen uit het steenen en bronzen tijdperk, hamers, pijlpunten enz. twee prachtige gouden slangen, waarschijnlijk armbanden, ontelbare romeinsche lampjes en beeldjes en eenige arabische voorwerpen. Met groot geduld wordt ons alles uitgelegd en vertoond en men kan aan alles merken dat wij den wellevenden Italiaan met ons bezoek een groot genoegen doen.

Serenade.

Serenade.

Daar wij nog een paar uur daglicht te goed hebben, wandelen wij de stad uit een landweg op, knoopen hier en daar een praatje aan met dezen en genen die ons daartoe ’t meest geschikt voorkomt, om zoodoende nog eens iets meer te hooren aangaande de bewoners dezer lava-stad. Zij zijn voor een groot deel landbouwers en het is een eigenaardige bizonderheid van Sicilië dat die niet evenals bij ons op het land wonen, maar zooveel mogelijk in de steden. Zij, die hun land in de nabijheid dier steden hebben, verlaten des morgens vroeg hunne woonplaatsen en keeren daarin des avonds terug. Anderen wier landerijen op grooter afstand zijn gelegen, gaan des Maandags ochtends daarheen, bewonen de geheele week hunne armelijke steenen hutjes en komen Zaterdagavond weer naar de stad om den Zondag bij vrouw en kinderen te slijten.

Het is de moeite waard bij het vallen van den avond deze schilderachtige figuren naar de stad te zien terugkomen over den ouden heirweg van Messina naar Palermo die langs Randazzo loopt. Dan een landheer hoog te paard, zijn mantel tot op zijne voeten afhangende, in gestrekte galop, dan een tweewielig wagentje getrokken door een muildier dat moeite heeft de talrijke passagiers voort te zeulen, dan een ezel niet zelden bereden door twee of drie volwassen mannen en bovendien beladen met eenige takkenbossen of zakken hooi. In eindelooze karavaan trekt dit alles aan ons oog voorbij en eerst als het bijna volslagen duister is, begint de stroom te minderen en keeren wij terug naar ons hôtel. Daar worden wij blijkbaar niet verwacht, want op onze komst geraakt alles in rep en roer, de waard roept: licht, licht, vlug! en boven aan de trap verschijnt een klein petroleumlampje waarmee men ons voorlicht naar de eetzaal.

Tot onze verbazing bericht hij ons dat er bezoek voor ons is geweest en overhandigt ons ieder een reusachtig groote visitekaart. Het was de Heer Vagliasindi del Castello die ons met ouderwetsche hoffelijkheid een uur geleden een contra-bezoek had gebracht.

Na een avondmaaltijd, niet veel beter dan het diner, gaan wij nog even genieten van den prachtigen avond en het natuurgenot doet ons alras de kleine hôtelmisères vergeten. Een heldere, diep-blauwe hemel, waarin de sterren schitteren met veel grooter glans dan wij dit in onze waterachtige atmosfeer gewend zijn, welft zich boven de Etna die met haar pluim van rook daar zoo vredig ligt alsof zij nooit eenig onheil had gesticht.

De waard roemt zichzelf als uitstekende gids, hij vertelt van zijn verschillende tochten, van de uitmuntende paarden, muildieren en tenten die hij te zijner beschikking heeft. Maar als wij hem voorstellen den volgenden dag met ons zijn trots, zijn Etna te beklimmen, dan weigert hij. Hij schijnt op ons voorstel niet in ’t minste verdacht te zijn, want plotseling krijgen zijne verhalen een ander tintje. In dezen tijd van het jaar de Etna op, waaraan denken wij! Het is veel te koud, storm en sneeuwjachten kunnen ons overvallen! Vooral de koude schijnt hij te vreezen en voor geld noch goede woorden is hij tot de excursie te bewegen.

Hoe aanbevelenswaardig een bezoek aan Randazzo ook moge zijn, zonder al te veel hartzeer zal men toch den volgenden dag dit sombere stadje weer verlaten. [102] Weder door vele bewoners uitgeleide gedaan begeven wij ons spoorwaarts, bemerken nog op onze wandeling daarheen dat de pleinen der stad worden gebruikt tot droging van mais en andere granen, en is het een eigenaardig gezicht groote oppervlakten, met deze goudgele voedingsmiddelen bedekt, in de zon te zien schitteren. Of er door de stad voor dit gebruik ook precario geheven wordt, zijn wij niet gewaar kunnen worden.

Wij bestijgen weder het kleine, schuddende treintje om onze reis om de Etna te vervolgen. De verdere weg is niet minder afwisselend in grondgesteldheid en natuurschoon dan het eerste gedeelte, en van uit onze eerste klasse coupé, welks frischheid het best is te vergelijken bij een hollandsche derde klasse wagen, rooken, op een marktdag, zien wij het grootsche panorama aan ons voorbij glijden. Nog steeds gaan wij hooger den berg op, tusschen korenvelden door, die aan het glooiend terrein om Randazzo het aanzien geven van een groote lappendeken, in alle kleurschakeeringen van bruin tot geel; dan wordt het landschap eenzaam en verlaten en sporen wij door onafzienbare lavavelden zonder eenig groen, zonder een enkele woning, van tijd tot tijd door een kleinen tunnel, in de lava geboord. Hier bereiken wij het hoogste punt ± 1000 M. en dalen van daar naar Bronte 793 M., een welvarend plaatsje van 20000 inwoners. Voorbij Bronte begint de weg snel te dalen; nog steeds over breede lavastroomen, over onbewegelijke eeuwenoude steenmassa’s, naderen wij meer en meer de bewoonde wereld. Allengs wordt het land weder vruchtbaarder; wij zien weer groote velden grijs-blauwe cactussen overladen met vruchten, daarna brem en eindelijk weder wijngaarden, olijf- en amandelboomen die een verkwikking zijn voor het oog. Langs de bloeiende stadjes Adernó en Paternò naderen wij het einde van onzen tocht; in de verte verrijzen de torens van Catania, de boomen van het park Bellini en eindelijk achter dit alles doemt aan den horizont de heerlijk blauwe zee weder op. En langs deze eeuwig schoone spooren wij nu weder terug naar ons punt van uitgang; steeds volgen wij de kust en belangwekkend is het te zien hoe aan de gloeiende lavastroomen die zich in woeste vaart van uit den krater op den berg hadden gestort, alles in hun vaart vernielende en medesleepende, door de nog machtiger zee een tot hiertoe en niet verder werd toegeroepen, hoe zij door het water gebluscht, zich in groote rotsgevaarten en onmetelijke steenkolossen langs de kust hebben opgestapeld, daaraan een afwisseling gevende van wondere grilligheid en onvergelijkelijke schoonheid die het oog voortdurend geboeid houdt.

Bij den schoenlapper.

Bij den schoenlapper.

Teruggekeerd te Taormina zien wij met welgevallen terug op het door ons gemaakte uitstapje, nog één dag rusten wij uit, genietend van het goede hôtel Victoria en zijn vriendelijke bewoners.

Ons verblijf aldaar spoedt helaas ten einde, en alleen de gedachte dat nieuwe heerlijkheden ons wachten, dat Syracuse, Malta en Tunis nog op ons reisprogram staan, kan ons doen besluiten dit schoone oord te verlaten.

Doch niet dan nadat wij nog een bezoek hebben gebracht aan den kunst- en smaakvollen photograaf, die van deze prachtige natuur in combinatie met de vele schoone gestalten der jeugdige mannen en vrouwen die haar bevolken, de heerlijkste groepen in de fraaiste omgeving heeft weten te maken. En vooral heeft hij een open oog voor de schilderachtige groepjes die men bij iederen stap ontmoet, voor de aardige meisjes in kleurigen dracht die in druk gesprek aan gindschen fontein hare waterkruiken komen vullen, voor den minnaar die zijne beminde een lied voorzingt onder begeleiding der guitaar, voor den prachtigen monnik in onderhandeling over de reparatie van een paar schoenen, en voor wat niet al! Een aardiger herinnering aan dit liefelijk plaatsje zou moeilijk zijn te vinden.

Mogen bijgaande reproducties en deze korte beschrijving, die slechts in zwakke klanken de werkelijkheid teruggeeft, velen doen besluiten een bezoek te brengen aan Taormina.

Abessynië en de berichten van het duitsche gezantschap naar dat land.

Abessynië is in de laatste jaren het doel van een reeks buitengewone missies geweest; de eene heeft de andere afgelost, en de volken van West-Europa, zoowel als de Vereenigde Staten, hebben een koortsachtigen ijver aan den dag gelegd, om het maagdelijke land met hun handel en industrie in verbinding te brengen. Uit die veelzijdige belangstelling blijkt al de beteekenis, die men hecht aan de nog niet geëxploiteerde schatten van dit bijna aan den uitersten rand der heete luchtstreek gelegen hoogland, en blijkt tevens, hoe bij de bevolking aldaar de behoefte aan de voortbrengselen der industrie met de ontwakende beschaving verondersteld wordt.

Een zeer aanschouwelijke voorstelling van de algemeene, economische toestanden in dit op den voorgrond tredende afrikaansche land en van zijn beteekenis als afzetmarkt en leverancier van tropische producten geeft een door de duitsche regeering onlangs gepubliceerd overzicht in de ”Berichten over handel en industrie” van de mededeelingen, die het buitengewone gezantschap naar Abessynië had gedaan.

Dr. Rosen ging in ’t begin van 1905 van Djiboeti uit over Harrar naar het hof van koning Menelik te Adis Abeba, heeft daarna het land naar het Noorden in de richting van het Tanameer, Goudar en Adua doorkruist, en keerde over de italiaansche haven Massowah naar huis terug.

In de vier maanden, die de expeditie in Abessynië doorbracht, heeft zij overvloedig materiaal verzameld, dat een helder licht verspreidt over de algemeene toestanden, over ligging en grondgesteldheid, bodem, klimaat, bevolking, talen, steden, hoofdbronnen van bestaan, toegangen naar Abessynië, verkeerswegen in het binnenland, waterwegen, middelen van vervoer, karavaangelden, tollen, post- en muntwezen, maten en gewichten, de abessynische bank, uit- en invoer. Veel waren zijn bijeengebracht, ten einde duidelijk te maken, hoe het met den tegenwoordigen handel staat en hoe die uitgebreid kan worden, zoowel wat den uitvoer naar als den invoer uit Europa betreft.

De voornaamste middelen van bestaan van het abessynische volk zijn veeteelt, landbouw en jacht. Aan het ministerie van Binnenlandsche Zaken is een soort van tentoonstelling georganiseerd van abessynische producten, zoo meldt de Deutsche Kolonialzeitung van 6 Januari 1906, en daar kan men de voor de wereldmarkt beschikbare runder-, schapen- en geitenvellen zien, die, naar kenners beweren, de hoedanigheden bezitten, welke hen gewild doen zijn bij de gebruikers. Over Djiboeti werden in het jaar 1903 voor 1,351,467 francs huiden van allerlei soort, en over Massowah voor 174,911 lire runderhuiden en voor 828,542 lire geiten- en schapenvellen uitgevoerd.

De landbouwproducten zijn er vele. Er moeten wel 16 soorten van gerst en 20 soorten van tarwe in Abessynië voorkomen, en de zaden van gerst en tarwe vallen met de vele oliehoudende zaden sterk in het oog. Ook aan peulvruchten en specerijen is het land rijk. Wat de vezelplanten betreft, munten eenige bijzonder goede katoensoorten uit. Koffie komt in twee soorten in den handel. De Harrarikoffie wordt in de provincie Harrari gekweekt, terwijl de zoogenaamde abessynische koffie gewonnen wordt in de zuidwestelijke provincies, waar ze in het oerwoud ook in ’t wild groeit. Beide soorten zijn van uitstekende qualiteit, niet onderdoend voor de mokka van de overzij der Roode Zee.

De jacht levert er kostbare artikelen als ivoor, huiden van leeuwen, panthers, otters, apen, giraffen, zebra’s, antilopen, slangen en krokodillen. Ook op den neushoorn en het nijlpaard wordt jacht gemaakt.

Klimaat, regenhoeveelheid en grondgesteldheid zijn over ’t algemeen geschikt voor landbouw. De berglucht, die bij het karakter van hoogland, dat Abessynië bezit, voor elken Europeaan het verblijf in het land mogelijk maakt, weert ook malaria en tropische ziekten en werkt gunstig op de ontwikkeling der bevolking. De verschillen in de bevolking zullen op den duur voor een goede verdeeling van arbeid zorgen en zullen hier den landbouw, ginds de veeteelt, elders de industrie of de zorg voor het verkeerswezen op den voorgrond brengen.

Belemmerend voor de ontwikkeling van het economische leven werken het gebrek aan verkeerswegen in het land, de dure karavaanvrachten, de onzekere tollen, het slecht geordende muntwezen, waarbij staven zout en geweerpatronen nog als ruilmiddelen dienst doen, het gebrekkige postwezen en de afgezonderde ligging van het land. Voor het verkeer van en met Abessynië heeft op dit oogenblik Djiboeti, de fransche Roode-Zeehaven, nog de grootste beteekenis. De spoorweg tot Harrar heeft die beteekenis nog vergroot.

Het industriëele leven is in het land nog minder ontwikkeld dan landbouw en veeteelt. De weverij, het kleêr en schoenmaken, het korenmalen en broodbakken zijn nog huisbedrijven. Bij het maken van aardewerk ontbreekt nog de overal reeds gebruikelijke draaischijf. In metaal- en lederbewerking heeft men het iets verder gebracht. Van eigenlijke industrie in europeeschen zin is nauwelijks het eerste begin aanwezig. Ook over den rijkdom aan mineralen moet men zich het oordeel nog voorbehouden, tot het land beter geologisch onderzocht zal zijn. Vastgesteld is intusschen reeds het voorkomen van goud, zilver, ijzer, tin, zink en kool.

Onder deze omstandigheden is het land, voor zoo ver zijn koopkracht reikt, en voor zoover de behoeften der bevolking aan de voortbrengselen der beschaving reeds gewekt zijn, aangewezen [104] op den invoer van producten uit het buitenland. Het meest staan daarbij de geweven stoffen op den voorgrond.

Het klimaat doet de behoefte aan die stoffen ontstaan, en vooral katoen is een gewild artikel; het meest worden ingevoerd de uit Britsch-Indië en de Vereenigde Staten komende, ruwe, ongebleekte stoffen. Zeer overvloedig is ook het gebruik van gebleekte, geverfde en bedrukte katoenen stoffen, waarbij Duitschland zal kunnen mededingen. Kousen en tricotbuizen worden reeds veel ingevoerd uit Duitschland.

Onder de in Berlijn tentoongestelde voorwerpen ziet men stukken mousseline en calico, witte stoffen voor hemden en andere onderkleedingstukken, dril, damast, percal en andere. Wollen en katoenen garens worden in de huisweverij in Abessynië veel gebruikt, en naaigarens bij de vervaardiging van kleedingstukken. Het gebruik van zijden stoffen is niet van veel beteekenis, omdat het zich bepaalt tot de voorname klassen der bevolking. Ook wollen stoffen vinden niet veel aftrek. Wel zouden als invoerartikelen in aanmerking kunnen komen dekens en tapijten, die ook in halfwol en katoen gewild zouden zijn. De invoer van ruw ijzer is van weinig belang, omdat er zoo weinig ruwe metalen in het land worden bewerkt. Men gebruikt bij den bouw der woningen veel plaatijzer. Als maar eenmaal het land eenige stapjes verder op den weg der ontwikkeling heeft gedaan, zullen werktuigen en gereedschappen van allerlei soort in veel grooteren getale aftrek vinden. Tafelmessen, vorken en lepels worden nog lang niet algemeen gebruikt; zakmessen beginnen reeds veel gewenscht te worden. Van meer beteekenis is reeds de aanwending van glazen, pannen, borden enz. terwijl de grootste rol de geëmailleerde ijzerwaren spelen. Wapens en degengevesten vinden steeds aftrek.

Glas, steengoed, porselein, spiegels, petroleum, hoeden, naaimachines, leêr, papier, klokken, parasols, schoenen, voedings- en genotmiddelen zijn allen dingen, die nu reeds bij den invoer in Abessynië eene meer of minder gewichtige rol spelen. Onder de genotmiddelen zou misschien vooral suiker voor den duitschen uitvoer naar Abessynië in aanmerking komen. De behoefte daaraan is tot nu toe door Frankrijk en Oostenrijk gedekt.

Voor Duitschlands handel en industrie worden dus in Abessynië op de meest uiteenloopende gebieden uitzichten geopend, en wij kunnen ons aandeel erlangen aan de openstelling van het land voor den handel. De wegen zijn nu geeffend door het handelsverdrag, dat de buitengewone zending naar Abessynië met de regeering heeft gesloten; verder door onze deelneming aan de oprichting van de in het leven te roepen ethiopische bank en aan toekomstige spoorwegondernemingen.

Toevallig komen juist in dezen tijd van vriendelijke toenadering van Duitschland tot Abessynië berichten over een belangwekkende toenadering van Abessynië tot Egypte. De stoot daartoe heet uitgegaan te zijn van den sultan van Turkije; maar of Engeland niet mee een klein duwtje heeft gegeven?

Een zending althans van Mac Millan naar Menelik van Abessynië schijnt nog al goede resultaten te hebben gehad en tot een voortdurende vriendschappelijke verhouding tusschen de twee staten aanleiding te zullen geven. Het handelsverkeer tusschen den egyptischen Soedan en Abessynië zal ervan profiteeren en het verkeer op den Boven-Nijl zal erdoor toenemen.

De goedwilligheid van den sultan in dezen is tezelfdertijd gebleken bij een geschil tusschen de Ethiopiërs en de Kopten over het klooster Deir es Sultan te Jeruzalem, dat door de christelijke Kopten opgeeischt werd, nadat het door de Mohammedaansche Ethiopiërs bezet was. Tot regeling van deze zaak werd Sadik-pacha naar keizer Menelik afgevaardigd met een eigenhandigen brief van den sultan en rijke geschenken. De zaak werd in het voordeel der Kopten beslist.

Men ziet, Menelik laat zich het hof maken, en hij zendt van zijn kant telkens ook gezanten naar Europa voor het aanknoopen van betrekkingen. Een zijner buitengewone gezanten was o.a. in October in Roemenië voor het aankoopen van meel, tarwe en haver voor Abessynië, wat niet geheel klopt met de hoopvolle mededeelingen over den graanrijkdom van Abessynië in het boven weergegeven duitsche rapport. De negus was intusschen heel vriendelijk voor Dr. Rosen en de zijnen, en voor keizer Wilhelm kreeg de gezant de Ster van Aethiopië mee, de hoogste orde van het land in goud en brillanten, plus een kostbaar abessynisch schild, antieke kruisen met belangwekkende opschriften uit het oude christenland, dat Abessynië is, en eenige zware olifantstanden.

Het duitsch-abessynisch handelsverdrag, dat 7 Maart in Adis Abeba is geteekend, heeft handelsovereenkomsten met Engeland, Frankrijk en Italië in zijn nasleep gekregen.

Geen wonder, dat er telkens geruchten opduiken van Menelik’s aanstaande komst in Europa; hij zou naar Rome, Parijs en Londen gaan. Zelfs Rusland interesseert zich voor het land der bruine Christenen; het heeft dezer dagen een zending ingenieurs erheen gestuurd, die er rijke goudmijnen constateerden en Menelik den raad gaven de mijnen voor eigen rekening te ontginnen.

Surtout pas trop de zèle” mag hier wel gelden!

Indrukken van Finland

Door Jonkvrouwe Clara Engelen.

Gezicht op Helsingfors.

Gezicht op Helsingfors.

Suomi is de zachte, welluidende, droomerige naam, dien de Finnen hun land hebben gegeven. Het is de naam van het land, dat in den laatsten tijd onze aandacht tot zich trekt, welks strijd voor vrijheid en oude rechten onze belangstelling gaande houdt.

Finland is voor ons, Hollanders, betrekkelijk onbekend. Waarschijnlijk zou het dat voor mij ook gebleven zijn, als het gelukkige toeval mij niet met eene Finsche had samengebracht, en ik niet in de gelegenheid ware geweest om Finland tweemaal te bezoeken.

Een paar jaar geleden nam ik het besluit, mijne finsche vriendin naar haar land te vergezellen en weinige dagen later waren we te Lübeck, om des avonds van daar met de Storfürsten1 naar Helsingfors te vertrekken. Voor dat we ons plaatsbewijs voor den overtocht kregen, moesten wij onzen pas laten zien en hem later op de boot dadelijk afgeven. Groot was de Storfürsten niet; zij leek mij zelfs in ’t oogvallend klein, maar ik wist toen nog niet bij ondervinding, dat de Oostzee zeer weinig golfslag heeft en dus ook door betrekkelijk kleine schepen kan bevaren worden. De zeventien passagiers waren voor het meerendeel Finnen, die naar hun land terugkeerden, blij het conservatieve Midden-Europa, zooals zij dat uitdrukken, te kunnen verlaten. Mijn vriendin had spoedig een paar kennissen gevonden, bij wie we ons gedurende de reis aansloten en met wie ik heel wat heb afgepraat. Bij meer dan één gelegenheid hebben we het Noorden en Midden-Europa met elkaar vergeleken, en telkens viel het mij op, hoe er door deze lieden met een zekere minachting gesproken werd over het laatste, dat als zeer behoudend en overbeschaafd bestempeld wordt.

Een ander thema dat ter sprake kwam, was de emancipatie. De Finnen zijn wat dit punt aangaat, zeer vooruitstrevend. Co-educatie b.v. is iets dat van zelf spreekt. Bijna alle meisjes doen hun “baccalaureat”,2 studeeren eenige jaren en zoeken vervolgens eene betrekking. De Finnen stellen er een groote eer in, dat zij andere landen zooveel vooruit zijn, maar hebben tevens de neiging om alles af te keuren, wat niet òf uit Zweden, òf uit hun eigen land stamt.

Opmerkelijk is het, dat de Finnen zich buiten hun land nooit recht thuis voelen; zij zijn geen kosmopolieten en het best te waardeeren in hun eigen omgeving; daar zijn ze gezellig en buitengewoon gastvrij voor vreemdelingen. Zoo hebben zij tijdens de reis al het mogelijke gedaan om mij niet buiten hunne gesprekken te sluiten en mij van hun land alles te vertellen, waarin ik belang kon stellen. Om mij genoegen te doen spraken ze ook onder elkaar duitsch, en werd er eens wat in ’t zweedsch of finsch gezegd, dan was er altijd iemand die als tolk dienst deed.

De avonden op de Storfürsten waren wel het gezelligst. Het weer was bizonder goed en dus konden we tot laat in den avond op het dek zitten. Eerst werd er gepraat, en als de late schemering begon te vallen, werden er liederen gezongen met een langzamen rhythmus, in een voor mij onbekende [106] weeke, zoetvloeiende taal. Geruischloos stoomde de Storfürsten over het water, dat effen was als een ijsvlak en waarin, aan den kant van het Noorden de lichte streep der ondergaande zon werd weerspiegeld. Nog later steeg de maan uit de zee op en vertoonde zich als een groote schijf aan den wolkeloozen hemel. In de verte, aan den horizon, zag men de lichten der vuurtorens van Gothland, Dagö en Ösel.

Ook den laatsten avond zouden we op het dek doorbrengen, maar ... om drie uur ’s middags kwam er mist, tegen vijf uur begon de boot eigenaardig te schommelen en om acht uur was de storm in vollen gang. Dienzelfden nacht voeren wij de Finsche golf binnen en in den morgen bereikten we Reval. Hier kwam de douane aan boord en inspecteerde niet alleen de bagage maar ook onze passen. Ze zagen er krijgshaftig uit die grenswachters met hunne uniformen, hooge laarzen en groote slagzwaarden. Toen ik me hierover eene opmerking veroorloofde, werd mij dadelijk het zwijgen opgelegd met een: hou je stil, anders krijg je last van hen! In Reval hadden we een uur tijd om de stad te bezichtigen. De alles overheerschende indruk, dien ik kreeg, was, dat huizen, straten en menschen onbeschrijfelijk vuil zijn. De bevolking heeft het bizondere type, dat aan den russischen moeijik herinnert: een goedige, domme, slaperige uitdrukking van het gezicht, lange baarden, recht afgesneden haar; een roode kiel, die tot de knieën reikt, en de voor een Rus onmisbare hooge vetlaarzen. Verder vielen me de kleine rijtuigen op, getrokken door paarden, die gespannen zijn in een hoog halsstel en bestuurd worden door een koetsier met een langen, blauwen jas aan en een platten, hoogen hoed op. Gaarne waren wij wat langer in Reval gebleven, doch we moesten naar de boot terug.

Om twaalf uur kwam Helsingfors in ’t gezicht; eerst als een witte streep aan den gezichteinder, maar spoedig kon men enkele gebouwen onderscheiden, zooals de russische kerk met haar blinkende koperen koepels. We voeren nu niet meer door de open zee, maar tusschen de talrijke eilandjes, die voor de finsche kust liggen. Dit zijn de “scheren”, die Helsingfors een natuurlijke haven geven. Sommige van die scheren zijn bewoond, andere niet; er zijn er begroeid met boomen, en ook die als kale klippen boven het water uitsteken. Voor men te Helsingfors aankomt, vaart men langs Sveåborg, de vesting, vroeger door de Zweden en nu door de Russen bezet. Zij wordt streng bewaakt en de toegang is voor ieder verboden.3 Er wordt beweerd, dat er staatsgevangenen onder in de kelders zitten opgesloten; van andere zijde heb ik dit beslist hooren tegenspreken. In de nabijheid van Sveåborg ligt nog een eilandje, door militairen bezet. Men zegt dat ook daar gevangenen zijn; niemand mag het eiland naderen; te middernacht legt er een boot aan, om de bezetting van voedsel te voorzien. Er werd gefluisterd, dat de vader van Schumann4 daar gevangen zat. Een andere persoon verzekerde mij, dat er niets bizonders aan het eiland is en dat het tot Sveåborg behoort; hij voegde er bij: de Finnen houden van mysterieuse geschiedenissen en nemen dikwijls zeer onzekere dingen voor waar aan.

We konden niet te Helsingfors aan land komen voordat de douane ons de passen had teruggegeven. De namen van de passagiers werden afgeroepen en ieder moest maar zorgen zijn pas terug te krijgen, want zonder pas wordt men nergens toegelaten, waar de Russen hunne oppermacht doen gelden.

Helsingfors is in 1550 gesticht en sedert 1817 de hoofdstad van het finsche groothertogdom. Eerst na dien tijd is het een stad van eenige beteekenis geworden. Het is een moderne stad, als ’t ware volgens een vast schema gebouwd, met rechte straten, afgewisseld door mooi aangelegde en goed onderhouden parken. De groote beweging is op de Esplanade: daar zijn de cafés en daar is elken avond muziek. In de nabijheid van Helsingfors zijn talrijke gelegenheden om des avonds te soupeeren, of de middaghitte te ontloopen. Wie in Helsingfors is geweest, kent ongetwijfeld: Klippan (de klip), Alphyddan (de alpenhut) Brunsparken en Högholmen. Klippan is een van de scheren; vooral des avonds heeft men er een prachtig uitzicht: aan den eenen kant de zee met de vele eilanden, aan de andere zijde het silhouet van de stad en de haven. Als men eenmaal des avonds op Klippan is, vergeet men den tijd; zoo tenminste ging het mij, want zelfs om 11 uur was het nog niet geheel donker. Als men dan laat in den avond in Helsingfors terugkomt, zijn de straten meer bevolkt dan midden op den dag. De stad is namelijk in den zomer zeer warm; wie kan, gaat van Mei af naar buiten, en zij die in Helsingfors moeten blijven, gaan eerst tegen den avond uit. De familie waar ik zou logeeren, was ook met de geheele huishouding buiten, en alleen de heer des huizes was naar Helsingfors gekomen, om met zijne dochter mij de stad te laten zien. Omdat we dus geen bediening in huis hadden, namen we onze maaltijden in een restaurant. Zoo maakte ik in Brunsparken nader kennis met de zweedsche keuken,5 waarvan ik op de Storfürsten al een voorproefje had gehad. Men begint het middagmaal met smörgos,6 dat gedekt staat op eene groote tafel in ’t midden van de eetzaal. Bedien u zelf! heet het hier. Men neemt een bordje, vork en mes en begint van al de lekkernijen, die gereed staan, wat op te pikken; een radijs, een stukje knäckebröd,7 wat gerookt rendiervleesch, wat wittebrood; maar pas op, het brood zoowel als de gemarineerde sardines zijn zoet van smaak! Het smörgos wordt staande gegeten en het kost heel wat moeite eer men leert, handig met vork en mes te manoeuvreeren en ook om de lekkerste beetjes te vinden. Voor de heeren staat er brandewijn klaar, dames drinken nooit daarvan. Na het “smörgos” begint het eigenlijke middagmaal. Volgens het menu kan men als eerste gerecht kiezen, soep of “tilbunke”. Heeft men den moed dit laatste te bestellen, dan komt er eene glazen kom met ... “hangop”; in Zweden en Finland eet men [107] deze spijs des zomers in plaats van soep. Verdere verrassingen komen er met het eten niet dikwijls voor, alleen is alles met veel vet klaargemaakt, maar daar went men aan.

Alphyddan is een meer bescheiden uitspanningsoord, maar ligt heel mooi te midden van een bosch. Zoo dicht bij een stad zou men niet een dergelijke “wildernis” verwachten. Alleen de rijwegen zijn goed onderhouden, voetpaden vindt men er bijna niet. Het bosch staat voor iedereen open, men mag loopen waar men wil, verboden wegen zijn er niet, men mag er bloemen plukken zooveel men lust heeft; maar van ’t vernielen van planten is geen sprake, want de Finnen leeren van hunne jeugd af aan zorg te dragen voor het algemeen eigendom.

Högholmen, het “hooge eiland”, is de dierentuin, waar de rendieren, die daar in vrijheid rondloopen, wel het merkwaardigst zijn.

Huis te Helsingfors in nieuwen finschen stijl.

Huis te Helsingfors in nieuwen finschen stijl.

Ik trof het niet, dat in Helsingfors alle openbare gebouwen wegens de zomervacantie gesloten waren. Oude gebouwen vindt men er in ’t geheel niet; maar de moderne vertoonen een zeer merkwaardigen stijl. Dit is de “nieuwe finsche stijl”, die voornamelijk symbolistisch is; de huizen zijn versierd met allerlei mystieke gedrochten, die in het Kalevala, de Volkssage der Finnen, worden genoemd. De bouw van de huizen schijnt terug te gaan op een stijl, die in overoude tijden in Finland gebruikt werd; dit heeft mij de bekende finsche architekt Eliel Saarinen zelf verteld. Al die nieuwe huizen hebben een naam, aan het Kalevala ontleend. Een van die gebouwen is de finsche schouwburg, waarop de Finnen zeer trotsch zijn en waarin nationale stukken gespeeld worden door hun groote tooneelspeelster Aino Acté.

Mist men in Helsingfors de oude gebouwen, nog eigenaardiger is het wellicht, dat er geene achterbuurten zijn: de huizen van rijken en armen staan naast en door elkaar.

Als vervoermiddel in de stad heeft men de electrische tram, maar meestal maakt men gebruik van een van de vele rijtuigen, die overal gereed staan. Het rijden in Helsingfors is zoo goedkoop, dat ook de volksklasse er gebruik van maakt. De rijtuigen, alle voorzien van gummibanden, zijn kleine victoria’s, waarin slechts voor twee magere personen plaats is; de rugleuning is bizonder laag. Het paard, op russische manier aangespannen, loopt vlug, zelfs daar, waar het in de heuvelachtige straten bergop gaat. De koetsier heeft ongeveer dezelfde kleeding als die, welke ik in Reval zag en bedient zich zeer zelden van het korte zweepje, waar hij gewoonlijk op zit.

De winkels leveren over ’t algemeen niets eigenaardigs op, behalve die waar slöjd-voorwerpen en homespun kleeden worden verkocht. Die kleeden zijn dikwijls versierd met kunstige steken of met applicatiewerk. Meestal worden hiervoor heldere kleuren uitgezocht, groen, blauw, rood, geel, oranje, nog des te meer sprekend door de zwarte omlijning. De zelfde kleuren komen voor op de houten slöjd-voorwerpen, die meestal zeer eenvoudig van vorm zijn. Zij worden, evenals de kleeden, gemaakt door de boeren tijdens de lange winteravonden. Zoo ook de voorwerpen uit gevlochten berkenschors vervaardigd, waaronder zelfs schoenen zijn.

Om Helsingfors te leeren kennen heeft men niet zoo heel veel tijd noodig, en we besloten dus vrij spoedig de reis naar buiten te ondernemen. We gingen tegen den avond uit Helsingfors. Eerst spoorden we langen tijd door een bosch, toen door eene vlakte waar niet heel veel moois of merkwaardigs te zien was. Tegen middernacht bereikten we een dorp, van waar een boot vertrok naar de plaats onzer bestemming. Het meer maakt een zeer bizonderen indruk, vooral als men het voor de eerste maal ziet in het schemerachtige middernachtslicht. Zwarte dennen staan er om heen, hun silhouet teekent zich in krachtige lijnen tegen de rood-oranjekleurige lucht. Het meer is zoo kalm, dat het geheele landschap er zich duidelijk in weerspiegelt en het water dezelfde oranjekleur krijgt als de lucht. Het landschap geeft den indruk van groote rust; ineens wordt het duidelijk, waarom de Finnen zoo poëtisch zijn en zoolang droomend voor zich uit kunnen staren. Men begrijpt dat deze natuur de Finnen gemaakt heeft tot wat zij zijn: een volk van sagen en poëzie. Zoo stoomde de boot voort in de eigenaardige schemering der noordernachten, en de natuur zou iets kouds, zelf iets griezeligs gehad hebben, als niet de oranjetint van de lucht meer warmte aan het landschap had gegeven. Langer dan twee uur duurde de bootreis langs de tallooze eilandjes en landtongen, die allerlei grillige vormen aan het meer geven. Tegen drie uur in den nacht bereikten we het buiten waar ik zou logeeren.

Voor we aan wal stapten werd ik opmerkzaam gemaakt op een sluis. “Zijn er wel sluizen in Holland?” vroeg men mij. Ik kon niet nalaten even te glimlachen over deze vraag.

Bizonder hartelijk was de ontvangst; het nachtelijk uur werd niet in aanmerking genomen, want de Finnen zijn er aan gewoon dat men den nacht voor reizen gebruikt. De vrouw des huizes was op, zij had koffie voor ons klaar gemaakt, maar na deze en enkele zoete beschuitjes gebruikt te hebben, werd ik beleefd verzocht zoo gauw mogelijk [108] naar bed te gaan en den volgenden morgen niet al te vroeg voor den dag te komen.

Finsch meer in den omtrek van Helsingfors.

Finsch meer in den omtrek van Helsingfors.

Ik had een aardige kamer, die zeer eenvoudig was ingericht; de meubels waren van licht blauw geverfd hout; het bed bestond uit een plank op twee schragen; de tafel was op dezelfde manier gemaakt en een vriendelijke hand had er een grooten ruiker met veldbloemen opgezet. Voor het groote openslaande raam hing een donker gordijn. Eigenwijs, vond ik het volstrekt niet noodig het naar beneden te laten en werd, tot mijn straf, een half uur later wakker door de zon, die fel in mijne kamer scheen. Om negen uur kwam een keurig gekleed dienstmeisje me een kopje slappe thee brengen, ook alweer met zoet brood. Ik knikte haar toe; zij beduidde mij vriendelijk, van haar kant, dat ik nemen moest wat ze mij bracht. Die pantomime herhaalden we elken morgen, want ik heb geen woord tegen haar kunnen spreken.

Toen ik me gekleed had, werd ik afgehaald om mee te gaan zwemmen; dat doen de Finnen, ook het volk, in den zomer eens of ook twee keer per dag. De boeren gebruiken elken Zaterdag hun dampbad, waarvoor eene schuur nabij de boerderij is ingericht. Daar staat een groote steenen kachel, waarboven een kamertje is voor drie of vier personen om het dampbad te gebruiken. Daarna nemen zij gewoonlijk, soms zelfs in den winter, eene koude onderdompeling in het meer. Ook de knechts der boerderij hebben recht op hun wekelijksch dampbad.

De dagindeeling was verder als volgt:

Elken dag kreeg ik tot elf uur niets anders dan het kopje thee, maar dan werd het wachten vergoed door een ontbijt, dat meer leek op middageten. Tot twee uur gingen we wandelen of aan het meer zitten, en dan werd buiten koffie gedronken met allerlei soorten van zelf gebakken brood en koek. Des middags werd ik meestal aan me zelf overgelaten. Om vier uur werd gegeten. Bij dezen maaltijd werd een drank gebruikt, die naar zuur bier smaakte en in huis wordt bereid. Na het eten maakten we samen eene wandeling of we roeiden op het meer. Wij bleven dan uit tot middernacht, of nog later; waarom zouden we ook eerder naar huis gaan, want donker werd het niet? Eens hebben we een avond doorgebracht op een eiland. Op een vuur van gesprokkeld hout maakten wij zelf ons avondeten klaar. Alle handen kregen wat te doen, want er moest voor een groot gezelschap gezorgd worden. Na gedanen arbeid mochten wij rusten. We gingen bij het vuur zitten en er werd gepraat en gezongen; weer hoorde ik dezelfde melodieën, die op de Storfürsten zoo diepen indruk op mij gemaakt hadden.

Op een anderen avond heb ik een boerenfamilie bezocht. We reden er heen op een paar kleine karretjes met woeste paarden er voor; de weg was slecht en bij gedeelten heel steil, zoodat ik er verbaasd over was, dat we niet omrolden. Mijne vrienden echter vonden den weg nog betrekkelijk goed: “buiten kan men geene betere wegen verwachten!” Ik werd zeer hartelijk ontvangen op de boerderij, maar ik kon met niemand praten. Later hoorde ik, dat de bewoners der hoeve zeer vooruitstrevend zijn; twee zoons studeeren.

Zooals de meeste finsche buitenhuizen, is het huis waar ik gelogeerd heb, van hout; bijna alle kamers zijn gelijkvloers. Het ligt op een heuvel en van uit de woonkamer heeft men een aardig uitzicht op den tuin, het bosch en het meer. Die kamer is zeer eenvoudig ingericht en wordt alleen voor de maaltijden [109] gebruikt en als het regent. Bij goed weer is men den geheelen dag buiten of op de galerij voor het huis. Voor regendagen is er een welvoorziene boekenkast en vindt men een paar gemakkelijke stoelen; ook de schommelstoel, die in het noorden zooveel gebruikt wordt, is voorhanden. De buitendeur heeft geen nachtslot, ook blinden ontbreken; de huissleutel hangt zelfs dag en nacht aan een spijker buiten aan de deur; wel een bewijs, dat de bewoners der dorpen te vertrouwen zijn. Men hoort slechts zeer zelden van inbraak of diefstal, werd mij verteld.

Finsche boerenwoning.

Finsche boerenwoning.

Het buiten leek mij een klein paradijs in de wildernis, geheel van de buitenwereld afgesloten. Maar dat werd me met een spottenden blik dadelijk tegengesproken; dat was echt midden-europeesch gezegd. Afgezonderd leeft men volstrekt niet, zoo werd ik onderwezen, als men twee maal per dag de boot ziet voorbij varen. En nu werd me verteld van een plaats, waar men slechts eens per week de “post” kon halen in een dorp, dat eerst na twee uur roeien te bereiken is.

De dorpen in de buurt liggen in eene boschrijke, heuvelachtige en waterrijke streek; daar, waar men de meren niet ziet, doet de natuur heel even aan Zwitserland denken. De boerenwoningen zijn donkerrood geverfd met witte raam- en deurkozijnen en gootlijst. Van binnen zijn ze zeer eenvoudig ingericht en buitengewoon zindelijk. Een groot gedeelte van het vertrek wordt door de steenen kachel ingenomen, waarop verschillende zitplaatsen zijn aangebracht. De meubels zijn eenvoudig en hebben geen bizonderen stijl; antieke stukken komen zeer zelden voor, ik zelf heb er geen gezien. Bijna elk huis heeft zijn weeftoestel, dat gedurende de lange winteravonden wordt gebruikt. Nergens ontbreekt bij het huis de voorgeschreven brandladder en de ton, die altijd met water gevuld moet zijn.

De Finnen behooren tot een tak van het Mongoolsche ras, die de Oeral-Altaïsche volksstam heet. Toen de Indo-Europeesche volken Europa zijn binnengedrongen, begaf deze stam zich naar het noorden. Hun land werd Suomi of Suomenmaa genoemd: het land der zeeën en moerassen. Die naam is later door de Duitschers vertaald in “ven-land” (ven = moeras, veen), wat later Finland werd.

Het finsche ras is klein, slank en lenig. Het draagt min of meer de kenmerken van de mongoolsche afstamming: de schuinstaande oogen, het ronde hoofd, het lage voorhoofd, de hoekige jukbeenderen en de sterk ontwikkelde onderkaak. De neus is meestal kort, de oogen liggen diep in de kassen en zijn het meest expressieve gedeelte van het gelaat. De kleur van het haar is meestal blond en de oogen blauw of grijs, maar ook donkere typen zijn niet zeldzaam. [110] In het westen, waar ook Zweden wonen, is het finsche type verloren gegaan. De nationale kleederdracht wordt niet veel meer gedragen; alleen Karelië, een provincie bij de russische grens, maakt hierop eene uitzondering. De vrouwen dragen meestal alleen den korten blauwen rok, de gekleurde schort, een linnen blouse met gewerkte manchetten, boord en borststuk, en tot sieraad de ronde finsche speld. De kleeding der mannen is nog minder in ’t oogvallend.

De Finnen zijn geneigd tot droomen en dichten, zooals ik reeds schreef. Waarschijnlijk brengt de natuur die hen omgeeft, hier veel toe bij, want voor natuurschoon zijn zij zeer gevoelig. Reeds in hunne oude volksliederen worden de natuurkrachten bezongen. Het zijn droefgeestige balladen, even zwaarmoedig en geheimzinnig als het landschap, wanneer het omgeven is van den nevel die opstijgt uit de tallooze meren. Finland is rijk aan mondelinge overleveringen, de Runen, in het finsch Runot, die vooral in Karelië voortleefden. Elias Lönnrot heeft ze vereenigd tot een nationaal epos, dat hij het Kalevala noemde. De hoofdinhoud er van is de strijd tusschen twee volken, de Finnen (Kaleva) en de Lappen (Pohjola). De held is Wäinämöinen, de god der zangers en tevens de personificatie der natuur. Hij begeleidt de liederen, die hij zingend dicht, met de kantele, een soort van cither, die men nu nog slechts zeer zelden bij de boeren aantreft.

De taal is, zooals ik in het begin reeds opmerkte, bizonder zoetvloeiend. Zij herinnert, wat klank aangaat, aan het italiaansch. Er is niets van te begrijpen en sommige woorden zijn zoo lang dat men ze niet kan uitspreken. Een zin wordt soms gevormd door één woord, met behulp van allerlei voor- en achtervoegsels; er zijn er veertien, die alle een verschillende verbuiging vragen. De u wordt als oe uitgesproken, en de klemtoon valt altijd op den eersten lettergreep. “Tule tanne” beteekent: kom hier; “pikku” is: klein; “kulta poike” is: lieve jongen; “ei kytos” is: dank u zeer; “hyvästi” is: goeden dag, “hyvää päivää” is: goeden avond. “Vastaanotettavaksenne saapunut”, wil zeggen: dit is uw vrachtbrief. Alle letters worden afzonderlijk uitgesproken, ook dubbele klinkers en medeklinkers. De meeste Finnen spreken ook zweedsch, vooral daar waar de Zweden de overhand hebben. In de 18de eeuw behoorde het tot den goeden toon om zweedsch te spreken. Daardoor zijn tal van woorden, vooral die, welke uitvindingen van de laatste honderd jaar aanduiden, alleen in de zweedsche taal bekend. Nu het Finsch meer in gebruik komt, worden deze woorden “verfinscht”. De finsche taal is rijk aan symbolen, allegorieën en pleonasmen, waardoor zij reeds in het dagelijksch leven poëtisch klinkt; ook de dikwijls voorkomende alliteratie draagt hiertoe bij. Daarentegen komen rijmwoorden zelden voor en wordt de versvorm bijna uitsluitend in de maat gevonden. Het herhalen van dezelfde gedachte in opeenvolgende verzen en ook de rijke beeldspraak schijnt te wijzen op den orientaalschen oorsprong van het Finsch. In de 12de eeuw brachten de Zweden met het Christendom hunne taal in Finland, waardoor het Finsch veel van zijn oorspronkelijkheid verloor.

Reeds in 1175 kwamen de Finnen met de Zweden in aanraking. Koning Erik de Heilige van Zweden zocht hen te onderwerpen en tot het Christendom te bekeeren. Dit gelukte echter eerst in 1249 door Birger Jarl. Finland werd toen een hertogdom en mocht sedert 1362 afgevaardigden zenden naar Zweden, als daar een koning moest gekozen worden. Dikwijls gebeurde het, dat een zweedsche prins Finland in leen kreeg. Gustaaf Wasa maakte Finland protestant. Telkens hebben de Russen getracht het land te veroveren, maar zij werden gewoonlijk door de vereenigde Zweden en Finnen verslagen. Eerst na het verdrag van Tilsit, 1807, werd de keizer van Rusland groothertog van Finland. Gustaaf IV Adolf van Zweden, n.l. was de tegenstander van Napoleon. Deze wilde door middel van Alexander I den koning van Zweden dwingen, toe te treden tot het Continentale stelsel. Het plan mislukte en Alexander veroverde Finland. Den elfden Februari 1809 beloofden de Finnen op den landdag te Borgå trouw aan den Keizer van Rusland en deze beloofde de rechten en wetten van Finland te eerbiedigen. Zijne navolgers hebben bij hunne troonsbestijging deze belofte moeten herhalen.

Na 1809 is de ontwikkeling van Finland met rassche schreden vooruitgegaan en kwam er tevens eene beweging om het finsche element krachtiger te doen worden dan het zweedsche. Snellmann, de professor aan de universiteit, gaf hieraan den stoot en werd gevolgd door de dichters Rüneberg, Topelius en Lönnrot.

Het was Rüneberg, die het volkslied der Finnen maakte:

Maa isänmaamme suomenmaa,

Sei sana kultainen!

Ei laaksoa, ei kukkulaa,

Ei vettä, rentaa rakkaampaa,

Kuin kotimaatää pohjainen

Maa kallis isien.

On maamme köyhä, siksi jää

Jos kultaa kaipaa ken.

Sen kyllä vieras hylkäjää,

Mut nuillekallein maa ontää

Kauss’ salojen ja saarien

Se meist on ultainen.

O, land, o vaderland,

Klink luid, gij dierbaar woord!

Geen berg, die zich naar den hemel verheft,

Geen dal, geen groene oever

Is meer geliefd, dan ons noorden,

Het land onzer vaderen.

En hoe arm dit land ook is

Voor hem, die goud begeert,

Al gaat de vreemdeling trotsch ons voorbij,

Wij blijven aan ons land getrouw

Het is ons, met wat het ons geeft,

Meer waard dan goud.

Om het gewicht van die finsche beweging te begrijpen, moet men weten, dat het land in verschillende partijen verdeeld is. De zweedsche partij vormen de Zweden, die sedert eeuwen in Finland gevestigd zijn. Zij wonen aan de westkust en staan op goeden voet met de Oud-Finnen. Deze doen alles om de finsche nationaliteit te bewaren, maar zij verzetten zich niet noodeloos tegen Rusland. Dan is er nog de Jong-finsche partij; deze wil Finland geheel op zich zelf houden; daarom is zij èn tegen de zweedsche partij èn tegen Rusland, en noemt de Oud-Finnen zeer conservatief. Maar het streven naar het instandhouden der finsche taal gaat van beide finsche partijen uit. De universiteit te Helsingfors werkt in die richting mede.

Het opwekken van nationaal gevoel is begonnen, toen Rusland pogingen aanwendde om Finland te russificeeren. Waarschijnlijk worden nu twee vragen gedaan: wat is de reden dat Rusland aan Finland zijn vrijheid wil ontnemen, en waarom heeft dat land er tegen russisch te worden? Die vragen heb ik door verscheidene Finnen op de zelfde manier hooren beantwoorden. De kwestie van russificatie, [111] zeggen zij, berust op jaloezie van den kant der Russen. Finland heeft zijn rechten behouden, die het vroeger door Zweden gekregen heeft en heeft daardoor meer vrijheid dan de Russen. Het heeft zich kunnen ontwikkelen en geheel de zweedsche beschaving kunnen volgen. De Russen hebben geen vrijheid, en al wilde de keizer ook toegeven, hij zou niet kunnen, omdat de grootvorsten en de hofpartij het tegen zouden gaan. Deze hebben, om de liberale stemmen in Rusland te smoren, den keizer gedwongen strenger tegen Finland op te treden.

Finsche studente.

Finsche studente.

En nu, waarom zou Finland niet gerussificeerd willen worden? Ten eerste om zijne nationaliteit niet te verliezen, maar vooral ook, omdat het Rusland ver vooruit is in beschaving. Wij zijn een oud cultuurvolk, zeggen zij. De Russen hebben vele slechte eigenschappen (o.a. het drinken van wotka-brandewijn) en die zouden spoedig door de Finnen overgenomen kunnen worden, als zij in het russische leger moesten dienen. Verder is er het verschil van ras en godsdienst.

De zweedsche Finnen, die veel energieker zijn dan de eigenlijke Finnen, zagen het eerst het gevaar waarin hun land verkeerde en zij begonnen in de steden van het westen lezingen en vergaderingen te houden, ten einde dit gevaar af te wenden. Dadelijk werden zij geholpen door de Finnen, die in Helsingfors studeerden en, op het oogenblik is het voornamelijk de finsche stam, die tracht de boeren in het oosten wakker te schudden. Mannen zoowel als vrouwen (voornamelijk de studenten) werken er op, het volk te laten voelen, welke waarde voor hen de vrijheid heeft. Niet alleen in de steden, maar ook op het platte land worden lezingen gehouden. Dit doen de studenten gedurende de zomervacantie. Zij stellen zich tot doel het volk zooveel mogelijk te ontwikkelen en het schijnt hen ook werkelijk te gelukken, de boeren uit hun flegma op te heffen. Ook worden er volksfeesten gehouden, waar ieder verzocht wordt in nationaal kostuum te verschijnen. De studenten zijn in Finland zeer gezien; alles wat de studentenpet draagt, wordt met zekeren eerbied behandeld. Het is een feest voor geheel Helsingfors, als de pet wordt uitgereikt aan de nieuwe studenten; dat gebeurt op 1 Mei; daarna begint de zomervacantie, die tot September duurt. De nieuwe studenten, jongens zoowel als meisjes, krijgen van elk hunner vrienden een bouquetje, dat zij op de borst vast hechten en zoo, met bloemen behangen, nemen zij deel aan het bal, dat te hunner eere wordt gegeven.

Finland is een zeer democratisch land, er is geen adel en er bestaat weinig verschil van stand. Tot de aristocratie behooren alleen enkele zweedsche families en eenige Russen. De meisjes en jongens gaan samen op de lagere school en blijven ook op lateren leeftijd als student zeer vrij met elkaar omgaan.

Dit alles was het, wat ik bij mijn eerste bezoek aan Finland opmerkte en waardoor bij mij de lust werd opgewekt het land nog eens nader als toerist te leeren kennen.

Bij mijn tweede bezoek kwam ik in Helsingfors van uit Stockholm over Åbo.

Wederom brachten we, ditmaal drie personen, eenige dagen door onder het gastvrije dak van vroeger. Hier kregen we allerlei inlichtingen voor de reis, die we door Finland wilden ondernemen. Met goeden moed om het onbekende land te zien, waar niemand ons zou verstaan, verlieten wij onze vrienden, en den zelfden avond bereikten we de Imatra. Aan het station wachtte ons een soort van omnibus; we stapten er in met verscheidene andere menschen; hoe ze er uitzagen konden we in de duisternis niet zien, hun taal niet verstaan en intusschen kletterde de regen lustig op het gesloten zeildoek van het rijtuig. Eensklaps werd mijne oplettendheid gaande gemaakt door het bruisen van snelstroomend water, toen reden we een brug over en zag ik, even tusschen de reten van het zeildoek door, een woesten stroom die zijn smallen weg baant tusschen twee rotswanden. Eenige oogenblikken daarna hielden we stil voor het hotel, een groot gebouw, geheel naar moderne eischen ingericht.

Toen ik den volgenden morgen de Imatra zag, kwam een gevoel van teleurstelling bij mij op. Zóó had ik me dien beroemden waterval niet voorgesteld en in geen geval zóó smal; men krijgt een gevoel “er over heen te kunnen stappen”, want door de diepe bedding lijkt de kloof minder breed, al is zij toch nog een 45 meter; de Imatra is eigenlijk geen waterval maar een stroomversnelling. Misschien bracht ook het nevelachtige weer en het vroege morgenuur er toe bij om den indruk minder grootsch te maken. Daarbij is de omgeving van den stroom in de buurt van het hotel niet gunstig; alle groote boomen zijn weggekapt en daarvoor is jong hout in de plaats gekomen. Van af de brug is de indruk beter; daar ziet men welk een massa water er in de nauwe gang geperst wordt; in woeste vaart spat het op tegen de groote rotsblokken die het trachten te stuiten; de snelheid van den stroom is duizelingwekkend. De Imatra is de afvoer naar het Ladoga-meer, van het water der meren die te zamen het Saimagebied vormen. Zij zijn verbonden door het Saima-kanaal, dat gegraven [112] is tusschen Villmannsstrand en Wiborg (1844).

Dorpsstraat in Sortavala.

Dorpsstraat in Sortavala.

Om tien uur in den morgen zouden we uit Imatra vertrekken met den eersten en laatsten trein, want na veel moeite werd het ons duidelijk gemaakt dat er maar eens per dag gelegenheid is om van Imatra weg te komen. De slechte communicaties maken het reizen in Finland zeer moeilijk; en was het dat maar alleen; maar de spoorboekjes verschillen soms zeer in de opgaven van vertrek en aankomst. Men weet nooit of een trein ook een half uur eerder of later vertrekt en of er ook eene verandering in de dienstregeling is gekomen, die niet op de lijst van aankomst en vertrek der treinen is opgegeven. Dat alles zou men nog wel gewaar worden, als men de taal van het land kende; we konden ons slechts zeer gebrekkig verstaanbaar maken. Toevallig kende iemand wel eens duitsch, of wel we bedienden ons van enkele zweedsche uitdrukkingen, wat soms nog meer verwarring aanbracht, omdat wij ook deze taal niet voldoende machtig waren. De trein, die ons van Imatra naar Wuoxenissa zou voeren, liet ongeveer drie kwartier wachten. Gelukkig kwamen we nog juist bij tijds aan, om vandaar de boot naar Villmannsstrand te kunnen nemen. Als het niet zoo koud en stormachtig was geweest, hadden we zeker van den boottocht genoten. Ook de koude heeft er het hare toe bijgebracht, dat Villmannsstrand, eene badplaats, ons niet kon bekoren. Die koude in Finland was iets zeer bizonders, gewoonlijk zijn de zomers er zeer warm, hoewel de temperatuur des nachts sterk afkoelt. Van verscheidene kanten hoorde ik, dat men bang was voor een slechten oogst, als de koude bleef aanhouden. Van Villmannsstrand gingen we per boot naar Punkaharju, de plaats die de Finnen als een van de mooiste plekjes van hun land aanduiden en waar tal van Russen den zomer doorbrengen. Om tijd te winnen reisden we ook nu weer des nachts; als men per boot gaat heeft dit weinig bezwaren. Alleen is het zeer onaangenaam om ’s morgens vroeg van boot te moeten verwisselen, of op een nog nachtelijk uur op de plaats der bestemming aan te komen, zooals ditmaal het geval was. Om vijf uur moesten we te Nyslott aan wal, om daar tot negen uur op eene boot te wachten. ’t Was al weer erg koud, maar de zon scheen lekker. Gelukkig zijn de Finnen goed te vertrouwen, want, daar er bij de landingsplaats der booten niets was dat op een bagage-bureau leek, besloten we, onze bagage maar bij een bank neer te zetten en vervolgens de stad in te gaan. Bij onze terugkomst bevonden we, dat alles er nog lag en dat ook nog iemand anders er zijne reistasschen had bijgevoegd. Nyslott heeft een vriendelijker aanzien dan de andere finsche steden; het heeft niet het sombere en verlatene van Åbo, van Wiborg en Villmannsstrand. Er is een oud slot, dat van binnen nog al merkwaardig zijn moet; maar zoo vroeg in de morgen kon men zich geen toegang verschaffen.

Naar Punkaharju bracht ons binnen weinig uren een bootje, waarop verscheidene passagiers waren, die we al eerder hadden ontmoet, o.a. eene finsche dame met twee dochtertjes. Toevallig raakten we met haar in gesprek en zij deden ons de vraag, die mij vroeger al zoo dikwijls door Finnen werd gedaan, of wij Prof. van der Vlugt uit Leiden ook persoonlijk kenden. Zij vertelde ons hoe haar dochtertje hem in 1900 een bouquet had aangeboden en hoe zij tot dank daarvoor van hem een kus kreeg. “Dat noemen wij nu den historischen kus van Prof. van der Vlugt,” voegde zij er bij.

Was de Imatra me tegengevallen, Punkaharju zeker niet. Ik had er echter langer moeten blijven, om er ten volle van te kunnen genieten. Groote wandelingen zoekt men er te vergeefs, telkens stuit men op water. Maar roeien en zeilen kan men er des te meer, en er zijn een menigte van mooie plekjes, waar men van onder de boomen een ver uitzicht heeft over de watervlakte met hare tallooze eilandjes. [113]

De hoofdkerk van Walamo van binnen.

De hoofdkerk van Walamo van binnen.

Van Punkaharju af volgde een reis van acht uur rijden. In het hotel hadden we zoo goed het kon alles over de rijtuigen, de koetsiers en den prijs afgesproken. Wij zouden met de post reizen, de prijs was 8 cent per kilometer, niet te veel naar ons voorkwam. Van het oogenblik af, dat we in de wagentjes waren gaan zitten, konden we geen woord meer tegen de voerlieden zeggen, omdat zij eenvoudige boertjes waren, die niet anders dan Finsch spraken. Daar zaten we nu, wetend, dat we om vijf uur te Elisenwaara zijn moesten, om den eenigen trein naar Sortavala te halen. We vertrouwden maar op ons geluk, verder viel er ook niets te doen, dan te zorgen, dat men zoo min mogelijk schokte in den wagen, want de weg was slecht en de voertuigen niet de beste. ’t Was alweer koud, maar gelukkig niet regenachtig. De paardjes liepen onvermoeid door en we hadden alle hoop op een goede reis. Bij een veer kwam de eerste moeilijkheid: we moesten betalen. Gelukkig is de gebarentaal overal dezelfde en hebben de Finnen nog niet geleerd vreemdelingen te exploiteeren; ze gaven ons dus netjes ons geld terug, toen het bleek dat we te veel betalen wilden.

Gedurende de reis moesten we vijf keer van paarden en koetsier verwisselen. Meestal kregen we vader en zoon mee, en nu was het opmerkelijk dat de weg en de wagens hoe langer hoe slechter werden en de zoons hoe langer hoe jonger. Het laatste koetsiertje was zeker niet ouder dan acht jaar. Hij was een alleraardigst ventje, dat altijd door wilde praten en erg verbaasd was, dat we hem niet verstonden. Tegelijkertijd lette hij goed op zijn paard en was bizonder tevreden over zichzelf, toen hij den vader een heel eind vooruit was. Hij zat op een laag bankje voor ons, maar was zoo klein, dat hij er telkens afzakte. Eindelijk heb ik onzen koetsier maar op schoot genomen.

’t Ging als van een leien dakje tot het laatste station. Toen was er geen paard te krijgen. We konden niets zeggen of vragen, en als we boos keken, lachten de boeren ons vriendelijk toe. De boerin vroeg ons zelfs binnen te gaan en deed al het mogelijke om ons goed te ontvangen. Na eenigen tijd van ongeduldig wachten hoorde ik het woord “tule”. “Nu komt het paard”, zeide ik, want “tule tanne” beteekent “kom hier”. En ik had gelijk: daar kwam het aan. Tot aandenken wilde ik de familie photographeeren. Dit was het eenige woord, dat ze van ons begrepen. Nauwelijks had ik “photographie” gezegd, of het heele huishouden kwam aanloopen, ook de grootvader, die zeker nog nooit gephotographeerd was. [114]

Te goeder ure kwamen we in Elisenwaara. De weg, dien we gereden hadden, was slechts bij gedeelten mooi, want witte berken vervelen op den duur, als ze door geen ander hout worden afgewisseld en een meer met dennen er om heen verliest zijn bekoorlijkheid, als twee uur lang geen verandering in het landschap komt. Nog eens, Finland is geen land voor toeristen, maar een land om op één plaats stil te blijven; het is een land om te rusten en te droomen.

De trein bracht ons naar Sortavala, eene stad die op ’t eerste gezicht niet aanlokkelijk scheen en ook in werkelijkheid niet anders is dan een kleine, vervelende provinciestad, aan een groot meer, het Ladoga-meer. In verband met het vervolg van onze reis moesten we den geheelen Zaterdag daar doorbrengen. Van geen enkele finsche stad, behalve Helsingfors, heb ik een indruk van levendigheid gekregen, maar Sortavala was het ergst van alle. In de hoofdstraat was niemand te zien en de verlatenheid kwam nog sterker uit doordat de straat, evenals alle finsche en russische straten, buitengewoon breed is. De huizen zijn in de breedte gebouwd en meestal maar van één verdieping, de voordeur is niet te zien, zij ligt achter de houten schutting, die den tuin omgeeft en waar men door een overdekt hek binnenkomt. Aan alles merkt men, dat de Finnen in huis leven, waarvan waarschijnlijk de lange winters de naaste oorzaak zijn. Maar hoe vervelend Sortavala ook is, het heeft een museum van finsche kunstnijverheid, dat zeer de moeite waard is, gezien te worden en een schoolgebouw zoo groot en goed ingericht, dat menige stad bij ons er een voorbeeld aan zou kunnen nemen.

De priesters German en Sergej.

De priesters German en Sergej.

Na Sortavala bezochten we Walamo; zoo heet een eilanden-groep in het Ladoga-meer. Sedert het jaar 992 is er een klooster op Walamo, door russische monniken bewoond. Het werd gesticht door twee priesters van den berg Athos, German en Sergej, die, volgens de legende op een molensteen naar het eiland kwamen drijven; zij vonden het bevolkt met geheimzinnige wezens, die door hen werden verdreven. Er zijn weinig berichten over de eerste tien eeuwen, gedurende welke het klooster bestond. Men kan echter aannemen, dat het toen nog niet streng georganiseerd was en voornamelijk diende als toevluchtsoord voor kluizenaars. Later hebben de monniken getracht den grieksch-orthodoxen godsdienst te verbreiden. Hun bekeeringswerk begon in Karelië in het jaar 1227. In 1350 beproefde de zweedsche koning Magnus Erikson Walamo te veroveren, maar door de gebeden der monniken verging de vloot en alleen de koning wist zich te redden. Hij werd in de kloosterorde opgenomen, maar stierf kort daarna.

Het nieuwe Walamo met zijne groote gebouwen en rijke kerken dateert van 1842 en is gesticht door den Ignumen Damaskin, die toen aan het hoofd van het klooster stond. Hij liet de oude kerken afbreken en er nieuwe voor in de plaats zetten. De monniken kregen een beter woonhuis en er werd een “hotel” gebouwd om de pelgrims te herbergen.

Na langdurig informeeren gelukte het ons te weten te komen wanneer de boot, die tot het klooster behoort en onder directie der priesters staat, van Sortavala naar Walamo zou vertrekken. Men raadde ons echter aan, eenige dagen te wachten op de finsche boot, omdat deze meer comfort biedt. ’t Was echter juist ons plan den Zondag op Walamo door te brengen; wij konden dan aan een pelgrimstocht deelnemen en zoodoende verscheidene heilige eilanden in de buurt bezoeken.

De Walaam, het priesterschip, waarop we dus terecht kwamen, was alles behalve geriefelijk en daarbij in ’t oogvallend vuil. Het eten was er ook niet best en het was moeilijk om de stewardes, die tevens als kellner fungeerde, te beduiden wat we wilden eten; het ging al even weinig gemakkelijk haar aan ’t verstand te brengen dat we drie slaapplaatsen noodig hadden. Om haar aan te roepen wisten we niet anders te doen dan het woord “baboushka” te gebruiken, d.i. grootmoeder. Neen, men had ons niet voor niets tegen de Walaam gewaarschuwd. Ook ons reukorgaan werd in ’t begin onaangenaam geprikkeld door de lucht van juchtleeren vetlaarzen, die alle Russen dragen, en waarmee de boot als ’t ware doortrokken was.

In den avond bezocht ik het ruim, waar de bedevaartgangers een plaats hadden gevonden. Verbaasd bleef ik bij den ingang staan; wat was dat voor een bonte opeen gehoopte menschenmassa in een onverdragelijk warme atmosfeer! Daar zaten zij, dom, genoegelijk, met een passieve uitdrukking op het gelaat, enkelen waren neergehurkt op den grond, anderen zaten op hun bagage. Wat me dadelijk opviel was de geëmailleerde theepot, die in geen van de groepen ontbrak. De russische moeijik neemt dit artikel altijd mee op reis en aan alle stations kan hij voor niets kokend water nemen uit een groot reservoir. Ook hier, op deze boot, was die inrichting voorhanden. Tusschen al die menschen, zoo verschillend van ons westersch ras, bewogen zich de priesters. Zij waren te herkennen aan hun lange haren, die bij sommigen tot aan hun middel reikten, aan de hooge priestermuts en de lange [115] jas met een band om het middel vastgehouden, afhangend tot halfweg de hooge laarzen.

Reeds vroeg in den morgen bracht de “baboushka” ons het ontbijt, dank zij een vriendelijke dame uit Kuopio (Finland), die met de russische taal bekend was. Zij bood zich ook aan om als tolk te dienen op Walamo, en zonder haar hulp zou de dag niet half zoo interessant geweest zijn. Vóór de hoogmis kwamen we daar aan, nadat we al langs verscheidene eilanden gevaren waren, waar hier en daar een kapel haar koepel tusschen de dennen verheft. We liepen met den stroom der pelgrims mee en kwamen zoo binnen de kloostermuren. Eigenlijk had ik verwacht, dat er nog wel wat van het vroegere klooster of van de oude kerk over zou zijn, maar dat is het geval niet; de gebouwen op Walamo zijn banaal-nieuw.

De hoofdkerk, die we binnen traden om de mis bij te wonen, is overweldigend door haar groote afmetingen en het decor van goud.

En nu een enkel woord over de russische kerken in ’t algemeen. Haar plattegrond heeft den vorm van het grieksche kruis. Boven het midden-vierkant is een groote koepel en op elke der vier kruisarmen staan kleinere, die evenals de groote koepel gekleurd of van koper zijn. De absis wordt ingenomen door het “Allerheiligste” en afgesloten door den “iconostas”, die op Walamo bizonder rijk versierd is. De iconostas is een wand met drie deuren, waarvan de middelste de “heilige deur” is. Geen vrouw mag achter den iconostas komen. Tijdens de mis wordt de heilige deur geopend, en ziet men het altaar.

Finsche Madonna.

Finsche Madonna.

Beelden komen in de russische kerk niet voor; dat verbiedt de ritus. Wel treft men er geschilderde afbeeldingen aan, die alle volgens een vast type zijn gemaakt. De madonna met het Christuskind ziet men in alle kerken steeds op de zelfde wijze voorgesteld.

De gemeente staat gedurende de godsdienstoefening, (er zijn zelfs geen banken in de kerk); zij stemt niet in met het koor der geestelijken. Men wordt getroffen door den vollen toon der stemmen, die door de gewelven dreunt of die, zacht-mystiek, even de woorden van hem, die de mis leest, accentueert. Een orgel is in de russische kerk niet aanwezig. De liturgie neemt een groot gedeelte van de godsdienstoefening in beslag. Gepreekt wordt er niet, slechts enkele bijbelteksten leest de priester aan de gemeente voor. Na de mis houdt hij een kruisbeeld op, dat door de vrome aanwezigen, die in file langs hem gaan, wordt gekust. Op Walamo zagen wij ook vele pelgrims, na elkaar, dezelfde glasruit waaronder relequien bewaard werden, met de lippen aanraken. Geruimen tijd lagen geloovigen gedurende de mis op den grond, met het voorhoofd den steenen vloer aanrakend; voor een Rus evenwel is dit niets bizonders.

Na de mis trachtte onze vriendelijke tolk uit Kuopio te weten te komen, wanneer de pelgrimstocht naar de eilanden zou plaats hebben. “Als het middagmaal afgeloopen is”, antwoordde de priester tot wien zij zich gewend had. Deze monnik, die wat Duitsch kende, stelde zich beschikbaar om ons de naaste omgeving van het klooster te laten zien. Hij vertelde ons allerlei dingen betreffende Walamo. Er wordt hard gewerkt, want het klooster voorziet in zijn eigen behoeften door den landbouw. Ook allerlei andere handwerken oefenen de monniken uit. Wetenschappelijk werk wordt niet noodig geoordeeld; zij staan geheel buiten de maatschappij. De hoogere geestelijken lezen de couranten en vertellen enkele gebeurtenissen, die zij wetenswaardig vinden, aan de overige monniken. Andere dan geestelijke boeken zijn in het klooster niet aanwezig. De bevolking telt ongeveer duizend bewoners. Boter en vleesch wordt door de broeders niet gegeten. Omdat de kloosterorde zeer streng is, sturen de Russen er dikwijls voor eenigen tijd jongens heen, die tehuis moeilijk zijn op te voeden.

Intusschen was de tijd gekomen voor het middagmaal, dat kosteloos wordt aangeboden aan ieder die het eiland bezoekt. Ik werd geleid naar de eetzaal voor de vrouwelijke pelgrims. Ieder had een bord met een snee brood en een houten lepel. Niet ieder kreeg een servet, maar daarvoor diende één lange lap voor een groep van menschen. In de 12de en de 13de eeuw was dat overal de gewoonte; heel eigenaardig, dat dit gebruik hier zoolang in stand is gebleven. Voor elke vier personen stond er een groote tinnen bak klaar, met gehakte wortels, erwten, rijst, zoute visch en biet. Dit mengelmoes werd op het [116] bord vermengd met een vloeistof uit een anderen tinnen bak,—zuur bier, de russische kwash. Ze aten er allen smakelijk van: het is de nationale spijs. Wat op de borden overbleef ging weer in den grooten pot. Voor ons was dit eten nog al vreemd, de smaak onbeschrijfelijk. Na den eersten hap was het me onmogelijk een tweeden te nemen, en hoe hongerig ik me ook voelde, ik had geen lust het verdere menu af te werken. Toen de priester, die door de zaal liep en gebeden voorlas, mij den rug had toegekeerd, was ik, en nog een paar andere vreemdelingen met mij, zoo vrij uit de bank te stappen en de eetzaal te verlaten. Ik hoorde later dat de mannen hetzelfde eten hadden gekregen. Iemand, moediger dan ik, had drie gerechten getrotseerd; na het eerste kwam een vrij eetbare soep en dan, als derde gerecht alweer een soep, getrokken van visch, met macaroni. De mannen aten met hun vieren uit één bak; dat gebeurt bij de russische soldaten ook.

Is het klooster en zijne onmiddellijke omgeving weinig pitoresk, de eilanden vergoeden in dit opzicht alles; ze zijn bizonder aantrekkelijk met hunne prachtige dennenbosschen, waarin diepe rust heerscht. Zoo nu en dan ziet men een konijntje of ander wild, dat nieuwsgierig rondkijkt en in ’t geheel niet schuw schijnt te zijn. Er wordt zelfs verteld, dat de herten en reeën naar de menschen toekomen. De kloosterwet verbiedt de jacht, zoodat de dieren nooit gestoord of verschrikt worden.

De eilanden bij Walamo.

De eilanden bij Walamo.

De bedevaart werd per boot gemaakt. De kleine stoomboot, met monniken bemand en waarop ook wij een plaatsje hadden veroverd, trok drie groote schuiten, waarin de pelgrims zaten. Bij verscheidene eilanden, waarop kapellen waren, legden we aan. Voor deze kapellen werd de mis gelezen en daarna bezochten we de hutten, waar heiligen in gewoond hebben. Op de boot teruggekeerd, verhieven de priesters een veelstemmig kerklied, dat plechtig klonk over de watervlakte. Gaarne had ik eens met hen gepraat, maar geen van allen sprak eene mij bekende taal. Zoo kon ik hen ook alleen door gebaren vragen, of ik hen fotografeeren mocht, hetgeen zij me dadelijk toestonden.

Tegen den avond vertrok de Walaam, om koers te zetten naar Petersburg. Vóór het vertrek werd er nog een mis bediend en lieten velen zich afzonderlijk door de priesters zegenen. Tijdens het weggaan maakten de pelgrims verscheidene malen het kruisteeken en herhaalden dat telkens als wij een kapel voorbij voeren. De vaart op het Ladoga-meer was weinig afwisselend, want het watervlak is zoo groot, dat men de oevers niet duidelijk kan zien, en scheepvaart is er bijna niet. Interessant was het echter de bedevaartgangers in hun doen en laten gade te slaan. Zij bleven nu niet meer in het ruim, maar besloegen het geheele schip, overal zag men groepjes menschen bij elkaar zitten. Dikwijls werden we aangekeken, als wilden zij vragen wat die vreemdelingen wel bij hen zochten.

Bijna ongemerkt vernauwt zich het Ladoga-meer, totdat het eindelijk eene rivier is geworden, de Newa. Eenigen tijd voor we aanlandden, kwamen we Schlüsselburg voorbij, de beruchte en geheimzinnige vesting-gevangenis, die nu naar men zegt is opgeheven.

Priesters voor de kerk op Walamo.

Priesters voor de kerk op Walamo.

Te St. Petersburg aangekomen, mochten we de Walaam niet verlaten, voor wij onzen pas terug hadden gekregen. Nu werd onze bagage gevisiteerd. Alles moest uitgepakt worden, alle doozen moesten we openmaken, elk boek werd geinspecteerd. Thackeray wekte wantrouwen op, maar werd na eenig onderhandelen teruggegeven. De doosjes met films schenen ook verdacht, en het ging niet gemakkelijk om uit te leggen, dat zij bij het fotografie-toestel hoorden. Niettegenstaande hun drukke werkzaamheden waren de grenswachters bizonder beleefd en hielpen overal de koffers en kisten weer dicht maken.

Met eenige moeite gelukte het ons een paar rijtuigjes te bemachtigen, en na een “pantomime” gevoerd te hebben over den prijs, zeide de koetsier: da, da (ja) en klom op den bok. Zoo waren we van het rustige Walamo verplaatst in de drukke hoofdstad van het Tsarenrijk.

Zutphen, Febr. 1906.


1 Storfürsten is een Zweedsch woord en beteekent grootvorst. “Stor” is ons “stoer”; de o wordt als oe uitgesproken.

2 Baccalaureat is het eindexamen van het gymnasium.

3 Kort geleden verzocht ik, dat men mij uit Helsingfors eene photographie van Sveåborg te sturen, maar ik kreeg ten antwoord dat er geen van het fort bestaat.

4 Schumann was de moordenaar van Bobrikof.

5 In Finland wordt het eten op zweedsche manier bereid.

6 Smörgos is een zeer uitgebreid hors d’oeuvre.

7 Knäckebröd is hard, bruin brood van ongerezen meel gemaakt, en het best te vergelijken met het joden-paaschbrood.

Van het grieksche koningshuis.

Toen een plechtige deputatie verleden jaar naar Noorwegen kwam, om aan den kleinzoon van den onlangs overleden koning Christiaan IX de koningskroon van Noorwegen aan te bieden, die door Karel, tweeden zoon van den kroonprins gracelijk werd aanvaard, toen moet bij velen de herinnering zijn gewekt aan een dergelijk voorval, dat van groote beteekenis is gebleken.

Twee-en-veertig jaar vroeger toch werd een grieksche deputatie door den deenschen koning Frederik VII op 25 April 1863 ontvangen, een gezantschap, dat naar de stad aan de Sont was gesneld om den toenmaligen kroonprins Wilhelm van Denemarken de grieksche koningskroon aan te bieden.

Binnenhof van een Grieksch huis.

Binnenhof van een Grieksch huis.

Maar veel, veel grooter moeilijkheden wachtten den toenmaals achttienjarigen Wilhelm, die als koning den naam van George I aannam, dan Karel, die zich den koningsnaam Haakon VII zag verleend, in Noorwegen vond. Hij toch, George, kwam in een land, welks taal en zeden hem onbekend waren, heerscher zou hij zijn over een volk, waarop de spreuk van den oud-egyptischen priester nog altijd van toepassing is: “Gij, Hellenen, blijft eeuwig kinderen, jong en onervaren zijt ge, en ge hebt geen kennis of ervaring in den loop der jaren opgedaan”.

Alle schrikbeelden der meest woeste anarchie hadden na de onttroning van koning Otto den rustigen en kalmen gang van zaken verstoord. Daarbij kwam een vernielend, op de spits gedreven woeden der partijen, dat zich in alle hoeken van het land openbaarde en onuitroeibaar scheen. En het grieksche volk bevond zich toentertijd nog op een betrekkelijk lagen trap van beschaving.

Er waren immers pas dertig jaren verloopen, sedert de beiersche majoor Von Predl van het eerste in een moskee te Nauplia gegeven hofbal de volgende schildering had ontworpen: “Een mislukte fanfare begroette het verschijnen van den door jongelingen in schitterend witte gewaden omstuwden koning. Toen de aanwezige heeren uitgenoodigd werden, de toen zelfs in de kerk altijd op het hoofd gehouden fez af te zetten, gaven de meesten er de voorkeur aan, zich met booze gezichten te verwijderen. De dames zaten in een dichte groep bij elkaâr, ineengedoken op de stoelen, met de knieën tot de kin opgetrokken. Zij steunden op de handen een hoofd met een ongehoorde massa zwart haar, dat niet sierlijk was om aan te zien, en stopten zich den mond voortdurend vol zoetigheden”.

Niettegenstaande dien weinig gekuischten vorm van optreden, waaraan het volk gewend was, wist de jonge koning der Hellenen het met hen te vinden, werkte zich meer en meer in zijn moeilijke plichten in en maakte zich vertrouwd met de meest gecompliceerde verhoudingen, zoodat het schip van staat gelukkig voorbij een aantal met vernieling dreigende klippen werd gevoerd.

Dat er inderdaad veel van die klippen waren, blijkt uit een terugblik op de voornaamste gebeurtenissen van de grieksche geschiedenis in de afgeloopen vier tientallen van jaren.

Op de in Mei 1864 voltrokken vereeniging van [118] de Jonische eilanden met het moederland volgde twee jaren later de opstand op Kreta, die Griekenland voor de ergste verwikkelingen stelde. Eerst in 1881 zag de koning, die de nationale wenschen steeds met liefde en juist begrip kon navoelen en er zooveel mogelijk aan tegemoet kwam, de op de aanhechting van Thessalië en Epirus aan Griekenland gerichte hoop van zijn volk in zoo ver verwezenlijkt, dat Griekenland een vergrooting van grondgebied erlangde van 13369 KM2 met 300.000 inwoners.

Maar het jaar 1886 bracht de blokkade der grieksche havens door de vlooten der groote mogendheden. Het jaar 1893 moet met zijn staatsbankroet dan verder als een zeer noodlottig jaar worden aangewezen en het jaar 1897 leidde tot de oorlogstoestanden, die begonnen met de bezetting van Kreta door grieksche troepen. De gebeurtenissen voerden, zooals nog allen versch in het geheugen ligt, tot de benoeming van prins George tot hoogen commissaris der mogendheden op Kreta en tot instelling der internationale financiëele contrôle ter bescherming van de bezitters van grieksche staatspapieren.

Bazar te Athene.

Bazar te Athene.

Men kan van den koning der Hellenen niet anders getuigen, dan dat hij gedurende zijn aan zooveel gebeurtenissen rijk bestuur veel overleg en veel diplomatiek talent heeft aan den dag gelegd. De zaak van het hellenisme heeft echter het allermeest geprofiteerd door zijn jaarlijks gehouden groote reizen naar de europeesche hoven, die hem in persoonlijke aanraking brachten met de leidende ministers, en die door bloedverwantschap met zooveel vorstelijke personen een beslist vriendschappelijk karakter hadden.

Er is wel eens wat gebeurd, wat niet had moeten geschieden, maar dat was het gevolg van het gebrekkige inzicht, dat het altijd nog oppermachtige partijbelang achterstaan moest bij de zaak van het algemeen belang.

De grootsche ontwikkeling, die het land op de meest uiteenloopende gebieden heeft verkregen, is voor een zeer groot deel verdienste van den koning. Zoo heeft hij, met onbuigbare wilskracht, onafgebroken gewerkt voor de verheffing van den verwaarloosden landbouw, van het schoolwezen, de kunstbeoefening en de wetenschap. Voor dien verrassenden vooruitgang van het land pleit ook de omstandigheid, dat, terwijl de eerste in Griekenland aanwezige straatweg tusschen Athene en den Piraeus in de jaren tusschen 1830 en 1840 van de vorige eeuw door beiersche soldaten was aangelegd, tegenwoordig de voornaamste plaatsen van eenige beteekenis in Griekenland door een flink spoorwegnet aan elkaâr zijn verbonden. De lijn, door de fransche Batignolle-maatschappij in aanleg genomen tusschen Athene en Larissa nadert mede haar voltooiing.

Koning George behoort ongetwijfeld tot de vlijtige vorsten van Europa. Nadat hij tot laat in den nacht aan zijn schrijftafel heeft gezeten, staat hij ’s winters en ’s zomers den volgenden morgen om zeven uur op. Bij audiënties legt hij een groote levendigheid aan den dag en is in het uitspreken van zijn oordeel bijzonder openhartig, terwijl zijn meening altijd doordringt tot de kern der zaak. Zijne tot in de kleinste kleinigheden voldoende kennis van zaken is verwonderlijk. Dikwijls glijdt in den loop van het gesprek een hem eigen ironisch, maar toegefelijk lachje over zijn gezicht.

Bij plezierritten op zijn mooien, zilverkleurigen schimmel beantwoordt hij de groeten ook van de eenvoudigste menschen met aantrekkelijke vriendelijkheid. Een aanslag op zijn leven heeft niet ontbroken onder zijn ervaringen, en van grooten persoonlijken moed getuigde toen zijn mannelijk optreden, toen hij in het rijtuig zijn dochter met zijn eigen lichaam tegen de kogels trachtte te beschermen.

Er was een eigenaardig piëteitsgevoel in de gewoonte van den koning, om op den verjaardag van wijlen zijn vader, koning Christiaan IX van Denemarken alle in Athene wonende Denen op een maaltijd ten paleize uit te noodigen.

Sedert het jaar 1867 is koning George getrouwd met de russische grootvorstin Olga, die zeer godsdienstig is en opgaat in de talrijke, door haar in het leven geroepen en steeds met ruime hand onderhouden instellingen van weldadigheid. De troonopvolger Constantijn, die een voortreffelijk duitsche opvoeding heeft genoten van den tegenwoordigen consul-generaal Dr. Lüders, wijdt zich met geheel zijn ziel aan zijn groote en moeilijke taak, de reorganisatie van het leger naar duitsch model.

Zijn voortreffelijk karakter, zijn ridderlijk wezen en zijn vriendelijke aard hebben hem in de harten van het grieksche volk een groote plaats doen innemen. Ook de kroonprinses, de zuster van den duitschen keizer, is buitengewoon populair. Het kroonprinselijk paar woont met de vier kinderen, van wie de oudste prins in aard veel op den duitschen keizer moet gelijken, in zijn marmeren slot, gelegen aan den Slissos. De tweede zoon van den koning, prins George, is regeeringscommissaris op Kreta en heeft nog niet zijn vurig verlangen tot vereeniging [119] van Kreta met Griekenland vervuld mogen zien.

De met grootvorstin Helene van Rusland getrouwde prins Nicolaas schrijft als overste veel over de krijgskunde, zijn vak bij uitnemendheid. Hij is overste bij een artillerieregement en heeft veel geschriften van duitsche militaire schrijvers in het Nieuw-Grieksch vertaald.

Overblijfselen van zuilen op de Agora (markt) te Athene.

Overblijfselen van zuilen op de Agora (markt) te Athene.

Prins Andreas, de vierde zoon, is met prinses Alice van Battenberg getrouwd, en prins Christophorus is pas negentien. Van de beide dochters van het koninklijke paar is de met grootvorst Constantijn getrouwde prinses Alexandra vroeg gestorven, terwijl prinses Marie met grootvorst George getrouwd is.

In het begin van het jaar spreidt het hof in Griekenland veel pracht en staatsie ten toon. In het koninklijk paleis hebben dan hofbals plaats, die met grooten luister zijn omgeven. Ook de viering van den Nieuwjaarsdag heeft met bij zonder veel glans plaats, en de gezamenlijke koninklijke familie hoort dan in de metropolitaankerk de mis. Er is daarbij altijd een eigenaardige gehechtheid aan de traditie als er een wijding plaats heeft in de open lucht, en de geestelijkheid zich vertoont in van goud schitterende gewaden.

Citroenenkoopman in Athene.

Citroenenkoopman in Athene.

Om een goede voorstelling te krijgen van Athene’s wondersnelle ontwikkeling onder koning George, moet men zich herinneren, dat de oude Muzenstad Athene nog in de eerste jaren der vorige eeuw niet veel meer was dan een puinhoop, waarop hier en daar een cypres en een palm verrezen, een aanblik die een droevigen indruk maakte.

De huizenzee, die zich daar nu verheft, schittert in de zon, en de stad met meer dan 130.000 inwoners kijkt uit over hoogten en laagten met den Piraeus als bloeiende havenstad van 50.000 inwoners.

Het somberste gedeelte van deze stad vol marmeren gebouwen van oogverblindende pracht is de psyri, waar de vrouwen den heelen dag op de velden eetbare kruiden zoeken tot voedsel voor haar gezinnen, waar de knapen voor een vergoeding in eens van 300 tot 500 drachmen, het latere uitzet hunner zusters, in dienst treden bij een ondernemer, terwijl [120] de mannen dikwijls onder het mes van een zoogenaamden vriend in de eene of andere spelonk den dood vinden. In dat donkere Athene blijven der politie nog veel geheimen ononthuld. In die psyri woont ook het meerendeel der ongeveer 300 zielen tellende joodsche gemeente van Athene, in wier synagoge de godsdienst in het Hebreeuwsch wordt gehouden, terwijl de joden thuis en bij hun handel Spaansch spreken.

Van de Atheensche bouwresten, die aan de donkerste periode in Griekenlands geschiedenis herinneren, toen de vlag van den profeet gebiedend over de onderworpen stad waaide, is de laatste moskee het interessantst.

Politieagenten met een arrestant.

Politieagenten met een arrestant.

Voor dat gebouw gebruikte in het jaar 1750 de toenmalige woiwode van Athene een der korintische reuzenzuilen van het Olympieion, den geweldigen, door Hadrianus opgerichten tempel. Volgens een veelzeggende overlevering klaagden de overige zuilen ’s nachts zoo lang om de geroofde zuster, tot de woiwode, die gewaagd had, haar aan te raken en mee te voeren, voor de losgebarsten volkswoede moest vluchten. Verder zijn er overblijfselen te vinden van het paleis van den woiwode, dat zich binnen de muren van het gymnasium of renperk van Hadrianus breed en forsch verhief, en een turksch bedehuis heeft zijn metamorphose moeten beleven in een katholieke kerk, die ligt aan de ontgraven ruïnen der romeinsche markt.

De stad en de Attische vlakte worden, om zoo te zeggen, door de Acropolis beheerscht en geadeld, door dien burcht, waar de adem van grootsche herinneringen en verheven zwaarmoedigheid overheen zweeft, en waar de schoonheid op haar snellen, vluchtigen gang door de tijden en de volken zich voor een poos neergelaten heeft.

Het meest onweerstaanbaar openbaart zich de bekoring van den Acropolis, als de vlammende verlichting van een griekschen zonsondergang zee en hemel met een tooverachtig kleurenspel gloeiend overdekt, terwijl de stad met haar kerken en torens in dien magischen gloed van de dalende zon ligt, en over de attische vlakte en de bergen de bontste kleuren sidderen, of als het droomerig zilveren licht der maan over de uitgebreide, witte ruïnenwereld wordt uitgegoten en haar hallen vervult met den wonderbaarlijksten glans. Als geen geluid de heilige stilte verbreekt dan de klacht van den nachtwind, die nu en dan met kleine huiveringen over de gevels van ’t verwoeste huis van Pallas Athene strijkt.

Als doel van pelgrimstochten voor archaeologen uit alle deelen der wereld werd deze verheven rots reeds dikwijls uitgekozen, maar in de lente van het vorige jaar was zij dat voor allen samen, toen in het Parthenon de eerste internationale archaeologenbijeenkomst plaats had, een congres dat vooral aan de warme belangstelling van den koning zijn ontstaan te danken had.

Het grieksche volk weet, wat het zijn koning heeft te danken; het waardeert in hooge mate diens verdiensten voor de zaak van het Hellenisme en daarom is het niet te verwonderen, dat het hem liefde en vereering toedraagt.

In Roemenië.

Naar het Fransch van Th. Hebbelynck.

Het stadje Pétrozény.

Het stadje Pétrozény.

I.

Van Boeda-Pest naar Pétrozény.—Een stukje geschiedenis.—Het dal van de Jiul.—De Bojaren en de Zigeuners.—De markt van Targa Jiu.—Het klooster Tismana.

“Zijn de heeren ingenieurs?”

“Pardon, mevrouw.”

“Inspecteurs van het boschwezen?”

“Ook dat niet; wij zijn gewone reizigers.”

“Toeristen? Hier in Roemenië, en zonder dat er eenig voordeel van te halen is?”

“Geen ander dan de voldoening, interessante zeden en gebruiken waar te nemen, een mooi land te bewonderen en er aangename herinneringen uit mee te nemen.”

Zoo ongeveer werden wij op een dag ondervraagd door een deftige dame, vrouw van een roemeensch generaal, die op een bekoorlijk plaatsje midden in het bergland van Walachije en villégiature was. Uit het gesprek blijkt wel, dat de toeristen tot nu toe Roemenië nog onbezocht hebben gelaten, en dat noch de Alpenclub, noch de agentschappen van Cook beslag hebben gelegd op de mooie bosschen van de Karpathen en de schilderachtige dalen, die van daar naar de Donau loopen.

Wij deden onze reis in de maand Augustus 1901. Eerst hebben wij het nog primitieve gedeelte van Roemenië doorreisd, dat tot in deze laatste jaren bijna precies gelijk gebleven is, als het twintig eeuwen geleden was en dat te vinden is in de bergstreken van Walachije. Vervolgens hebben wij een bezoek gebracht aan het moderne Roemenië, dat een industrieel land is, tegelijk met het nieuwe régime ontstaan en waarvan Boekarest de ziel is en het middelpunt.

De kunst heeft in Roemenië door de eeuwen heen slechts zeer zwakke sporen achtergelaten. Alle oude herinneringen, die men zou verwachten in een door de Romeinen gekolonizeerd land, zijn vernietigd geworden door den stroom van barbaren, die telkens over deze provinciën werd uitgegoten in de volgende twaalf eeuwen en die alles heeft weggevaagd en meegenomen. Alleen een paar kloosters, die in de Middeleeuwen onder de vorsten of woiwoden gebouwd werden en waarvan dat van Curte de Arges het beroemdste is, trekken tegenwoordig nog de aandacht. Maar de groote aantrekkelijkheid voor den [122] reiziger is gelegen in het landschap, dat dikwijls grootsch en altijd poëtisch is, verder in de originaliteit der kleederdrachten en in de zeden der bewoners.

Wij vertrekken van Boeda-Pesth naar ons doel. Die stad, de heerlijke hoofstad van Hongarije, neemt sedert 1896 een plaats in onder de schoonste steden van Europa. Er werd in dat jaar door een schitterende tentoonstelling en door de inwijding van veel monumentale gebouwen o.a. het Parlementsgebouw feest gevierd ter eere van het duizendjarig bestaan van Hongarije. Het was tien eeuwen geleden, dat de Magyaren onder Arpad het land vermeesterden.

Bij het verlaten van Boeda-Pesth voert de trein ons door de vruchtbare vlakten van Hongarije, tusschen velden van blonde maïs, die eindeloos ver zich uitstrekken. Reusachtige bergen van koren zijn om de boerenhoeven gegroepeerd, waar dorschmachines aan het werk zijn, en waar men groote scharen arbeiders en arbeidsters, in ’t wit gekleed, bezig kan zien. Verderop zagen wij tallooze kudden ossen met groote, wijd uitstaande horens; daarna varkens met lang krullend, zijdeachtig haar, die er onder zulk een vacht allerkoddigst uitzagen en die men, in de verte gezien, voor schapen zou houden.

In die hongaarsche vlakten kregen wij in de buurt van Arad voor de eerste maal tamme buffels onder de oogen. Terwijl de ossen in melancholieke stemming in de wei liepen, waren de buffels met welbehagen bezig, een bad te nemen in het lauwe water der rivier. Die dieren worden op hoogen prijs gesteld in Hongarije en Roemenië. Hun melk is uitstekend; ze zijn gehard tegen vermoeienis, kunnen even goed als ossen worden gespannen voor de karren en wagens der boeren, maar zijn uiterst gevoelig, zoowel voor warmte als voor koude, hebben in den zomer zeer veel noodig en moeten in den winter in speciaal voor hen bestemde stallen een onderkomen vinden. In Transsylvanië en in Roemenië, waar de winters streng zijn, stalt men ze dan ook onder de boerenhuizen in goed beschutte kelders.

Dit gedeelte van Hongarije, het gebied der poeszta’s, is zeer dun bevolkt; maar de grond is er wel vruchtbaar en wordt goed bebouwd. De boerenhoeven zijn niet talrijk, maar er behooren uitgestrektheden land bij. Men doet er aan den grooten landbouw in elken zin des woords.

Maar daar zijn we bij de grenzen van de vlakte: we naderen de wouden van Transsylvanië. Te Piski, waar wij onze eerste indrukken krijgen van de woeste bergbewoners, die wij eenige dagen lang van dichtbij zullen kunnen waarnemen, verlaten wij den grooten weg, om in het echte bergland door te dringen en dat deel der zuidelijke Karpathen te bestijgen, dat in zijn geheele lengte slechts één enkelen natuurlijken doorgang biedt, namelijk de IJzeren Poort. Hoe hooger men komt, des te armoediger zien de boerenhuizen eruit. Het zijn allen huizen van leem, gedekt met wat riet of droge maïsstengels, en gegroepeerd om sjofele kerken, geheel van hout opgetrokken. Weldra verdwijnt ieder spoor van menschelijke woningen, en de weg neemt een echt grootsch karakter aan. Het leek wel een chaos, waar wij doorheen moesten.

De eene tunnel volgde op den anderen, en tegen de hellingen der rotsen waren met groote koenheid wegen in de bergen uitgehouwen. Het is avond geworden, als wij stil houden op enkele schreden afstands van de roemeensche grens in een gebied, waar steenkolen gevonden worden, en waar zich rotsen van 2500 M. verheffen. Wij zijn te Pétrozény. De stad ligt op eenigen afstand van het station. Slechts twee of drie fiacres, die dadelijk bezet zijn, staan er ter beschikking van de reizigers, en als een onbekende niet de buitengewone beleefdheid had gehad, om zeer gracieus zijn rijtuig aan te bieden, zouden wij den weg te voet hebben moeten gaan.

Twintig minuten, in vluggen draf door onze paarden afgelegd, en daar zijn we op het groote plein tegenover het voornaamste hôtel van de plaats, waar een vroolijk concert wordt gegeven ten genoegen van de élite der inwoners.

Tegen twee uur in den morgen worden wij met schrik wakker door geroep en kreten van wanhoop. Een reuzenvlam stijgt boven het groote plein omhoog. Een zigeunertent, tegen het hotel aangebouwd, is aan het branden.

Reeds wordt de achtertrap van het hôtel bedreigd, en het personeel stapelt, zonder er aan te denken, dat de reizigers gewekt moeten worden, de corridors vol met kasten, matrassen en tapijten. Met groote moeite banen wij ons een weg er doorheen, om het binnenplein te bereiken, waar wij veilig zijn voor de hitte van het vuur.

De bevolking van Pétrozény is voor een groot deel roemeensch. Maar daar het een industriëele stad is, zijn een menigte vreemde elementen zich onder de oorspronkelijke bevolking komen mengen. Daarom ziet men er naast de frissche en sierlijke roemeensche kleederdrachten een menigte menschen, wier kleeding van geen bepaalde nationaliteit is.

Het stadje is in ’t minst niet origineel. Huizen van steen en andere, van leem opgetrokken, wisselen met houten huizen af, en uit elken gevel steken palen naar buiten, waaraan allerlei zaken heen en weer schommelen, hier een uithangbord, daar schapenhuiden, braadpannen, worsten, zelfs hemden. Het is een echte étalagewedstrijd.

Pétrozény heeft een onzindelijk voorkomen. De bewoners hebben geen andere coquetterie dan die van hun gesteven wit linnen. Bij de mannen zijn broek en overhemd van verblindende witheid, en de vrouwen dragen onberispelijke jakjes en sluiers. Alleen de Zigeuner veroorlooft zich linnen van twijfelachtige tint, en ik acht het niet onmogelijk, dat hij zijn onderkleêren pas aflegt als zij het afleggen, dat is, als ze in lompen uiteenvallen. Het inwendige der woningen ontbeert alle gerief. Deze menschen kennen zoo weinig behoeften, dat zij volstrekt geen begrip hebben van de rechtmatige eischen der weinige vreemdelingen, die onder hen verzeild raken.

Het marktplein vertoont een zeer eigenaardige soort van drukte. Men krijgt den indruk van op een groote boerderij te zijn. De ganzen en de varkens hebben er burgerschapsrechten; de laatste zijn er in [123] allerlei verscheidenheden. Er zijn witte, zwarte en rossige in allerlei nuances en allerlei grootte, naarmate zij tot het moldavische of servische ras behooren, of moerasvarkens zijn, zooals men zooveel aantreft in de buurt van de Donau. Die belangwekkende dieren leven in vrijheid en zoeken eikels in de naburige eikenbosschen, waarmee de naburige hoogten bedekt zijn.

Volgens de statistische opgaven van het Ministerie van Financiën bestond de bevolking van Roemenië in 1894 uit vier millioen inwoners. Maar de berekeningen van den heer Stoerdza, die, naar men zegt, nauwkeuriger zijn, komen voor dienzelfden tijd tot 6100000 inwoners.

De geschiedenis van het roemeensche volk is die van een ongelukkige natie, die door onderdrukking, oorlogen en lijfeigenschap alle initiatief heeft verloren, een volk, welks verstand en wilskracht afgestompt zijn onder de eeuwenlange heerschappij der Turken.

Het tegenwoordige Roemenië, dat is Walachije, Moldavië en Dobroedsja, neemt de plaats in van het oude Dacië, dat door Trajanus op het eind der eerste eeuw van de christelijke jaartelling veroverd werd. Daar het land zeer dun bevolkt was ten gevolge van de vele oorlogen, bracht Trajanus er romeinsche kolonisten heen, die zich vermengden met de oorspronkelijke bevolking en het nog tegenwoordig bestaande ras der Daco-Romeinen of der Roemenen deden ontstaan. Later trekken Gothen, Hunnen, Bulgaren, Hongaren, Tartaren beurtelings door het oude Dacië, dat zij verwoesten en plunderen, en terwijl veel van die Daco-Romeinen over de Karpathen gaan en in Transsylvanië een schuilplaats vinden, stemt de andere helft van de jonge natie er na een wanhopigen strijd in toe, het terrein, dat zij den anderen niet weer kan afhandig maken, voortaan met hen te deelen.

In de 13de eeuw overvallen de Tartaren Hongarije en Transsylvanië. Vluchtend voor hun barbaarsche horden, besluiten de Daco-Romeinen, die in Transsylvanië een toevlucht hadden gezocht, tot een nieuwen uittocht. Zij trekken opnieuw de Karpathen over en keeren naar hun vroeger vaderland terug. Radu-Negru, dat is Rudolf de Zwarte, hoofd der kolonne van Togaras, vestigt zich te Kampolung en wordt de eerste woiwode van Walachije, terwijl een ander hoofd, Bogdan geheeten, zich laat uitroepen tot woiwode van Moldavië. Zoo ontstonden de beide onafhankelijke romaansche of roemeensche vorstendommen, maar de onafhankelijkheid was niet van langen duur.

In 1393 wordt Walachije en in 1511 Moldavië een vazalstaat van de Turken. In den aanvang worden die provincies geregeerd door inlandsche hoofden onder de suzereiniteit van de sultans in Byzantium; maar in de 18de eeuw zonden dezen er vreemde vorsten heen, gekozen uit de machtige grieksche financiers van Konstantinopel. Dat is de tijd der Fanarioten van 1716 tot 1822. Zij heeten naar Fanar, een wijk van het oude Konstantinopel, waar na de verovering door de Turken de Grieken bleven wonen. Bij hun troonsbestijging moesten de fanariotische vorsten buiten de gewone jaarlijksche schatting nog een belangrijke som aan de Porte opbrengen. Van toen af ging de bevolking gebukt onder zware lasten, en terwijl zij in naam haar vrijheid behield, werd zij op onmenschelijke wijze uitgezogen.

In 1820 echter werd de Roemeniër het juk moede; hij ontwaakte uit zijn dofheid en stond op tegen den sultan, eischend met een geestkracht, waartoe men hem niet in staat zou hebben geacht, zijn eigen inlandsch bestuur terug te erlangen, hetgeen geschiedde. Die vorsten wisten het nationaal gevoel te doen herleven, en na den Krimoorlog verwierven zij voor de roemeensche provinciën een betrekkelijke onafhankelijkheid, gewaarborgd door de mogendheden, die het verdrag van Parijs in 1856 hadden geteekend.

De vereeniging der provinciën werd in 1861 afgekondigd, en kolonel Couza werd tot vorst gekozen onder den naam Alexander-Jan I. Samen met zijn ministers kondigde hij tegelijkertijd de secularisatie van de kloosters af, die een vierde deel van al het grondgebied bezaten, en de afschaffing der slavernij van de boeren. Maar in 1866 werd hij gedwongen, afstand te doen van den troon, en de Kamers riepen, nadat zij tevergeefs een beroep hadden gedaan op Zijne Hoogheid den graaf van Vlaanderen, prins Karel van Hohenzollern tot vorst van Roemenië uit.

Bij zijn troonbestijging moest alles van voren af aan worden opgebouwd. De steden leverden een schouwspel van volslagen armoede op. Overal heerschten omkooping en diefstal. De vorst hield zich dan ook van het begin af bezig met de reorganisatie van de verschillende takken van staatsdienst, en in 1877, tijdens den turksch-russischen oorlog, was Roemenië reeds met groote schreden vooruitgegaan en kon een machtige steun zijn voor Rusland.

Het werd maar kaaltjes beloond voor zijn edelmoedige hulp. Men gaf Dobroedsja met de haven Constanza; maar in ruil moest Roemenië dat deel van Bessarabië afstaan, dat in 1856 verkregen was, en waar Rusland al sinds langen tijd een begeerig oog op hield gevestigd. Het is waar, dat tevens de volledige onafhankelijkheid van Roemenië door de verschillende europeesche staten werd erkend, en in 1881 verkreeg vorst Karel van Hohenzollern den titel van koning van Roemenië.

In dit geschiedverhaal wordt de uittocht van Fogaras door verschillende schrijvers tegengesproken. Zij houden vol, dat Radu-Negru slechts een legendarische persoonlijkheid is. Volgens hen zouden Tugomer Bassarab, die een dynastie in Walachije stichtte en zijn zoon Alexander Bassarab, die het volk van herders in een zelfbewuste, onafhankelijke natie herschiep, de grondleggers van den staat zijn.

Wij betreden Walachije langs den nieuwen weg, die door de Karpathen leidt en te Targu Jiul uitkomt. Daarna, als wij ons successievelijk hebben opgehouden in de kloosters van Tismana, Horezu, Curtea de Arges en Kampolung, begeven we ons naar Boekarest, de hoofdstad van Roemenië, van waar we een bezoek zullen brengen aan het petroleumgebied van Doftana en aan de mijnen van steenzout van Slanic. Wij zullen den tocht besluiten met [124] Sinaïa, de poëtische residentie van Roemenië’s souvereinen.

Tegenwoordig reist men in Roemenië nog per victoria, met twee, drie of vier paarden bespannen. Onder de kap is een ruime bergplaats voor alles, wat men kan noodig hebben onderweg, en er hangt een emmer aan, om den paarden te drinken te geven, want al die dingen kan men onderweg niet krijgen. De zak met maïs, waaruit de paarden gevoerd worden, die maïs in plaats van haver krijgen, bevindt zich naast den koetsier. De laatste neemt ook rijkelijk voorraad mee en is dan eindelijk wel zoo goed, uwe bagage op te laden.

Roemeensch bergbewoner.

Roemeensch bergbewoner.

De paarden zijn vlug en opgewekt en bestand tegen groote vermoeienis. Zij leggen 80, soms zelfs 100 kilometer per dag af en 10 kilometer per uur. De koetsiers hebben een eigen, bijzondere manier van hen aan te zetten, door de zweepslagen te doen vergezellen door woeste, zeer eigenaardige geluiden.

Voor vijf-en-twintig jaar was de victoria in het land onbekend; men reisde enkel met de birdj, het nationale voertuig, dat nu nog bij de boeren in gebruik is. Het is een kist van houten latten zonder veêren op vier wielen, aan de achterzijde is de onvermijdelijke bak voor berging en een groote huif is er overheen gespannen, ondersteund door breede hoepels. Door een smalle, lage opening stapt men er binnen en heeft daar dan als zitplaats zijn eigen bagage of een hoop hooi.

Het dal der Jiul, dat bij ’t vertrek uit Pétrozény voor ons open ligt, werd langen tijd voor volkomen onbruikbaar gehouden, want zelfs de bergbewoners beschouwden het als onbegaanbaar, en om over dit deel der Karpathen heen te komen, gaven zij nog ondanks de hinderpalen van allerlei aard, de voorkeur aan het ruwe pad over den Vulkaan-pas. Maar door groote en vernuftige werken, voor ’t meerendeel aangelegd door belgische ingenieurs, loopt er thans een der mooiste wegen door en een der veiligste uit de zuidelijke Karpathen.

Roemeensche gala-kleeding.

Roemeensche gala-kleeding.

Men rijdt er door een nauwe spleet, met aan beide zijden hooge bergen, die van boven volkomen kaal zijn en die in de lagere gedeelten met groote, nog niet geëxploiteerde bosschen zijn bedekt, waardoor de bergen een prachtig maar somber aanzien krijgen. Heel in de diepte van de kloof stuwt de hongaarsche Jiul, gevoed met de roemeensche rivier van dien naam, haar onstuimig water tusschen al de hindernissen door, die in de rotsachtige bedding in den weg komen. Nu eens in het nauw gebracht tusschen rotswanden, schuimt en bruist en springt de rivier voort; dan weer breidt zij zich rustig uit te midden van het groen, dat tot het water voortloopt. [125]

Soms is de rivier zoo woedend, dat zij een stuk van den nieuwen, met groote kosten aangelegden weg met zich mee sleurt. Men kan in West-Europa zich geen denkbeeld maken van dat snelle wassen der rivieren, en het komt niet alleen in de lente voor, als de sneeuw op de bergen smelt, maar ook in het hartje van den zomer.

De weg is wel niet te vergelijken bij de wonderschoone wegen in Zwitserland, maar hij roept de herinnering wakker aan de mooiste dalen van Schwarzwald en Jura en heeft nog woester, grootscher karakter.

Verkoopsters op de markt van Targu-Jiul.

Verkoopsters op de markt van Targu-Jiul.

Dicht bij den uitgang van het dal staat in een omheinde ruimte het nederige klooster Naïch. Dat witte kloostertje, waarvan het aardige kerkje met de driedeelige vensters van buiten aan alle kanten met mooie fresco’s is versierd, wordt op ’t oogenblik nog door enkele monniken bewoond.

Weldra worden de bergen lager en staan verder uiteen. De Jiul, die niet langer door rotsen beperkt wordt, stroomt door een bedding, die tienmaal te breed is voor haar wateren, en de wouden verdwijnen, om plaats te maken voor gewoon bouwland. Eerst nadat wij dertig kilometer hadden afgelegd, ontdekten wij enkele houten huisjes met puntige daken op zijn Turksch en bedekt met planken van berkenhout. Hoe armoedig ze ook mogen wezen, alle huisjes zijn van elkander afgescheiden en zijn door een schutting omgeven. In Roemenië zijn, evenals in de meeste oostersche landen, levende hagen onbekend. Men maakt afsluitingen van planken of palen, van doode takken of van rijswerk. Die kleine boerenhoeven hebben, al zien ze er ook nog zoo ellendig uit, toch een echte verbetering gebracht in het lot van den Roemeniër. Hij heeft thans een eigen huis, een stal, een maïszolder, een varkenshok, terwijl hij te voren eeuwen lang onder de heerschappij der Bojaren gewoond heeft in holen, die twee meter diep in den grond waren uitgegraven en onder een dak van rijswerk met aardkluiten belegd. Voor elk van deze woningen ligt nu een veranda, waar het gezin des zomers slaapt, omdat de groote hitte het huis van binnen onbewoonbaar maakt. Des avonds worden er matrassen en dekens neergelegd, die ’s morgens weer worden weggenomen.

Oudtijds wilde een vroom gebruik, dat ieder boer vóór de deur van zijn huis een schotel met water plaatste ten gebruike der voorbijgangers en der reizigers; tegenwoordig ziet men vóór elke hoeve een pomp, waarbij ieder naar welgevallen zijn dorst kan lesschen.

De monumentale deur, die de omheining afsluit, is een der sieraden van een roemeensch huis; men vindt zoo’n deur overal, bij de grootste, zoowel als [126] bij de kleinste hoeven, bij de villa’s en bij de kloosters. Die deuren zijn op eigenaardige en soms zeer artistieke wijze uitgesneden.

De Bojarenheerschappij werd eerst in het land gevestigd op het eind der 14de eeuw. Radu of Rudolf XIV kwam, met den steun van den griekschen patriarch Niphon, op het denkbeeld een adelstand in het leven te roepen op het voorbeeld van den byzantijnschen adel en veranderde de hofambten zóó, dat ze recht gaven op adellijke titels.

Dit was de aanleiding tot het ontstaan van den stand der Bojaren. Later kwam onder de Fanarioten een stroom van grieksche avonturiers het land binnen, in het gevolg der vorsten, die hen bij voorkeur tot eereambten riepen. Zoo ontstond er in het land zelf een vreemde aristocratie, een lage, verdorven, winzuchtige klasse, die de inboorlingen onderdrukte en ze onbeschaamd uitmergelde. Die nieuwe adel was erfelijk tot in het tweede geslacht.

Elke Bojarentitel gaf recht op een zeker aantal boeren, die alleen aan hun heer belasting hadden te betalen. Zestig duizend gezinnen werden aldus in den dienst der Bojaren gesteld. Die ongelukkige landbouwers, hoewel niet precies gebonden aan den grond, hadden niet het recht, van heer te veranderen en mochten hun grond alleen verlaten met toestemming van den eigenaar.

“Nog in 1856”, zegt Elisé Reclus, “waren 5 à 6000 Bojaren heeren en meesters van het land en zijn bewoners. Maar er bestond groote ongelijkheid onder hen; de meesten waren slechts kleine grondbezitters, terwijl 70 vazallen in Walachije en 300 in Moldavië met de kloosters bijna al den grond onderling hadden verdeeld.

In 1864 kwam er, met de secularisatie van de kloosters, ook een einde aan de lijfeigenschap der boeren. Elk gezin verkreeg een stuk land, afwisselend tusschen 3 en 6 H.A., naar gelang het één koe hield, twee ossen en een koe, of vier ossen en een koe. De hectare werd hun eigendom tegen den prijs van 60 gulden, betaalbaar aan den staat in vijftien jaarlijksche aflossingen.

Het aantal boeren, dat op die manier land in bezit kreeg, steeg in ’t begin tot 450000, maar in 1880, toen er een nieuwe verdeeling van den grond door den staat plaats had, kwamen er nog 100000 bij.

Ondanks die hervorming behooren de groote bronnen van rijkdom nog aan den staat en de oude Bojaren. De staat exploiteert namelijk zelf de onuitputtelijke zoutmijnen, hij is eigenaar van de petroleumhoudende terreinen; voor het grootste deel zijn de bosschen, die een vijfde van het grondgebied bedekken, in zijn bezit. Wat de Bojaren betreft, zij hebben enorme eigendommen in handen, hun door de woiwoden afgestaan, en waarvan de uitgestrektheid van 4 tot 8000 H.A. bedraagt.

Die eigendommen kunnen niet dan in hun geheel verkocht of vervreemd worden; de wet verbiedt hun verbrokkeling. Buitendien is door art. 7 der grondwet bepaald, dat vreemdelingen geen vaste goederen in Roemenië mogen bezitten. Zij kunnen niettemin van een Roemeniër erven; maar in dat geval heeft de staat het recht, hen te verplichten hun bezittingen te verkoopen, tenzij ze zich laten naturaliseeren. Dat kan geschieden bij Parlementsbesluit na tien jaren verblijf in het land. Er zijn nog andere verzachtingen van de bepalingen, die op vreemdelingen betrekking hebben. Zoo kunnen ze bijvoorbeeld huizen bezitten in de steden, en er bestaat plan, om de verkrijging van vaste goederen mogelijk te maken voor buitenlandsche maatschappijen, in geval de meerderheid der aandeelhouders uit roemeensche burgers bestaat.

De wijze, waarop die groote bezittingen worden geëxploiteerd is nog al eigenaardig. Op een vastgestelden dag roept de burgemeester de gezinnen uit zijn dorp op en verdeelt onder hen, tegen een dikwijls belachelijk laag loon, de gronden, die bebouwd moeten worden. Het loon wordt vooruit betaald, maar de geheele oogst valt toe aan den eigenaar. Behoef ik nog te zeggen, dat de ongelukkige boeren, die vroeger zoo slecht behandeld werden, dat tegenwoordig nog worden? In vele gevallen worden ze lomp bejegend en zelfs wel geslagen.

Verscheiden oude Bojaren, vooral in Moldavië, besturen zelf de landbouwondernemingen op hun goederen en hebben uitgebreide corpsen arbeiders in het werk, terwijl zij tien maanden van het jaar er wonen. Maar in het hartje van den winter gaan ze reizen en gaan hun inkomsten te Boekarest, Weenen en Parijs verteren.

Op den weg van Targu Jiul komen wij groote wagens tegen. Zeven of acht paar ossen, het eene paar achter het andere en bestuurd door in het wit gekleede boeren, trekken landbouwmachines en zware karren met nieuwerwetsche artikelen voor den modernen landbouw. Vroeger ging het dorschen in Roemenië met behulp van ossen, die het koren op den dorschvloer trapten. Tegenwoordig is de dorschmachine er doorgedrongen, en de kleine eigenaars vereenigen zich, om samen stoomdorschmachines te koopen.

Mannen en vrouwen te paard gaan naar de stad; spiernaakte kinderen vluchten bij onze nadering. De dorpen worden grooter; de huizen zijn netter onderhouden, en op de palen van de afsluitingen staan allermerkwaardigste potten en vazen omgekeerd, om uit te lekken en te drogen. Aardewerkfabricatie is inderdaad een der belangwekkendste takken van de roemeensche klein-industrie. Er worden zelfs markten van aardewerk gehouden, en men vraagt zich af, hoe de Roemeniërs zoo’n oneindige verscheidenheid van gebruiksvoorwerpen kunnen aanwenden.

Bij den ingang der stad waren geheele gezinnen aan den wegrand gezeten, in een kring op den grond gehurkt in volkomen sans gêne. Zedigheid is waarschijnlijk niet de hoofddeugd der roemeensche boerinnen; misschien ook bestaan er daar andere begrippen op dat punt dan bij ons, en het is waar, dat hoe meer men het Oosten nadert, des te inschikkelijker wordt men voor het déshabillé.

Wij zijn te Targu Jiul, de eerste belangrijke plaats in Roemenië. Het is een stad van 3000 inwoners, waar een school in aanbouw de aandacht trekt, omdat zij als modelschool aangewezen wordt.

Het hôtel, waar wij afstappen, ziet er zeer goed uit en, hoogst aangename verrassing, de eigenaar [127] spreekt Fransch. Maar wij moeten nu kennis maken met de roemeensche keuken! O, die roemeensche keuken! Zure soepen, waar een half dozijn sardines in drijven. Is dat niet iets, om u op slag den gretigsten eetlust te benemen?... Geen roastbeef, noch biefstuk.... Runderen worden niet geslacht; zij dienen enkel als trekdieren. Varkens loopen op straat rond, maar ze worden evenmin geslacht, in den zomer ten minste niet, onder voorgeven, dat het vleesch maar twee of drie dagen goed blijft. Kippen krijgt men meer dan genoeg, maar die welke ons aan tafel werden voorgezet, zijn magere beestjes, zoo hard gebraden, dat ze bijna geheel uitgedroogd zijn. Schapenvleesch, trossen gekookte maïs en een gerecht, dat koukouroute heet, schijnen de meest aanbevelenswaardige onderdeelen van ’t menu.

In de hôtels eet men met muziek. Als gij een orkest van Zigeuners treft, hoort ge woeste, heftige, hartstochtelijke muziek; hebt ge een roemeensch orkest, dan blijven vuur en gloed achterwege, om plaats te maken voor klacht en melancholie. Het is om te schreien, zoo droevig; ’t is in muziek omgezette smart.

Midden in den nacht worden wij gewekt door een hevig onweêr, zooals er bij ons zelden voorkomen. Het is een opeenvolging van lange, witachtige bliksemstralen, uitgaande van alle punten van den horizon tegelijk en, in éénen door, de markt en de straten der stad met licht overstroomend. Tegelijkertijd storten de watervallen van den hemel op de aarde neer, en de straten worden tot ware rivieren. ’s Morgens waren de straten weer droog, en de lucht was zuiver en geurig.

Niettegenstaande den nachtelijken storm was van vier uur af de markt, die tegenover ons hôtel werd gehouden, buitengewoon druk en levendig. Men kan zich niets aardigers en schilderachtigers denken dan die markten, waar de bewoners uit de naburige dalen samenkomen. Die laatsten komen naar de stad in met een paar ossen bespannen karren, of op den rug van een muilezel, door de vrouwen bereden op dezelfde wijze als door de mannen. Zij hebben vaak een reeks van een vijftiental bijeengebonden kippen bij zich, die er erbarmelijk uitzien. Enkele vrouwen komen op de markt met leêge handen; maar met zeer gevuld jakje. Als ze ter plaatse zijn, steken ze de hand vóór in hun halfgeopend gewaad, dat daar trouwens altijd voor zak dient en halen er, ’t zij een kip, ’t zij een eend uit; ik heb er zelfs gezien, die uit die bergplaats een speenvarkentje voor den dag haalden, dat daarna moederlijk in de armen werd gedragen.

Doch het origineelste zijn zij, die uit de stad terugkeeren met de meest uiteenloopende voorwerpen in haar geïmproviseerden zak. Die hangt dan zwaar omlaag op den boezelaar, en maakt bij elke schrede een rinkelend geluid van aardewerk of men hoort er den triomfkreet van een haan uit opstijgen, die op de markt een koopster heeft gevonden. De vrouwen staan of zitten er langs de trottoirs met haar koopwaar vóór zich. De verkoop van de producten is niet zeer winstgevend. Men betaalt 30 centimes voor een kip, 10 centimes voor vier eieren, en 15 centimes voor vier liter wijn. Toch zien ze er niet uit, of ze gebrek lijden. Ze zijn vroolijk en vriendelijk en gaan naar de markt als naar een feest.

Haar kleeding, van onberispelijke netheid, is tevens niet onelegant. Zij dragen een zeer wijd linnen hemd, versierd met borduursel van blauwe en roode wol. Vóór en achter wappert een boezelaar, de catrinza, van wol met breede strepen. In andere plaatsen hullen ze zich bij wijze van japon in een stuk geweven stof, die zeer stijf is en rijk versierd met motieven in kleuren. De jonge meisjes loopen altijd blootshoofds met een op den rug hangende vlecht. Alleen de getrouwde vrouwen dragen over het hoofd en de schouders een sluier van zeer lichte stof en in enkele steden hebben zij een mannenhoed op, die niet zeer gracieus staat.

De kleeding van de mannen herinnert aan de oude dracht der Daciërs, zooals zij op de Trojanus-zuil is weergegeven. Zij bestaat uit een hemd van grof linnen, om het middel bevestigd met een breeden leêren gordel, die voor zak dient. Onder het hemd wordt de linnen broek gedragen, gewoonlijk sluitend van de knie tot den enkel.

De Roemeniër uit het laagland, vooral de Walach, heeft zwarte oogen, een gebronsde tint en een zacht, sterk sprekend gezicht. Nog in onze dagen vertoont hij de sporen van het droevig lot, dat hij zoo lang heeft moeten dragen. Hij is tegelijk beschroomd, geduldig, bijgeloovig en fatalistisch.

Al vroeg in den morgen wacht onze met drie paarden bespannen victoria aan de deur van het hôtel, en na ons van mondvoorraad voor den dag te hebben voorzien, gaan wij op weg naar Tismana.

Het landschap, waar we door rijden, is zeer schilderachtig. Op dichte groepen hoog eiken hakhout langs den weg volgen de groote wouden, reuzenbosschen, waar de boomen prachtige afmetingen erlangen. De dorpen zijn armoedig en vuil, en het geeft een bedrukkend gevoel, te rijden door die vruchtbare dalen der Karpathen, en te constateeren, dat er alle sporen van werkzaamheid ontbreken. Maar de arme heeft in dit land bijna geen behoeften; hij heeft maïs in huis en uien en brood, een brok zout en kaas, en hieraan heeft hij genoeg. Het bosch levert hem hout en zijn kleêren worden thuis door de vrouwen gesponnen, geweven en genaaid. Elke woning heeft dan ook haar weefgetouw. Van hennep wordt het grove linnen gemaakt, waaruit in hoofdzaak kleederen van mannen zoowel als van vrouwen zijn vervaardigd. Gesponnen wol dient voor het maken der lakensche mantels voor de boeren en voor huishouddekens. Met meekrap of lakmoes gekleurd, dient die wol ook voor het weven van de veelkleurige boezelaars, die de vrouwen dragen en voor de versiering van de linnen hemden met allerlei curieuse en artistieke borduursels.

Ik kan hier nog bijvoegen, dat tot op den leeftijd van zes à zeven jaar de meeste kinderen geheel naakt loopen, wat practisch en zuinig moet heeten. Des avonds alleen trekt men hun een hemdje aan tegen de koude van den nacht.

Vlak bij Tismana ontmoeten wij talrijke groepen, los en vrij op den grond gelegen vóór hun deuren. Als bij instinct staan ze op, als ze ons zien naderen [128] en blijven staan als teeken van eerbied, tot we voorbij zijn. Die groepen zijn voor ’t meerendeel Zigeuners.

De oorsprong van dit eigenaardige ras is lang een punt van strijd gebleven. Het schijnt tegenwoordig vast te staan, dat ze uit Hindostan afkomstig zijn. Oude charters, die te Tismana teruggevonden zijn, spreken al van Zigeuners, die in de 14de eeuw in slavernij naar Walachije werden gekracht.

Werkelijk zijn de Zigeuners in Roemenië eeuwen lang in een toestand van smadelijke dienstbaarheid gehouden, terwijl ze overal elders reeds de vrijheid hadden gekregen. Zij bleven het eigendom van den staat, de Bojaren en de kloosters tot 1827, het jaar van hun bevrijding. Hun aantal is betrekkelijk gering; in heel Roemenië komen er tegenwoordig niet meer dan 260000 voor.

De kleeding der vrouwen in het dal der Olt.

De kleeding der vrouwen in het dal der Olt.

Onder al de wisselvalligheden van hun treurig bestaan hebben de Zigeuners hun type, hun taal en hun gewoonten behouden. Het type is zeer bijzonder en is merkwaardig zuiver door de eeuwen heen bewaard gebleven. De taal, die zij spreken onder elkander, is een hindoesch dialect, dat veel op eenige sanscrietsche tongvallen gelijkt. Eerst sedert hun vrijverklaring komen gemengde huwelijken tusschen hen en Roemeniërs voor. Ze hebben een ovaal gelaat en prachtige, schitterende, zwarte oogen. Het zeer zwarte haar laten zij als een bos groeien en nooit maakt het kennis met een kam. De neus is recht, met een lichte arendswelving; de tanden behouden hun schitterende witheid in alle omstandigheden, zelfs bij het overmatig gebruik van tabak, waaraan mannen en vrouwen zich overgeven.

Velen van hen zijn landbouwers en anderen beoefenen het smids- of het koperslagersbedrijf. Maar ze zijn vooral muzikanten, en zonder eenige theoretische kennis brengen ze met veel gevoel en uitnemend talent de liefelijkste melodieën ten gehoore.

Wij gaan nu door bekoorlijke boschjes, waar aan alle kanten beekjes onder de struiken ritselen, zooals zij neergedaald komen van de naburige hoogten en den stoffigen weg met hun gemurmel begeleiden.

Links van ons wordt het landschap beheerscht door het klooster van Tismana, zooals het daar leunt tegen den dichtbegroeiden berg en op een vooruitspringend gedeelte van de rotsen is aangelegd. Een waterval vloeit schuimend onder het klooster naar beneden en stort zich met één sprong in het dal, waar hij nog trillend van den val in de diepte, zijn loop vervolgt tusschen de donkere boschjes naast ons.

De abdij van Tismana, die vroeger zoo beroemd was, bezit thans geen anderen rijkdom meer dan zijn prachtige ligging en heerlijke omgeving.

Een vijftiental monniken leiden er nog een armoedig bestaan. Sinds de secularisatie van de kloosters in 1864, dat is dus sinds den tijd toen zij beroofd werden van hun bezittingen en kostbaarheden, bepaalt de regeering zich ertoe, aan elken monnik 70 centimes per dag te geven voor hun voeding en 50 francs per jaar voor kleeding. De rijke sieraden en kostbare ikons zijn hun afgenomen en worden thans tentoongesteld in het museum te Boekarest, waar ze hun typische belangrijkheid natuurlijk hebben verloren. Er heerscht dan ook groote ellende in die kloosters, en de cel van een der monniken, waar men ons heen brengt, om van het prachtig uitzicht te genieten over het dal, is een akelig verblijf met geen andere meubels dan een stroozak. [129]

Het stadje Horezu.

Het stadje Horezu.

Vroeger, in den tijd van hun grootheid, toen herbergen in Roemenië iets onbekends waren, boden de mannen- en de vrouwenkloosters de ruimste gastvrijheid aan, en vriendelijk werd ieder vreemdeling opgenomen, die aan hun deur klopte.

In het dorp Slanic.

In het dorp Slanic.

Zij waren zelfs het doel geworden voor kortere of langere uitstapjes, en de burgerij uit de steden kwam er samen, om er den zomer te slijten. Er slopen allerlei misbruiken in bij dat leven van wereldsche ledigheid, dat daar langzaam aan binnendrong in het kloosterleven en dat zelfs, naar het schijnt, een der redenen was van de secularisatie der kloostergoederen. Tegenwoordig, nu de monniken het armoedig hebben en zelf alle werkzaamheden op het veld moeten verrichten, zijn de kloosters stil en verlaten geworden. Enkele kalme gezinnen, die de hitte in de vlakte willen ontloopen, komen er nog wel eens rust en koelte zoeken. De monniken verhuren hun kamers, maar zij bieden niet anders aan dan een legerstede in die ruimten. De logés moeten zelf in al hun andere behoeften voorzien.

Men komt het klooster binnen langs een vierkant voorplein, waar men de gebouwen ziet, bestemd voor de vreemdelingen. Er zijn op dit oogenblik twee welgestelde families uit Krajowa, waarvan de dames ons vriendelijk als tolk dienden bij den portier, een prachtigen monnik met lange haren en zwarten baard.

Er is een tafel neergezet in het klooster ten gebruike van de vreemdelingen die hun ontbijt in het klooster wenschen te gebruiken. Maar wij mochten ons inderdaad gelukkig achten, omdat wij er aan gedacht hadden proviand mede te nemen, en niet vertrouwd te hebben op den regel, die al zeer oud is en die de kloosters verplicht vreemdelingen drie dagen lang te herbergen en te voeden. De portier, die ons bediende, had zelfs geen brood ons aan te bieden. Alleen had hij ronde, harde, platte beschuiten als enorme medailles, met een afbeelding van het klooster op den eenen en een van den patroon der abdij Sint Nicodemus op den anderen kant. [130]

De monniken houden zich bezig met de eenvoudigste en meest vermoeiende werkzaamheden; maar zij behouden zelfs bij het nederigste werk een waardigheid, die eerbied afdwingt. Armoede is geen schande.

Zij belijden den orthodox griekschen godsdienst. Tot 1864 was de kerk onderworpen aan het patriarchaat van Konstantinopel; sinds dien werd zij een onafhankelijke, nationale kerk. Haar hoofd is de metropolitaan-primaat van Roemenië, die te Boekarest resideert. De roemeensche geestelijkheid wordt in twee categorieën verdeeld, de monniken van den H. Basilius, die aan het celibaat gebonden zijn, en de wereldlijke priesters, die mogen huwen. Uit de eerste categorie alleen wordt de hooge geestelijkheid gerecruteerd. Zelfs onder het turksche protectoraat zijn de Roemeniërs er in geslaagd, het verdrag te doen eerbiedigen, waarbij het verboden was moskeeën op hun grondgebied te bouwen. Nooit hebben de Turken, het zij tot hun eer gezegd, de minste poging gedaan, om dat verbod te overtreden.

II.

Het klooster van Horezu.—Uitstapje naar Bistritza.—Romnicu en de pas van den Rooden Toren.—Van Curtea de Arges naar Kampolung.—Pas van Dimbo-viciora.

Op 25 K.M. af stands van Targu Jiul ligt het klooster van Horezu, onmiddellijk bij het stadje van denzelfden naam. Daar de weg nog al vermoeiend is, heeft men voor ons gewoon klein rijtuigje vier paarden gespannen, alle vóór elkander. Wij volgen juist de tegenovergestelde richting van die naar Tismava; doch evenals gisteren rijden we langs de hooge bergen van de Karpathen en wij steken dwars over een eindeloos aantal dalen, die van de groote hoofdketen afdwalen, om zich in de roemeensche poeszta te gaan verliezen.

De dalen zelf zien er niet merkwaardig uit, maar bij elke hoogte ontdekken wij ruime vergezichten, die den tempel van dichterlijke melancholie dragen. Nu eens gaan we voorbij prachtige eikenbosschen, die kolossale hoogten bereiken, dan langs verrukkelijke berkenbosschen met zilveren stammen en levend loof. Wij houden halt, soms onder een boschje in de diepe schaduw bij een van die groote putten, wier eenige arm ten hemel wijst en waar onze arme paarden met lange teugen zuiver en kristal-helder water drinken, en dan weer bij een bescheiden dorpsherberg, waar we binnengaan, om ons eens te vertreden en ook om van die dorpsbinnenhuizen een voorstelling te krijgen.

En terwijl in de gelagkamer onze koetsier zijn fleschje tzuica drinkt, of pruimelikeur, die uit zeer kleine fleschjes geschonken wordt, in één teug te ledigen, brengt de waard ons naar de achterkamer, de eerezaal. Wij zien er als voornaamste meubel een divan, die als bed kan dienen en in den vloer is vastgeschroefd. Een mooi gestreept tapijt ligt erover en kussens met allerlei borduursels en roode en witte letters. Tegen de muren hangen chromolithografieën, afwisselend met groote strikken van wit linnen, op dezelfde wijze geborduurd en van initialen en datums voorzien. Er is in het geheele huis geen kast, noch in den muur, noch los in de vertrekken. Daarvoor in de plaats staan er langwerpige houten koffers of kisten naar turksch en servisch gebruik, waar men door elkaâr schoenen en vaatwerk en juweelen in bergt, kortom al wat men bezit.

De middenzaal wordt door het gezin bewoond. Men ziet daar de weefstoelen, dan divans, allerlei aardewerk, heel eenvoudig keukengereedschap en een langwerpige tobbe, in den vorm van een boot in een boomstam uitgehold. Die tobbe, die men in alle huizen terugvindt, bewijst de meest verschillende diensten. Het is de draagbare wieg der kinderen, de waschtobbe van de moeders en de etensbak der beesten.

In het algemeen koken de Roemeniërs bij mooi weêr in de open lucht, ’s Avonds groepeeren zich geheele gezinnen om een vuur, waarop de mammaliga kookt, de nationale schotel, een dikke brij van maïsmeel in zout water gekookt, en tegen den nacht geeft het roode schijnsel van het vuur, dat al die witte gedaanten, die er zich omheen dringen, verlicht, aan het landschap iets sombers en dreigends.

De waard zet ons, na de honneurs van zijn huis te hebben waargenomen, zijn besten wijn voor, die entre nous niet drinkbaar is, daarna brengt hij ons naar de plaats bij zijn huis, waar een soort van rad is opgericht, een russische schommel, hier het Groote Rad van de parijsche tentoonstelling in zijn eenvoudigsten en meest rustieken vorm. Men ziet die raderen nog al eens, zoowel in Moldavië als in Walachije.

De dorpen, die wij door trekken,—de weinige dorpen, zou men moeten zeggen, want het land is dun bevolkt,—lijken alle op elkander. Het zijn altijd dezelfde boerenhuizen, die men er ziet, met planken daken, en waar varkens van allerlei kleuren voor rondloopen met een driehoekigen ijzeren ring door den neus, dan ganzen en eenden en daartusschen naakte kinderen. Uit die hoeven stuiven vaak groote honden te voorschijn, die tegen het rijtuig blaffen en achter ons aan hollen, tot de koetsier met een flinken zweepslag hen tot orde en welvoegelijkheid roept.

De dorpskerken, alle gelijk, zijn in nieuw-byzantijnschen stijl opgetrokken en trekken van verre de aandacht door hun metalen koepels en hun hooge, achthoekige torens met groote boogvensters. Vele zijn van buiten met groote fresco’s versierd, die er een zeer bijzonderen stempel op drukken. De kerkhoven, die meestal afgezonderd liggen te midden van de velden, zijn vol van zware byzantijnsche kruisen, beschilderd en versierd met vrome figuren op gouden fond. Ook langs den weg staan veel kruisen, die niets met graven te maken hebben, kruisen, die als in veel berglanden, door vrome geloovigen zijn opgericht. Zoo ziet men vaak een kruis naast een bron of zelfs wel bij een eenvoudigen put.

Op den middag houden we stil te Podovraj, een aardig plaatsje, middelpunt, van waar uit men verscheiden belangwekkende uitstapjes kan maken. Wij vinden er veel roemeensche familiën, die er hun zomerverblijf hebben opgeslagen. [131]

De Roemeniërs gaan op eenvoudige en goedkoope manier en villégiatura. Zij hebben eigenlijk geen ander koel zomerplaatsje dan Sinaïa, de koninklijke residentie, waar de élite van ’t gezelschapsleven samenkomt; enkele badplaatsen als Slanic in Moldavië en Calimanesti, en een paar deftige lustoorden in de bergen, als Kampolung, Ocna en nog enkele. Daarom gaan families met beperkte middelen, die de brandende hitte der vlakte willen ontvlieden, bij voorkeur naar de dorpen. Daar gaan ze een accoord aan met de eene of andere Zigeunerfamilie, die hun haar woning voor één of twee maanden afstaat. Men installeert zich dan in zoo’n primitief huis en brengt er de vacantie door te midden der bosschen en der woeste Karpathennatuur, gelukkig als er een herberg in de buurt is, van waar ze hun eten kunnen laten komen. In dien tijd kampeeren de Zigeuners hier of daar; die nemen het zoo nauw niet en hebben hun nomadenbloed behouden.

Te Horezu moesten wij de keus van ons logement aan den koetsier overlaten. Hij brengt ons in een soort van hoeve, die volkomen ledig is. Niemand in de herbergzaal, niemand in de kamers, waar wij haastig en tersluiks een blik in werpen. Maar alles ziet er zoo vuil, zoo afschuwelijk vuil uit, dat wij niet kunnen besluiten, er den nacht door te brengen en op de zoek gaan naar een meer passend verblijf. Na veel zoekens vinden wij een minder voorhistorische, zelfs bijna moderne herberg. De waard laat ons kamers zien, waar de bedden wel door divans zijn vervangen op roemeensche manier, maar waar de lakens van een witheid zijn, die een uitstekend voorteeken is.

Helaas! het voorteeken heeft bedrogen. Den geheelen nacht zijn de springende insecten in de weer. Noch ammonia, noch eau de cologne helpt er iets tegen en slapeloos brengen wij den nacht door.

Het stadje Horezu is bekoorlijk en druk. De huizen, minder op zichzelf staand dan te Targu Jiul, zien er beter uit met hun in de straat naar voren springende balkons. De bewoners, vooral de vrouwen, zien er vroolijker uit, hebben zelfs iets joligs. Des avonds dringen naar het eind van de hoofdstraat, waar wij logeeren, vreemde liederen tot ons door, gezongen door van het werk terugkeerende meisjes. Het zijn turksche melodieën met zeer bijzondere modulaties, en het gezang is werkelijk boeiend, zoo boeiend, dat wij de groepen volgen tot op het oogenblik, dat zij uit ons oog verdwijnen, altijd nog zingend en de echo’s voortstuwend van hun trillers en hun hooge noten.

Op twintig minuten afstands van de stad ligt het klooster van Horezu. Men gaat per rijtuig langs den grooten weg tot aan den heuvel, waarboven de indrukwekkende steenmassa’s van de oude abdij verrijzen. Daar wordt de weg zoo steil en steenachtig, dat wij te voet verder moeten gaan. Halverwege de helling zien we een monnik van gemiddelde grootte, die met ons den lijdensberg bestijgt. Wij gaan schrede voor schrede achter hem aan, zooals hij ons daartoe schijnt uit te noodigen met den vriendelijken glimlach, zich afteekenend onder den fijnen knevel, en spoedig betreden wij na hem het groote binnenplein van het klooster, waar op dit oogenblik veel menschen bijeen zijn. Een leekenbroeder treedt op ons toe, en na een korte samenspraak met den monnik, die ons had binnengeleid, wendt hij zich tot ons en zegt in zeer correct Fransch: “Mevrouw, de overste noodigt u uit in het salon te gaan.” Wij waren grootelijks verrast. Wij wisten niet, dat het klooster van Horezu, dat ten allen tijde een mannenklooster was geweest, een nonnenklooster was geworden, de kleeding en de knevel van de overste hadden ons geheel op een dwaalspoor gebracht. Werkelijk is de kleeding van de nonnen in Roemenië volkomen gelijk aan die der monniken. Zij dragen dezelfde zeer ruime zwarte pij met wijde mouwen met een zwart wollen koord om het middel gesloten. Daaraan hangt de rozenkrans en op het hoofd hebben ze op de kortgeknipte haren hetzelfde stijve, ronde mutsje, iets lager echter dan bij de mannen.

Voor profane menschen, zooals wij, zou de vergissing noodlottig kunnen worden, te meer daar, toen wij de superieure ontmoetten, zij ongesluierd was. De sluier wordt alleen bij plechtige gelegenheden gedragen en bij het zingen in het koor.

Daar zij tegenover ons de plichten der gastvrijheid wil nakomen, gaat zij ons vóór naar de bovenverdieping en brengt ons in een eenvoudig salon, op oostersche wijze gemeubeld, dus langs den geheelen wand voorzien van breede divans. Een jeugdig nonnetje gaat naar turkschen trant rond met een blaadje, waar confituren en glazen ijswater op staan. Na eenige minuten pratens geven wij den wensch te kennen, eenige photografieën te nemen, waarna de overste dadelijk allen om zich verzamelt en wij ze weldra in plechtgewaad vóór den hoofdingang der kerk bijeen vinden.

De abdij van Horezu is een der indrukwekkendste en best in stand gebleven kloosters van Roemenië. Eertijds een mannenklooster, is het nu in een hospitaal veranderd onder leiding van grieksch-orthodoxe zusters. Men moet zich dan ook niet verbazen over den droevigen aanblik, dien op sommige tijden de pleinen en de toegangen van het klooster aanbieden. De menschelijke ellende in haar meest afzichtelijke vormen en van den meest weerzinwekkenden aard komt hier verlichting van haar lijden zoeken. De zusters ontvangen ieder van den staat niet meer dan 35 centimes per dag, terwijl de monniken het dubbele krijgen. De regeering beweert, dat vanwege den van haar gevorderden arbeid zij gemakkelijker in hun behoeften voorzien.

Het klooster van Horezu werd gesticht in de laatste helft der 17de eeuw door Constantin Brancovan, voorlaatsten inlandschen woiwode van Walachije, die in het geheim er naar streefde, zijn land van het turksche juk te bevrijden en door de Bojaren aan den sultan werd overgeleverd. Hij stierf te Konstantinopel den marteldood.

Uit de verte lijkt het klooster een middeleeuwsch kasteel, met zijn grooten toren en de overblijfselen van versterkingen. Maar pas heeft men het binnenplein betreden, of alles verandert van aanzien.

Prachtige boomen werpen er hun schaduw over de gebouwen, welker bovenverdiepingen uitkomen op een rijke zuilengalerij, en naast de vroegere appartementen [132] van den vorst springt een keurig klein paviljoentje naar voren.

De kerk staat, als bij de meeste kloosters hier, midden op het plein. Zij is in zeer zuiveren romaanschen stijl opgetrokken, naar ons wordt verzekerd. Feitelijk is het de byzantijnsche, eenvoudig en streng van aanzien, zonder overlading met versierselen. Het portaal is rijk versierd met schilderwerk op gouden grond. Dit mooie kerkje diende met dat van Curtea de Arges als model voor het roemeensche paviljoen op de laatste parijsche tentoonstelling.

Op den weg naar Romnicu waren verscheiden dorpen feestelijk getooid. Er is iets origineels in die kalme feestelijkheden, in dolce far niente gesleten. De vrouwen groepeeren zich aan den eenen kant van den weg, de mannen aan den anderen. Als de tijd voor dansen daar is, voegen zich de groepen te zamen, en men kan zich moeilijk iets bekoorlijkers voorstellen dan die aardige dorpstooneeltjes. Maar de menschen zijn uiterst beschroomd en verlegen, en als men van hun pleizier getuige wil zijn, moet men de grootste discretie in acht nemen.

Roemeensche uit den Roode-Torenpas.

Roemeensche uit den Roode-Torenpas.

Wij houden stil in het dorp Tomsani; en omdat het moet, maar ook om de stijfheid uit onze beenen te loopen, leggen wij te voet een visite af in het klooster van Bistritza.

Dat uitstapje, zoo hoog geprezen door onze gidsen, en waarvan het heette, dat er een uur mee gemoeid was, kost ons drie volle uren. Daar wij het midden op den dag waren, in de brandende zon, worden we er haast wanhopig onder.

Maar er is veel schoons in het dal te bewonderen. Hooge, met bosschen bedekte bergen omsluiten den horizon en langs den weg staan boerenhoeven, waarin en waaromheen alles welvaart ademt. Op de rustieke binnenplaatsen zijn in de dichte schaduw vrouwen in haar bijbelsche kleederdracht bezig. Ze hebben volle klossen in de hand en spinnen de voor ’t huisgezin bestemde wol.

Maar de aanblik dier bekoorlijke tooneeltjes stelt mij niet schadeloos voor de vermoeienis, die de slecht gebaande weg mij bezorgt, een weg vol kuilen en zonder eenige schaduw.

De abdij van Bistritza, tegenwoordig in een militaire school herschapen, bezorgt ons een heele ontgoocheling. Bij ’t binnenkomen krijgt men den indruk van een imposant gebouw, doch het is stijlloos en, laat ons het maar zeggen, onbelangrijk. De dienstdoende officier is daarvan zoozeer overtuigd, dat hij zich ertoe bepaalt, ons een bezoek aan den waterval voor te stellen, die in een holte van de rots achter het klooster neerschuimt. Na de teleurstelling, zoo juist ondervonden, lacht ons die tocht niet toe, en wij keeren haastig op onze schreden terug.

Wij ontmoeten een boer, die na wat heen en weer praten erin toestemt, ons zijn karretje te leenen en zijn paard, terwijl zijn buurman ons een pony zal bezorgen, om de zaak volledig te maken. De kar is een soort van birdj; twee planken, aan beide kanten met touwen vastgemaakt, zijn de banken en bij wijze van tapijt hebben we een dik bed van geurig hooi.

Wij rijden hortend en stootend weg. Bij elken modderpoel, en er waren nog al zoo eenige, worden wij door elkander geslingerd, en tot tweemaal toe werd onze koetsier, een kereltje van een jaar of vijftien, buiten den wagen geworpen; maar hij klemt zich vast aan den dissel en springt weer vlug op zijn plaats met een lenigheid als van een eekhoorn. Wat ons aangaat, wij klemmen ons aan de banken vast met het vooruitzicht, ons als geradbraakt te zullen voelen, wanneer we onze plaats van bestemming hebben bereikt.

Plotseling, krak, gaat het, krak! De achterbank is gebroken, daar liggen wij op het hooi onder in den wagen. In dien hopeloozen toestand vindt ons eindelijk onze koetsier van Horezu, die, ongerust over ons lang uitblijven, ons tegemoet gereden was, zoo ver als de slechte toestand van den weg het hem vergunde.

Tusschen Pomsani en Romnicu is het landschap prachtig, vol dichterlijke woestheid. Het is een reusachtige steenwoestijn, waar wij doorheen moeten. De hooge keten der Karpathen blijft ons links op zij, en de voorbijgangers zijn al even zeldzaam als de woningen langs den weg. Zwervende honden loopen er rond, en enkelen zagen wij bezig bij het lijk van een onderweg achtergelaten paard. Er is in het landschap iets [133] sombers en doodsch. Eerst als wij het dal der Olt naderen, begint de streek er anders uit te zien, en de groote kruisen, aan den weg geplant, toonen dat er dorpen in de buurt zijn en dat de woestijn ten einde is.

Bij een dier dorpen houden wij stil vóór een boerenherberg, die er vrij onzindelijk uitziet. Bij den ingang liggen bloedende resten van de slacht, en honden, veel honden zwerven er rond, om zich op die walgelijke prooi te werpen.

Maar in het dal der Olt wordt het landschap vroolijk en vriendelijk, en aan den horizon verrijzen met bosschen bedekte bergen. Boerenwagens, met vurige kleine paardjes bespannen en overhuifd door een grooten kap, komen uit de stad terug en uit de wijde vooropening kijken aardige, kleine, bruine gezichtjes, waar groote, zwarte, intelligente oogen uit lichten. Iets verder toonen zware karren met blokken steenzout, dat wij in de nabijheid der beroemde zoutbergwerken van Ocna zijn. Wij hadden ons voorgesteld, er een bezoek te brengen; maar reeds valt de avond, en om zes uur worden de zoutwerken gesloten. Wij zullen bovendien nog gelegenheid hebben, die van Slanic in Prahova te zien, die, naar het heet, de belangrijkste en mooiste uit Roemenië zijn.

Boerenhoeve uit de buurt van het klooster Bistritza.

Boerenhoeve uit de buurt van het klooster Bistritza.

Het stadje Ocna, waarvan wij spoedig de eenige en zeer breede straat doorrijden, schijnt wel druk en aantrekkelijk. Mag ik het bekennen? Na het slechte logies van de laatste dagen voelen we ons een beetje treurig, dat wij hier niet bij de geneugten van Ocna kunnen blijven, tusschen die lachende villa’s, waar elegante menschen op de balkons en veranda’s te zien zijn. Wij hebben echter pas onzen spijt onder woorden gebracht, of daar zijn we alweer in het open veld tusschen gescheurde en vuile en gelapte tenten, waaromheen een dichte menigte Zigeuners krioelt. Zij zien er verbazend woest en onheilspellend uit, en hun optreden verschilt veel van de zachtheid en goedmoedigheid der Zigeuners, die wij tot nu toe in Roemenië hebben ontmoet.

Na drie kwartier rijdens komen we in Romnicu. Dat is een echt roemeensche stad. De hôtels met hun galerijen langs de eerste étage, gebouwd om binnenpleinen als echte, oostersche karavanserai’s; de theaters in de open lucht, waar drama’s en vaudevilles worden opgevoerd; de restauraties, waar Turken met reukwerk uit het serail rondgaan; tot de nachtwachts toe, die met geregelde tusschenpoozen een scherp en snijdend gefluit doen hooren, dat in de slapende stad de echo’s wekt juist als ’t geroep der schildwachten in vestingen, dat alles geeft aan Romnicu een zeer bijzonder karakter.

Geleund tegen het gebergte, ziet het stadje de rijke vlakte van de Olt vóór zich uitgespreid met reuzenvelden van tarwe en maïs. Roemenië brengt, naar men weet, in overvloed koren voort en voert jaarlijks een massa daarvan uit. Maar de boeren bebouwen het land slecht; ze verbranden mest en vertrouwen enkel en alleen op de vruchtbaarheid van den grond. Daar zij buitendien in ’t geheel geen begrip hebben [134] van sparen of van zuinigheid, komt er, indien de oogsten door overstrooming, hagel of droogte mislukken, dadelijk hongersnood in het land.

In Servië is bij een wet van 1889 vastgesteld, dat in elke landelijke gemeente gemeenschappelijke voorraadsschuren moeten worden aangelegd, die bestemd zijn de gevolgen van schaarschte aan voedingsmiddelen te voorkomen, en die in geval van oorlog ook moeten dienen voor de behoeften van het leger.

Ieder belastingplichtig Serviër moet jaarlijks 90 K.G. maïs en evenveel kilo’s graan storten. Als een boer door het een of ander ongeval gebrek heeft aan levensmiddelen, ontvangt hij van den gemeenschappelijken voorraad wat hij voor voeding en zaaisel noodig heeft, op voorwaarde, dat hij het volgend jaar teruggeeft, ’t geen hij voor zijn oogenblikkelijke behoeften in voorschot heeft gekregen.

Die instelling bleek van onbetwistbaar nut in den servisch-bulgaarschen oorlog en bij de overstroomingen van 1897, die even noodlottig waren voor Servië als voor Roemenië. Bij de Roemeniërs echter vond men niets van dat alles, en dit gebrek aan voorzorgen plaatst hen op een lager standpunt. Gelukkig is thans een wetsontwerp aangeboden in den geest der servische wet.

Graan is niet het eenige uitvoerartikel uit het district Romnicu. Deze geheele hoek van de Karpathen bezit mineralen in overvloed, goud, zilver, kwikzilver, ijzer, koper, arsenicum en lood; maar tot nu toe worden die schatten bijna niet geëxploiteerd.

Van Romnicu uit wordt meestal het uitstapje gemaakt naar den pas van den Rooden Toren. Die weg is te allen tijde de groote strategische route naar Walachije geweest; hij gaat over de Alpen op de plaats, waar zij hun grootste hoogte bereiken en waar zij den indruk van de grootste woestheid maken. Het is de natuurlijke weg voor invallen in het land, en Trajanus volgde hem, toen hij de Daciërs overwon, evenals de Turken er gebruik van maakten bij de verovering van Hongarije.

Die lange bergpas, waar wij door zullen gaan, is door alle eeuwen der geschiedenis heen telkens getuige geweest van heldhaftigen strijd. Maar van dat verleden vol bloed en vol glorie zijn nu nog maar zeer weinig sporen over.

Vier lustige paardjes, vóór elkander aangespannen, brengen ons in vier-en-een-half uur bij den Rooden Toren, op 64 K.M. afstands van Romnicu. Bij ’t verlaten der stad heeft men een zeer ruim uitzicht over het dal van de Olt, dat op die plek bijzonder breed is. Daarna nadert men snel de donkere Karpathen, en welkom is het oponthoud in het aardige, kleine stadje Calimanesti, bekoorlijk gelegen en met minerale, zwavelhoudende bronnen in de buurt en andere, die staal en jodium bevatten, zoodat ze jaarlijks een groot aantal badgasten lokken.

De kleeding der vrouwen heeft in dit deel van het dal een eigen karakter. Haar castrinza’s zijn met veelkleurige pailletten bestikt en fonkelen daardoor, als de zon erop schijnt, en haar sluiers, altijd van zeer licht en doorschijnend weefsel, vertoonen allerlei tinten; men ziet ze in groen en geel, in rose en bruin.

Dichtbij Cozia wordt het landschap grootsch; vulkanisch gesteente in zware vreemd gevormde rotsen komt tot dichtbij den weg. Wij passeeren het klooster van Cozia, welks kerkje op de rots ter linkerzijde troont, terwijl rechts zich de oude, nu gerestaureerde en in gevangenis herschapen kloosters verheffen. Voorbij Cozia sluiten hooge, steile rotsen den weg al nauwer in, terwijl de Olt ernaast voorbij bruist, zooals zij ons langs den geheelen pas zal blijven vergezellen.

Aan den anderen oever vestigt de koetsier onze aandacht op de nog zeer duidelijke sporen van den grooten, romeinschen weg op een grooten, afzonderlijk liggenden steen, die, van den berg losgeraakt, over de rivier hangt. Het is de Tafel van Trajanus. De legende zegt, dat boven van dien steen af, waar hij zijn tent had opgeslagen, Trajanus toezag op het voorbijtrekken van zijn zegevierende legioenen.

Arenden zweven boven onze hoofden en dalen langzaam op en tusschen de verbrokkelde rotsen om ons heen. Dichte boomen overschaduwen den eenzamen weg, en de zeer in ’t nauw gebrachte Olt bruist en schuimt als een woedende bergstroom.

De weg behoudt dat woeste en grootsche karakter over een afstand van 17 à 18 K.M. Het is altijd de strijd tusschen den stroom, die zich een doortocht banen wil, en de rots, die hem den weg verspert. Vandaar de tallooze bochten en kronkelingen, die wij hebben te volgen in den loop van de rivier.

Daarna treden langzamerhand de bergen weer terug, en armoedige dorpjes krijgen ruimte aan de kalmer geworden Olt. Daar ligt vlak aan de rivier een ruïne van een romeinsch fort, waar een herberg zich geïnstalleerd heeft. Hooger, op den top van een heuvel vindt men de overblijfselen van het kasteel Landskron, van waar het gezicht op het dal buitengewoon prachtig is. Veel kudden ossen, buffels en schapen vinden er uitstekende weiden. Wij komen nu bij de Fogarasbergen, den Surul en den Negoï met scherpe toppen, waarvan de uitgetande vormen somber afsteken tegen een donkeren onweêrshemel. Bij een vernauwing van het dal doen zich, gekleefd aan de rots en over den weg hangend, de ruïnen voor van den Rooden Toren, die zijn naam aan den bergpas heeft gegeven. Volgens de legende was dat fort eenmaal zoo rood van het bloed der Turken, dat de witte muren onder de roode kleur als verdwenen, en ter herinnering aan dien bloedigen dag heeft men de muren helder rood geverfd.

Romnicu is 34 K.M. verwijderd van Curtea de Arges, dat herinnert aan Radu Negru, den eersten woiwode van Walachije, die in 1244 er zijn hof, curtea, aan de rivier de Argis vestigen kwam. Hij is echter niet, zooals de overlevering wil, de stichter van het klooster, dat niet hooger dan tot 1512 opklimt. De kerk, gebouwd door Radu Negru, is de “Biserica Domneasca,” vorstelijke kerk, in het midden der stad gelegen. Zij dreigt in puin te vallen, en daar ze noodzakelijke reparaties moet ondergaan, wordt zij aan alle zijden gestut.

Maar de parel van Curtea is de prachtige, witte kerk, die schittert onder haar vergulde koepels en, een kwartier van de stad verwijderd, op een alleenstaanden heuvel ligt, de kerk namelijk van het klooster en waarvan beweerd is, dat zij alleen de reis naar Roemenië waard was. [135]

De schepper van dit architectonisch kunstwerk, waarin de byzantijnsche kunst iets moois geleverd heeft, met herinneringen aan arabische en perzische bouwwerken, is vorst Neagu Voda Bessaraba, die in 1513 in Walachije regeerde. In zijn jeugd werd hij als gijzelaar mee naar Konstantinopel genomen. De sultan vatte genegenheid voor hem op en liet hem in de bouwkunde onderrichten door een man van talent, Manoli de Niaesia, met wien hij o.a. een der groote moskeeën van Konstantinopel bouwde. In zijn land teruggekeerd, ontwierp hij de kerk van het klooster. Hij gebruikte er een zeer fijnen zandsteen voor uit de in de buurt zijnde groeven van Albesci.

Behalve haar kerken heeft Curtea de Arges weinig aantrekkelijks voor den vreemdeling. Monniken met lange haren en lange baarden ziet men overal loopen. Hun kleeding is onberispelijk en vormt een sterke tegenstelling met het armoedig aanzien van de monniken der andere kloosters. Zij treden echter zeer eenvoudig op, spreken graag met het volk, dat groote achting voor hen schijnt te koesteren en hen met den diepsten eerbied behandelt.

In de eenige straat van de stad wordt op het oogenblik een groote vischmarkt gehouden. Er waren hoopen kolossale karpers onder zware blokken ijs, karpers, die de Donau bij het hooge water van de laatste dagen in haar zijtakken heeft opgestuwd en die toen spoedig in de netten van de visschers zijn geraakt. Die visschen, waarvan het gemiddeld gewicht tien à twintig kilo bedraagt, worden in groote mooten verkocht. Men betaalt 30 centimes per kilo.

Wij moeten nog een tocht maken, voor we te Boekarest komen, namelijk naar Kampolung. Gewoonlijk gaan de reizigers daarheen per spoor over Pitesci en Golesci; maar wij geven de voorkeur aan den rijweg, die afwisselend en eigenaardig moet zijn.

Om half acht ’s morgens zijn we voor de expeditie gereed. Nauwelijks zijn we een uur onderweg, of wij ondervinden een reeks van teleurstellingen. De rivieren, door de laatste regens verbazend gezwollen, zijn niet over te trekken, omdat een paar bruggen zijn weggeslagen, en wij moeten een lastigen omweg maken en toch nog per rijtuig door de bedding van een stroom gaan, waar het water zoo hevig bruist, dat wij kans loopen meegesleurd te worden. Rondom ons is niets dan een zeer armoedige streek, de hoeven en hutten en kapelletjes zijn in den treurigsten staat van verval, en men vraagt zich af, of de een of andere ramp dit stukje aarde geteisterd heeft, waar niets overeind staat en alles aan vernieling schijnt prijs gegeven. Buiten een paar visschers, die naar de rivier zijn afgedaald en groote netten vasthouden, zien wij geen enkelen bewoner. Eerst bij Domnesci begint er weer leven in de omgeving te komen.

Dat is intusschen slechts een arm dorpje, doch bij gelegenheid van den Zondag zijn allen er op hun mooist uitgedost. Zoodra wij onze photografietoestellen voor den dag halen, gaan ze op de vriendelijkste manier om ons heen staan. Wij hebben slechts een wenk te geven, en de brave menschen plaatsen zich in een groepje, blij voor ons te mogen poseeren. Er zijn zelfs enkele jongelui, voor wie het objectief zooveel aantrekkelijks heeft, dat ze ons op den voet volgen, zoodat wij genoodzaakt zijn listen te gebruiken, ten einde hen niet op al onze cliché’s terug te vinden. De dorpskerk, sierlijk overschaduwd door een groep groote boomen, staat op een plein, waartoe een poort van eigenaardigen stijl toegang geeft. Ofschoon die poort bij een ellendig dorpje, verloren in de bergen, behoort, is zij versierd met bekoorlijke engelen-figuurtjes en beelden van heiligen met opschriften en bloemslingers, werkelijk van kunstzin getuigend. Ze zijn afkomstig van rondtrekkende kunstenaars, die, door dezelfde figuren herhaaldelijk te maken, er groote geoefendheid in kregen.

De pope van het dorp stak den weg over en kwam juist bij zijn huis met een brood onder den arm. Hij zag er zeer armoedig uit in zijn verkleurd geestelijk gewaad en met zijn hooge, bruine muts, zoodat wij instinctief onze camera op hem richtten. Maar ’t was of een beschroomde eerbied ons weerhield tegenover die waardige en fiere armoê, die zich voor onze blikken scheen te willen verbergen. Die dorpsgeestelijken zijn brave, waardige menschen, niet geleerd, meestal bemind bij hun medeburgers, wier droevig lot zij deelen, maar op wie zij gewoonlijk weinig invloed hebben.

Als men de hellingen van het dal van Domnesci bestijgt, bespeurt men bijna op den top van een berg de schitterende koepels van een dorpskerk. Dat is de kerk van Slanic, een net en sierlijk dorpje, dat sterk afsteekt tegen de armoedige en weinig bevolkte streek, die wij pas zijn doorgereden. Dit heele dorpje is een beeld van welvaart en opgewektheid. Groote boerderijen bestaan uit veel gebouwen met flinke binnenpleinen, waar alles goed is onderhouden. Mooie jonge meisjes loopen af en aan, in huishoudelijke drukte, te midden van kippen, eenden en kalkoenen, op ’t oogenblik de eenige aanwezige dieren. Gedurende den geheelen zomer is het groote vee afwezig; het graast in vrijheid op de bergen, ’s Avonds wordt het binnen omheiningen opgeborgen zonder eenige beschutting tegen het weder.

Zoodra wij Slanic achter ons hebben gelaten, begint weer de eenzaamheid. Herders met hun kudden en troepjes arbeiders, die onder boomen liggen te rusten van den zwaren veldarbeid, zijn de eenige levende wezens, die wij onderweg ontmoeten op het laatste traject, dat ons nog van Kampolung scheidt. De weg loopt door een reeks van poëtische dalen op de Karpathenhellingen, en in de verte zien wij de koeien grazen in de schaduw van forsche berken. Links altijd de wazige en blauwe keten der Transsylvanische Alpen. Maar nergens huizen of hutten, en rondom doodelijke stilte. Eindelijk, tegen vier uur in den namiddag, rijden wij Kampolung binnen.

Dat is een aardige plaats, al belangrijk ten tijde van Radu Negru, den stichter van het vorstendom Walachije. Er bestaan nog slechts enkele sporen van het oude vorstelijk paleis, maar het groote klooster, dat hij aan den ingang van de stad liet bouwen, bestaat nog, al heeft het groote veranderingen ondergaan. Een 40 M. hooge en 6 M. breede romaansche toren geeft toegang tot het binnenplein van het klooster. Die imposante toren, welks stijl den invloed van de Longobarden in de herinnering roept, heeft [136] veel karakter. Het is dan ook een der oudste en beroemdste monumenten in Roemenië. De stad is zoo zindelijk, ligt zoo mooi, en de lucht is er zoo opmerkelijk zuiver, dat jaar op jaar veel burgers uit de groote steden er den zomer komen slijten.

Van de hoogten rondom het plaatsje heeft men een prachtig bergpanorama voor oogen. Wij zijn hier zeer dicht bij de Karpathen, en de dalen, die daarvan uitgaan, zijn evenveel aanleidingen voor afwisselende uitstapjes. Het stadje, hoewel niet groot, heeft toch zijn Zigeunerwijk, een heele straat, niet ver van het klooster. Wat dat een zonderlinge straat is, vooral tegen den avond, als alle woningen wijd openstaan en de roode schijnsels van hun smidsvuren naar buiten werpen, waar schoone vrouwen in lompen, maar met prachtige zwarte oogen in het bleeke gelaat en engelachtige halfnaakte babies voor heen en weer loopen. Groote, magere mannen met gebronsd gelaat slaan in de helle verlichting van de vuren het ijzer; anderen bewegen de blaasbalgen. Dit is de werktijd van die paria’s, want hun zware arbeid is niet doenlijk tijdens de hitte van den dag, en eerst tegen het vallen van den avond wordt het levendig in die wijk.

Het uitstapje naar den pas van Dimbo-viciora is de verplichte aanvulling van elk verblijf te Kampolung. Die kloof is een der beroemdste en meest bezochte van dit deel der Karpathen.

Het koninklijk paleis, kasteel Pelesch, te Sinaïa.

Het koninklijk paleis, kasteel Pelesch, te Sinaïa.

Van Kampolung af is het een aanhoudende reeks van prachtige uitzichten, vreemde horizons, waar de bergketenen achter elkander schuiven tot in de verste verte. In het dorp Rocaru rijden wij over de Dimbovitza, die wij naast ons zullen houden op den weg tot aan de grot van Dimbo-viciora. De witte rots, die opstijgt uit de bedding en geheel met groen begroeid is, vormt een aardige omlijsting van dit mooie riviertje met kristalhelder water.

Dan naderen wij snel den hoogen, verweerden muur, die ons al eenigen tijd het uitzicht beneemt en waarin wij den ingang moeten zoeken van de beroemde kloof. Pas zijn wij er binnen getreden, of een wondermooi schouwspel treft ons oog. Torens en spitsen en ruïnen van schoone, lichtrose tint staan om ons heen in de engte der spleet en boven ons hoofd hangen slingers van groen langs de steile wanden.

Bij den uitgang der kloof wordt het landschap rustiger; wij zien er weiden en enkele houten hutten. Bij een dier laatste houden wij stil, en een jonge knaap geleidt ons naar de grot van Dimbo-viciora, weer door een doolhof van rotsen. De opening van de grot ligt in een woeste omgeving, maar de geestdriftige beschrijvingen, die men ervan leest, zijn overdreven en wij vinden haar nauwelijks een bezoek waard. Een paar bergbewoners met dunne kaarsen bieden aan, mee te gaan; men verwacht iets fantastisch en ziet niets dan een hol van 15 à 20 M. diepte, met enkele stalactieten en geelwitte stalagmieten.

Na dit uitstapje, waarvan enkele gedeelten aan de Bastei in Saksisch Zwitserland herinneren, bezoeken wij een klein bescheiden nonnenklooster, de abdij van Namaesci, dat door deze bijzonderheid gekenmerkt wordt dat de kerk geheel is uitgehouwen uit een monolieth. Alleen de toren en een klein voorportaal zijn metselwerk. Al het inwendige is in de rots uitgehouwen, waar men overheen kan loopen en waar men een prachtig panorama vóór zich ziet. Wij zeggen Kampolung vaarwel. Een zijlijn van den spoorweg voert ons naar Golesci, waar wij de groote lijn naar Boekarest terugvinden. [137]

Het inwendige van een zoutmijn te Slanic.

Het inwendige van een zoutmijn te Slanic.

III.

Boekarest, aanzien van de stad.—De zoutmijnen van Slanic.—De petroleumbronnen van Doftana.—Sinaïa, wandeling in het bosch.—Busteni in het kroondomein.

De entrée in Boekarest is voor den vreemdeling een teleurstelling. Van het station zich begevend naar het midden der stad, gaat men door straten, die tot de primitiefste dorpen konden behooren, straten, waar instortende huizen en schunnige winkels aan gelegen zijn en waar de trottoirs onder hoopen vruchten en groenten verborgen zijn. Maar spoedig wordt die indruk weggevaagd. Op die onfrissche voorsteden volgen prachtige straten, waaraan weelderige gebouwen staan, niet onderdoend voor die der grootste europeesche steden.

De Roemeniërs zijn zeer trotsch op hun hoofdstad en roemen graag het comfort, dat men er geniet. Zij vergelijken met een zekeren nationalen trots hun bewonderenswaardig geplaveide straten en hun openbare pleinen met de afschuwelijke straten van Belgrado, waar men na een kwartiertje rijdens in al zijn leden pijn gevoelt. Ze noemen Boekarest dan ook graag het Parijs van het Oosten. Reeds in 1864 zei de heer de Blowitz, toen hij terugkeerde van een oostersche reis: “Ik geloof niet, dat er in de wereld een tweede stad bestaat, die even trouw als Boekarest het land, waarvan zij de hoofdstad is, weerspiegelt.... Boekarest levert thans een levend en merkwaardig beeld van Roemenië. De stad wikkelt zich los uit den chaos van gisteren en haakt naar den luister van morgen. De lompen nemen de kleur van het purper aan; de eerzucht wordt grooter en grooter; dit is de nieuwgeboren hoofdstad van een nieuwgeboren koninkrijk.”

Met niet minder recht zei Carmen Sylva, de koningin van Roemenië, in 1892: “Het oostersche en schilderachtige Boekarest, het Boekarest met kleine, in het groen verscholen huisjes, waar men zei “het huis van den heer Zus of van mevrouw Zoo”, terwijl men de menschen bij hun voornamen noemde, dat Boekarest verdwijnt, om plaats te maken voor een stad als alle andere. Het heeft nog alleen een oostersch karakter voor hen, die pas uit het Westen komen. Zij, die uit Azië naderen, gaan met een zucht van voldoening de Donau over en zeggen: “Gelukkig, nu zijn we in Europa!”

Ons schijnt Boekarest nog heden den hoogmoed en de eerzucht te bezitten van den pas onlangs vrijverklaarde, die door gloednieuwe weelde zijn pas overwonnen staat van dienstbaarheid wil doen vergeten. Vandaar die treffende tegenstellingen, die men telkens in de stad ontmoet, hier lage huizen, echte zwerverskrotten, waar halfnaakte menschen uit te voorschijn komen; daar prachtige paleizen als het Spaarbankgebouw [138] en ’t Postkantoor, rijk versierde café’s, waar de voorname roemeensche wereld samenkomt. Aan den eenen kant winkels van oud roest als in de Leipziger straat, waar de kooplui hun schatten zoo maar op straat uitspreiden, en aan den anderen weelderige magazijnen van den modernsten smaak, die met de mooiste winkels van Parijs kunnen wedijveren.

De verschillende klassen van de maatschappij vertoonen dezelfde tegenstellingen. Hier de lagere volksklasse, die zich nog niet heeft kunnen vrijmaken van de vreesachtige, beschroomde manieren uit den tijd der eindelooze slavernij; daar de klasse der rijken, die, plotseling op den trap der moderne beschaving gekomen, de zeden en de letterkunde uit het buitenland tracht na te doen en daardoor alle eigen karakter mist. Zoodra men de binnenstad betreedt, krijgt men dien indruk van plagiaat van Parijs. Het ideaal is hier Parijs, dat gecopiëerd is in zijn bouwwerken, zijn winkels, de manieren zijner bewoners. Maar al zijn dan de mooiste openbare gebouwen in parijschen stijl gebouwd, de particuliere huizen zijn niet altijd in den zuiversten stijl opgetrokken. De enkele fortuinen zijn niet bijzonder groot, en toch wil ieder graag met iets monumentaals voor den dag komen. Vandaar die oude gebouwen, geheel met een nieuwe pleisterlaag bedekt, die bij de eerste vorstige winterdagen loslaat en voortdurend herstelling behoeft.

Door zijn ligging midden in een groote, aan alle zijden open vlakte heeft Boekarest alle ongemakken te verduren van een klimaat als het siberische. De winter is er zoo lang en zoo streng, dat men er drie maanden alleen per slede het verkeer onderhoudt. In den zomer stijgt de thermometer soms tot 40° C. en de uitersten van temperatuur kunnen soms wel 70 graden verschillen. Mooie boomen zijn er dan ook zeldzaam; die uit het Noorden verdragen de brandende hitte van den zomer niet, en die uit het Zuiden en Oosten bezwijken door de strenge koude van den winter.

De huurrijtuigen, die zeer talrijk zijn en licht en gemakkelijk rijden, worden door twee vlugge, russische of moldavische paardjes getrokken; de koetsiers dragen lange fluweelen jassen met gekleurde gordels om het middel en een platte pet op het hoofd.

Boekarest heeft slechts 250.000 inwoners, en toch is de oppervlakte der stad gelijk aan die van Weenen, 30 K.M2. Als men dan ook van de eene of andere hoogte in de buurt op de stad neerziet, treft het groote aantal tuinen en ledige terreinen, dat zich tusschen de huizen en de straten bevindt. Gebouwen en openbare pleinen nemen slechts een vierde van de ruimte in. Aan den buitenkant der stad liggen armoedige voorsteden; de eigenlijke stad ligt het dichtst bij de Dimbovitza. Op den linkeroever heeft men de ministeries, de paleizen en de handelswijk; op den rechteroever de kerken en de inrichtingen van weldadigheid.

Wij beginnen ons bezoek aan de stad met een van haar oudste kerken, de Metropool, in neo-byzantijnschen stijl en dagteekenend van 1656. Zij ligt op een heuvel op den rechteroever en men heeft er een prachtig uitzicht over een deel der stad. De gebouwen van het oude klooster staan er nog omheen; ze zijn echter gewijzigd en verbouwd, die van links zijn nu de residentie van den metropolitaan, die van rechts het gebouw der volksvertegenwoordiging.

Aan den voet van den heuvel op den voorgrond van het panorama, dat zich vóór ons ontrolt, ligt te midden van bloeiende tuinen de kerk van Domna Balasa, de mooiste en weelderigste der kerken van Boekarest. Die kerk, welke na de kerk van Curtea de Arges voor de merkwaardigste uit Roemenië doorgaat, is een meesterstuk van neo-byzantijnschen stijl.

Domna Balasa is omringd door hospitalen, evenals de kerk gesticht door de dochter van Constantijn Brancovan, den voorlaatsten inlandschen woiwode van Walachije.

Het aantal hospitalen is zeer groot in Boekarest, en ten allen tijde hebben rijke particulieren hun fortuin bij hun dood bestemd voor het onderhoud van die liefdadigheidsinrichtingen, die de glorie van Roemenië zijn. Hun noodzakelijkheid is vooral een uitvloeisel van de aanraking, waarin Roemenië komt met de havens uit het Oosten, van waar zooveel epidemische ziekten worden ingevoerd.

Dichtbij Domna Balasa staat de kerk van Spiritoe Noe, belangrijk om haar groote afmetingen. Dat gebouw, dat van 1858 dagteekent, heeft een oude basiliek vervangen, waar de Fanarvorsten zich lieten kronen bij hun terugkeer uit Konstantinopel.

Buiten die weinige kerkelijke gebouwen biedt de rechteroever van de Dimbovitza niet veel belangrijks aan; om een goede voorstelling van het moderne Boekarest te krijgen, moet men zich naar den hoofdader der stad begeven, de Calea Victoriei, die dien naam kreeg na de russisch-roemeensche zegepraal over Turkije in 1877–78.

Hier concentreert zich alle leven, en in deze eindelooze straat ziet men achtereenvolgens het paleis van den koning, het bisschoppelijk paleis, het Athenaeum, den schouwburg, de ministeries, de gezantschapsgebouwen. De mooiste winkels liggen aan de Calea, en vóór de voornaamste hôtels zitten aan tafeltjes langs de trottoirs de heeren en dames, die ijs en likeuren van de beste qualiteit en de grootste verscheidenheid genieten. Heel aan het einde van de Calea Victoriei begint de beroemde straatweg naar Kisselef.

Die weg, om zoo te zeggen het Bois de Boulogne van Boekarest, is de meest gewilde promenade, en de mondaine wereld is bijna verplicht, er zich te vertoonen. Elken dag in den winter, als de sneeuw dik ligt op den grond, en in de lente, die met snellen overgang op den strengen winter volgt, is er in de breede lanen van twee à vier uren lengte, een ongehoorde weelde te zien van sleden en rijtuigen. In den zomer zijn de wegen geheel verlaten, en de rechte, eenzame lanen zonder schaduw, waar de zon brandt door de magere, krachtelooze boomen brengt den reiziger niet in verrukking.

Bij ’t begin van den weg staat het paleis van den oud-minister Stoerdza, hoofd der liberale partij. Dit kolossale paleis, hoewel wat overladen versierd, is [139] toch een zeer indrukwekkend gebouw. Het staat tegenover den boulevard Coltei, nog onlangs aangelegd, en men ziet er een reeks van nieuwe hôtels, alle wit en van origineelen bouwtrant. De meeste zijn het eigendom van rijke particulieren; maar net als de weg is ook die boulevard verlaten, en de bezitters van die vriendelijke paleizen zijn verspreid over de in Roemenië meest gezochte lustverblijven.

Maar al die nieuwe wijken, hoe verlokkend zij er ook mogen uitzien, hebben niets, wat aan een eigen verleden herinnert, en men moet het wel betreuren, dat de Roemeniërs in hun eerzuchtig streven om Boekarest op één hoogte te brengen met de groote, westersche steden, een ware woede van afbreken aan den dag hebben gelegd, zoodat bijna ieder spoor van vroegere tijden verdwenen is. Wat de oorlogen hebben gespaard, vernielen de menschen steeds nog in hun zucht om hun hoofdstad op te tooien.

Toch is er een juweel van een klein kerkje over, dat trots zijn vervallen voorkomen nog voor den griekschen eeredienst gebruikt wordt; dat is de Straviopolis. Dat gebouw, tweehonderd jaar oud, is opgetrokken in een byzantijnschen bastaardstijl, met een merkwaardigen arabischen voorhof, waarin men drielobbige boogvensters ziet, die aan den moorschen stijl ontleend zijn. Motieven, ontleend aan den arabischen stijl, komen trouwens zeer veelvuldig in Roemenië voor en vormen een der karakteristieke trekken van de roemeensche bouwkunst.

Laat ons het tochtje door de stad besluiten met een bezoek aan de Universiteit, die, buiten de lokalen voor de faculteit der theologie, der medicijnen enz. een groote zaal bevat, bestemd voor de vergaderingen van den roemeenschen Senaat, en dan verschillende musea. In het Oudheidkundig Museum vinden wij de prachtige oude fresco’s uit de kloosters, kostbare handschriften en geborduurde tapijten. De parel van dit museum is de schat van Petrossa, anders gezegd die der Gothen. Die kostbare verzameling bestaat uit tien stukken van massief goud uit de elfde eeuw onzer jaartelling. Zij werd in 1837 ontdekt door werklieden, die haar voor lagen prijs aan voorbijtrekkende Zigeuners verkochten. Die laatsten onderzochten den aard van het metaal door met de bijl verscheiden van de voorwerpen stuk te slaan, o.a. een prachtigen schotel met reliëffiguren, nu nog in ’t museum aanwezig. Onder de stukken, die aan de vernieling ontkwamen, moet genoemd een diadeem, versierd met groote granaten, een beker, met edelgesteenten opgelegd, een massieve ring en een groote lampetkan. De ontdekking van den schat was een belangrijke archaeologische vondst.

Men kan Boekarest niet verlaten, zonder Cotroceni te bezoeken, het eerste paleis van den koning van Roemenië, nu nog residentie van den erfprins Ferdinand van Hohenzollern. Het paleis, omringd door tuinen, ligt een eindje buiten de stad op een boschrijken heuvel.

Het is een oud klooster, in 1679 gesticht door een lid van het grieksche geslacht Cantacuzenos, en ofschoon het huis verbouwd en zeer verfraaid is, heeft het zijn kloosterachtig aanzien behouden; het ziet er nog koud en streng en somber uit. Men treedt er binnen door een groote gewelfde poort, die naar een eerste plein leidt, waar de cellen en kloostervertrekken in bediendenkamers zijn veranderd. Midden op een tweede plein staat de kerk, waarachter het paleis als verborgen is met zijn majolica-versiering van bloemslingers en figuren.

Het inwendige, dat wij tot in détails mochten bezien, is zeer rijk en smaakvol ingericht met alle moderne weelde en comfort. De groote hal vertoont de jachttrofeeën van den vorst, beren, wilde zwijnen, arenden, korhoenders. In de studeerkamer ziet men veel zeekaarten, doorsneden en plannen van schepen, aanwijzingen van den smaak en de bij voorkeur gevolgde studie van den erfgenaam der kroon. Op de eerste verdieping zijn de huiselijke vertrekken, boudoirs en salons, leerkamers der jeugdige prinsen, hun speelkamer met allerlei kostbaar speelgoed. Dat alles is aardig en vriendelijk en vormt een groote tegenstelling met het strenge aanzien van den gevel.

Tusschen Boekarest en Sinaïa ligt Slanic, waar men een der belangrijkste zoutmijnen van Roemenië vindt. Een zijlijn van den spoorweg, op de hoofdlijn geënt, voert er ons rechtstreeks heen.

De lagen steenzout strekken zich in onafgebroken lagen, maar op verschillende hoogten uit langs de geheele moldavische en walachijsche hellingen der Karpathen. Zoo ziet men te Rimnik Sarat in Moldavië een berg van zout in de zon schitteren; in andere streken liggen de zoutlagen op den grond; maar in de meeste gevallen moet men tot tien, twintig, zelfs dertig meter diep graven. Sommige lagen zijn niet dikker dan twee à drie meter; doch de meeste zijn veel dikker.

Het roemeensche zout vormt een der groote rijkdommen van het land, en het zou eeuwen lang in de behoeften van heel Europa kunnen voorzien. Over het algemeen is het zeer wit en doorschijnend, maar de qualiteit is niet overal dezelfde, en men vindt in de beste zoutgroeven aders met zwartblauwe strepen erin. Die strepen wijzen op de aanwezigheid van leem, en het zout uit die groeven is niet voor de consumptie bestemd; het wordt alleen voor den landbouw gebruikt. Soms ook treft men in enkele lagen petroleumhoudende gedeelten aan, die een karakteristieken geur bijzetten aan het zout, een geur, dien men zelfs terugvindt in het brood, waar dat zout in gebakken is.

Sedert 1862 heeft de staat de exploitatie van het steenzout aan zich getrokken; het is een monopolie geworden. Daar de productie in de laatste tijden te overvloedig was, heeft men het werk in de mijnen van Doftana laten rusten. Zij brachten jaarlijks 25000 ton op, maar het zout was blauwer en minder goed dan van Slanic. Dus zijn op ’t oogenblik alleen in exploitatie de groeven van Slanic, van Targul. Ocna en van Ocna-Mare.

De tegenwoordige diepte van de Slanicmijn is 100 M. Bij het dalen van den bak, waarin men wordt neergelaten, ziet men op 20 à 30 M. diepte een eerste galerij, en weldra komt men beneden in de groote zaal, die uitgehouwen is tot een prachtig gewelf van 60 M. hoogte. Men meent in een marmeren [140] kathedraal te zijn, waarvan de wanden schitteren in den bleeken schijn van groote electrische lampen. De muren gelijken verwonderlijk veel op ongepolijst marmer, en als om de illusie volkomen te maken, heeft men langs de enorme zijden der zalen gedeelten uitgespaard en laten vooruitspringen als zware vierkante zuilen.

Driehonderd arbeiders, alle in het wit gekleed, werken in die ruime zaal; enkele hebben alleen een broek aan, want de arbeid is zeer inspannend. Het zout wordt uitgegraven naar beneden uit den bodem, die daardoor steeds lager komt te liggen. Van den wand af tot het smalle paadje in het midden voor de passage van de wagentjes worden met het houweel evenwijdige groeven gemaakt op 60 cM. afstands van elkander, die 20 cM. breed en 50 cM. diep zijn. Daarna maakt men door middel van zware hefboomen, door twee of drie mannen bewogen, groote blokken los, die daarna in stukken van 25 à 50 K.G. worden verdeeld. In de zaal, die wij bezoeken, wordt het werk verricht door vrije mannen; maar in de afzonderlijke galerijen zijn dwangarbeiders bezig. Vóór 1848 mochten die ongelukkigen, als ze eenmaal in de mijn waren neergelaten, niet meer naar het daglicht terug, en zeer weinigen van hen hielden die barbaarsche behandeling meer dan drie of vier jaar uit. Tegenwoordig is hun leven dragelijk geworden, en dagelijks, in den winter na acht en in den zomer na twaalf uren werkens, keeren zij naar de gevangenis terug. Buitendien ontvangen ze een belooning van 60 à 80 bani per dag.

Vorstelijke woning te Sinaïa.

Vorstelijke woning te Sinaïa.

Het zout van Slanic heet het mooiste van Roemenië, en alleen deze groeven leveren dagelijks 300,000 KG. zout. Het wordt in tweeërlei vorm verkocht, òf in groote, vormlooze blokken òf gestampt en in zakken verpakt. Na Servië zijn Bulgarije en Rusland de voornaamste afzetgebieden.

Nauwelijks hebben wij Slanic achter ons gelaten, of we komen in het petroleumgebied. Aan alle stations staan tankwagens, die een akeligen stank verspreiden. Wij zijn in het district Prahova, dat den eersten rang inneemt onder de petroleumdistricten van het rijk.

Van Campina, waar wij stilhouden, gaan we per rijtuig naar Doftana, om de putten te bezoeken en de raffinaderijen. Als wij dicht bij het dorp komen, verkondigen zware buizen, die langs den weg liggen en een vettig, slijkig vocht uitzweeten, de nabijheid van het industriëele middelpunt aan. Wij moeten uitstappen bij de Doftana, die zoo laag is, dat er een massa rotsachtige eilandjes worden gevormd, waar het water snel tusschen doorstroomt. Een houten brug leidt over den stroom. Om die te bereiken, moeten wij vijf minuten lang loopen op den smallen rand van den muur, die langs de rivier loopt en het water in den tijd van hoogen waterstand tegenhoudt.

Maar ons rijtuig, dat natuurlijk dien acrobatenweg niet kan volgen, moet in de rivier rijden, er de doorwaadbare plaatsen zoeken en langs allerlei kronkelwegen den tegenoverliggenden oever bereiken. Hier zijn wij in het gebied der exploitatie. Rechts en links en aan alle kanten om ons heen wijzen hooge houten boortorens de putten aan, die in werking zijn. De grond is geheel doortrokken met petroleum; de lucht is verzadigd van den damp, en de boomen in de buurt zijn alle bladerloos. Evenals in den Kaukasus en in Amerika geschiedt het boren der putten door middel van den derrick. Men ziet slechts zelden in Roemenië bronnen, die onder den druk der ontwikkelde gassen de vloeistof hoog boven den grond doen opspuiten. Gewoonlijk heeft men hier te doen met onderaardsche verzamelbekkens of met leem- of leilagen, die de aardolie vasthouden bij wijze van een spons. In het laatste geval boort men op verscheiden plaatsen en de petroleum verzamelt zich door uitzweeting onder in een put, gegraven door een zuigpomp.

Boekarest: Boulevard Coltei.—De kerk Spiritoe Noe.—Het nieuwe gedeelte van den Boulevard Coltei.—De Metropolitaankerk.—De Universiteit.—Het paleis van den oud-minister Stoerdza.—Een oud klooster.

Boekarest: Boulevard Coltei.—De kerk Spiritoe Noe.—Het nieuwe gedeelte van den Boulevard Coltei.—De Metropolitaankerk.—De Universiteit.—Het paleis van den oud-minister Stoerdza.—Een oud klooster.

[142]

Maar onverschillig of men met een onderaardsch bekken heeft te doen, of dat de petroleum door filtratie samenvloeit in een kunstmatigen put, de wijze van aan het daglicht brengen is dezelfde. Men laat in de boorgaten, die vooraf van buizen voorzien zijn als bij de artesische putten in gebruik zijn, een cylinder van 4 à 5 M. lengte bij 15 à 20 cM. middellijn, voorzien van een klepje aan het ondereind. Die cylinder hangt aan een langen ketting, die om een as op den top van een boortoren is gewonden, neergelaten wordt en bevestigd aan een paal met tegenwicht. Met behulp daarvan kan één werkman het toestel bedienen; hij laat den cylinder in den put neer en brengt hem vervolgens weer naar boven. Dan opent een tweede werkman het klepje, en de olie stort zich in houten goten, die haar naar groote, ondiepe verzamelbekkens voeren.

De petroleum is bij ’t verlaten van den put een dikke vloeistof, die troebel en olieachtig is en bruin-rood van kleur met groenachtigen weerschijn.

Uit de réservoirs, waarin men de olie brengt als ze uit den grond komt, wordt ze door pijpen geleid naar de raffinaderijen in het dal. De natuurlijke helling van den grond zou niet voldoende zijn om de vloeistof, waarin zich allerlei vreemde stoffen bevinden, geregeld af te voeren; ze moet worden voortgestuwd door middel van speciale pompen, die soms verbazend krachtig werken.

In de raffinaderijen wordt de petroleum blootgesteld aan zeer hooge temperaturen, tot wel 270° C. Daarna heeft de destillatie plaats, waardoor naphta, gazoline enz. worden afgescheiden.

De diepte der boorgaten verschilt aanmerkelijk, want de petroleum is door het gansche gebied der Karpathen verdeeld op zeer ongelijke diepten. Tot in het midden der 19de eeuw boorde men meestal niet dieper dan 30 M. om de aardolie te verkrijgen, die eigenlijk niet anders dan als smeerolie werd gebezigd. Tegenwoordig boort men putten, welker diepte tusschen 130 en 400 M. afwisselt, en de productie, die al in 1900 tot 247000 ton was gestegen, is later nog sterk vermeerderd, vooral door de uitbreiding aan de exploitatie gegeven door de Steana Romana, de belangrijkste roemeensche maatschappij van petroleumexploitatie.

Maar de vorderingen zijn toch nog niet evenredig aan de belangrijkheid der petroleumbronnen; en de organisatiefouten in de exploiteerende maatschappijen, het uitblijven van behoorlijke dividenden houden de vreemde kapitalen op een afstand, terwijl ze toch zoo noodig zouden zijn voor Roemenië’s industriëelen vooruitgang.

De rit van Campina naar Sinaïa is een der mooiste, die zich laten denken. Een opeenvolging van prachtige landschappen gaat aan ons oog voorbij onder het gaan door het dal der Prahova. De rivier bespoelt roodachtige rotsen, beneden bedekt met magere weiden; hooger hangen bosschen van zilvergrijze wilgen in grillige schikking langs de bergen. De boerderijen zijn grooter, beter gebouwd, goed onderhouden, en de menschen zien er niet zoo slaafsch en vreesachtig uit als geslagen honden, zooals wij zooveel andere boeren hebben waargenomen.

Een belangrijke cementfabriek heeft een heel dorp van witte woningen om zich heen gegroepeerd, alle met roode daken. Zoo komt er welvaart in het dal, maar daarmee verdwijnt wel tevens de poëzie, als de mooie wegen vuil zullen geworden zijn en alles aangeslagen zal wezen door fabrieksrook.

Onder in het dal stroomt de Prahova, wier tallooze bochten en kronkelingen ten slotte doorloopen tot in de verre vlakten. Het water der rivier, verdeeld over een menigte dunne adertjes, schittert in de zon, en naast het stroompje liggen de beide glinsterende stalen lijnen van den spoorweg. Door woeste bergkloven en langs duistere afgronden komen wij in het woud, dat halverwege op den berg is gelegen en waar de weg doorheen leidt.

Daar, in het hart van het bosch, ligt aan den voet van een enorme rots van 2500 M. Sinaïa.

Sinaïa is een lustoord van nog jongen datum, dat zijn bloei te danken heeft aan het verblijf van den koning en de koningin van Roemenië, die een der sombere dalen van de Prahova uitkozen als zomerresidentie. Rondom hen schaarde zich al spoedig de aristocratie van het koninkrijk, ministers, afgevaardigden, gezanten, hofdignitarissen en hooge officieren. Tegenwoordig brengt al wat in Boekarest iets beteekent, den zomer te Sinaïa door.

Wij komen er langs een breede, heerlijke laan van prachtige villa’s; dan volgt een groote, magnifieke tuin vol bloemen en groote gazons, watervalletjes en velden voor allerlei spelen. De hôtels van Sinaïa liggen in dien tuin. Er zijn er niet genoeg, want ze zijn altijd overvol; het kost ons moeite logies te vinden.

In het hôtel Sinaïa biedt men ons een paar zolderkamertjes aan, en bij onze aarzeling om ze te aanvaarden, wijst men ons een paar kamers in een bijgebouw, waar een gezant zijn intrek heeft genomen. Hier nemen wij genoegen meê.

Het hôtel is goed, maar van een oostersche zindelijkheid, die voor ons niet het rechte is. Men heeft in de vertrekken geen bedden, maar divans, die ’s nachts in legersteden worden veranderd en over dag de gewone diensten bewijzen.

In het restaurant echter meent men te Parijs te zijn. Ieder spreekt Fransch; het menu is geheel fransch, ook in de bereiding; alleen het kleintje koffie na den eten is turksch; dat herinnert den gast, dat hij zich aan de poort van het Oosten bevindt.

De roemeensche wijnen zijn over ’t algemeen zacht en fijn. De witte wijnen van Dragashani en Cotnar zijn dadelijk bij ons in de gunst. Wij kunnen de roode wijnen minder prijzen, hoewel ze hier veel lof inoogsten en men tracht, ze in waarde gelijk te stellen met Bordeauxwijn. Ofschoon de Roemeniërs lofwaardige pogingen in het werk hebben gesteld voor het welzijn van hun wijngaarden, ofschoon ze zelfs uit Frankrijk veel wijnbouwers hebben laten overkomen, om de roode wijnen te bereiden, toch zal de roemeensche wijn nooit met den franschen kunnen wedijveren.

Te Sinaïa is het leven weelderig en duur; trouwens de rijke Roemeniër geeft graag geld uit, hij houdt van mooie kleeding en van pleizier; hij is een beschaafd man in elken zin des woords. [143]

De wereld in dit hôtel is een officiëele wereld. Het is het hôtel der gezanten en ministers. Er zijn hier roemeensche families, die op zeer grooten voet leven en geheel in de mondaine wereld op hun plaats zijn.

De groote namen, die men hoort, doen mij denken aan een eigenaardige bijzonderheid van den roemeenschen burgerlijken stand. Niet dat men de echtheid van hun hooge afkomst behoeft in twijfel te trekken; maar tot in den laatsten tijd bestond nog niet de erfelijkheid der familienamen. Gewoonlijk noemde men zich maar doodeenvoudig Jan, Filipszoon of Philepsco, zooals men in Servië Pavitsj zegt voor den zoon van Paul. Ieder kan naar believen bij zijn voornaam den naam van zijn buurman voegen, of zelfs dien van een vorst of een beroemd generaal en dien tot zijn eigen maken, ook voor zijn erfgenamen die hem wilden behouden. Zoodat die groote namen, die ons aan beroemde personen doen denken, niet het idee moeten wekken, dat we ons in de tegenwoordigheid bevinden van afstammelingen dier grootheden, doch alleen van afstammelingen hunner bewonderaars, die den beroemden naam hebben aangenomen.

Een verschrikkelijke storm met diluviaanschen regen heeft den geheelen nacht onze vensters geschud, en ’s morgens bij het opstaan zien wij de treurig slikkerige wegen gehuld in een niets goeds voorspellenden mist. Wat te doen in Sinaïa, als het regent? Er is geen kurzaal, noch casino, en in de hôtels, die te klein zijn voor het aantal reizigers, dat zich er ophoopt, vindt men slechts een klein lees- en biljartzaaltje. Ondanks den fijnen, aanhoudenden regen besluiten wij een exploratietocht te doen.

Bij het stijgen in de boschjes achter het hôtel komen we al spoedig aan het klooster. In 1695 gesticht door Michaël Cantacuzenos, bestaat het als alle kloosters van eenige beteekenis uit twee pleinen, waar rond omheen de woningen der monniken en de bijgebouwen van het klooster zich groepeeren. Midden op ieder van de beide pleinen staat een klein byzantijnsch kerkje. Een werd op dat oogenblik gerestaureerd, en dank zij der vrijgevigheid van den koning kan de restauratie zeer goed geschieden.

Lang diende het klooster in troebele tijden als schuilplaats voor de bewoners van het laagland, die in de bergen een toevlucht zochten, terwijl het tevens gastvrijheid bood aan reizigers.

Toen koning Karel en koningin Elizabeth, aangetrokken door de machtige bekoring en de vreemde poëzie van het woud te Sinaïa, voor de eerste maal er een deel van den zomer kwamen doorbrengen, namen zij hun intrek in een der bijgebouwen van het klooster.

Eerst na eenige jaarlijksche bezoeken besloten zij in een liefelijk dal achter het klooster een paleisje te bouwen, dat door den kunstzin en den goeden smaak der koningin een der juweeltjes van Roemenië werd. Weldra werd het voorbeeld gevolgd, en midden in het bosch verrezen aan alle kanten sierlijke villa’s en optrekjes. De regeering bouwde een paar hôtels voor reizigers, en het begin van Sinaïa was er.

Het koninklijk paleis, kasteel Pelesch, heet naar den berg waarop het ligt. Uit de verte gezien, treedt het naar voren uit een dicht dennebosch, dat de rooskleurige rotsen van het Bucegi-gebergte kroont. Het prachtige gebouw van steen en hout, waar gothische en byzantijnsche elementen in vereenigd zijn, is een harmonieus geheel, met sierlijke torentjes, mooie balcons en terrassen, een dichterdroom van de kunstenares Carmen Sylva. Inderdaad, wie Sinaïa noemt, roept dadelijk zich het beeld van de vorstin voor oogen, van haar, die dit lustoord in het leven riep. De koningin van Roemenië is, zooals ieder weet, een dier superieure vrouwen, die van kunst, poëzie en melancholie leven. Zij is graag in het woud, kent er alle paden, en om er naar hartelust te kunnen droomen, heeft zij zich een hoog verblijf laten inrichten, een huisje, hangend in de boomen hoog op den top van een der bergen, die Sinaïa omgeven. Het Nestje der Koningin, zoo noemt men hier die plek. Van daar overziet zij den gansenen omtrek.

Eenige jaren geleden zag men haar dikwijls met de dames van haar gevolg gekleed in de nationale kleederdracht, die zoo goed past bij haar hooge, majestueuse gestalte. Maar de poging, om het bekoorlijke costuum weer in eere te brengen onder de deftige dames, heeft niet het succes gehad, die de sierlijke witte, met byzantijnsch borduursel getooide dracht verdiende.

De roemeensche dames, minder dichterlijk van aanleg dan haar souvereine, worden bekoord door de parijsche modes, en men ziet heel zelden de nationale kleeding meer te Sinaïa. Eigenlijk treft men die alleen aan als historische merkwaardigheid en wel vooral op de markt, die des Zondagsmorgens gehouden wordt in de groote laan. Boerinnen spreiden er op het gras langs den weg en op de hekken der tuinen de mooie borduursels uit, doorschijnende sluiers, halsdoekjes en lijfjes met rijke patronen en andere fraaie toiletartikelen. Sinaïa is eigenlijk een wonderlijke badplaats! Men zou er dépendances verwachten van alle groote huizen te Boekarest en winkels, waar de elegante dames al haar luimen konden bevredigen, maar er is niets van dat alles.

Wij hebben het dorp Sinaïa bekeken. Het bestaat enkel uit een kronkelende, sterk hellende straat. Een gewone kruidenierswinkel is er, met een paar winkeltjes van visch en groenten. Te Sinaïa boven vindt ge een kapper, een photograaf en een paar banketbakkers; maar artikelen van dagelijksch gebruik kan men er niet krijgen.

Wat de bijzondere aantrekkelijkheid van de plaats uitmaakt, zijn de verrukkelijke wandelingen, die men in ’t oneindige variëeren kan in de dalen en op de hellingen der bergen. Bij het verlaten van den grooten weg is men dadelijk op goed onderhouden voetpaden, die tot in het diepste van het woud voeren, en hier begrijpt men de koninklijke gril van Carmen Sylva; men kan zich niets woesters en dichterlijkers en idealers denken. Dit is het maagdelijke woud in den besten zin. Boomen van zes meters in omtrek en vijftig meter hoog staan er in grooten getale. Meest zijn het dennen en beuken, die met hun groen de bergen tot groote hoogte bedekken.

De grond is geheel bedekt met heide en mos. Hier en daar blijven omgevallen stammen op den bodem [144] liggen, zooals de storm ze velde. De koning, tot wiens domeingoederen het bosch behoort, wil niet, dat iemand eraan raakt.

Elk voetpad leidt naar een mooi uitzicht. Het toeval voert ons naar de Promenade der H. Anna aan de grenzen van het woud. Boven ons hoofd op een kalen top van rood gesteente, die wel ontoegankelijk lijkt, staat een sierlijk paviljoentje, dat ons schijnt uit te tarten. Maar ’t is al laat, en het weêr is onzeker. Wij durven ons niet verder wagen.

Op regendagen is het stil en somber te Sinaïa; maar als de zon schijnt, hoort men overal muziek in de tuinen, militaire muziek en Zigeunerliederen, die de echo’s wekken van de donkere bergen.

Een der twee binnenplaatsen van het klooster te Sinaïa.

Een der twee binnenplaatsen van het klooster te Sinaïa.

Het kroondomein heeft overal een goeden invloed op de boerenbevolking. Door de vele scholen, die het bestuur der domeinen opricht, ook vak- en landbouwscholen, worden de boeren op de hoogte gebracht van een rationeele manier om den grond te bebouwen en gebruik te maken van machines en andere verbeteringen. Zij krijgen onderricht in de behandeling van het vee en van allerlei aanplantingen. Alle pogingen worden door de kroon in het werk gesteld voor de verheffing van den boerenstand.

In den loop zijner regeering heeft de koning veel wegen laten aanleggen, en hij heeft daarbij dikwijls een beroep gedaan op buitenlandsche ingenieurs, ook voor den aanleg van spoorwegen. Niets wordt verwaarloosd, wat den boer vooruit kan brengen en hem in staat stelt zijn woning gezonder en zijn leven rijker te maken. Maar de slavernij heeft diepe sporen nagelaten, en al zijn sommige streken, vooral die tusschen Predeal en Boekarest, krachtig ontwikkeld, aan de bergachtige randen van Roemenië is de bevolking nog niet veel verder gekomen, dan zij was onder de turksche heerschappij.

Kijkjes in een mooi werk over Chili

De Alameda de las Delicias te Santiago.

De Alameda de las Delicias te Santiago.

Aan de vrouwen van Chili draagt “met waardeering en bewondering van haar uitstekende hoedanigheden van geest en hart” de schrijfster, Marie Robinson Wright van Philadelphia, haar groot werk The Republic Chile op. Het rijk uitgemonsterde en keurig uitgegeven boek is tegelijk te Philadelphia en te Londen verschenen. Het geeft geen reisverhaal, maar behandelt in een reeks van aangenaam geschreven hoofdstukken Chili’s geschiedenis en zijn tegenwoordige regeering, zijn financiëelen toestand en zijn buitenlandschen handel, de hoofdstad Santiago en den heuvel Santa Lucia, de vloot, het leger, het maatschappelijk leven, kerken en liefdadigheid, de universiteit met bibliotheken en musea, het opvoedingssysteem en den stand van schilder- en van beeldhouwkunst. ’t Gewaagt van de drie zones, waarin Chili natuurkundig en dus ook uit het oogpunt van zijn flora en zijn fauna te verdeelen valt, van Valparaiso, Chili’s eerste handelsstad, en van het chileensch Trouville, ’t mooie Vina del Mar; van ’t leven op een hacienda, van de wijnproductie en de warme bronnen; van den rijkdom aan salpeter en de Lota-mijnen; van de opbrengst aan delfstoffen als goud, zilver, ijzer, koper en steenkool; van spoorwegen en stoombooten, landbouw en industrie, en ten slotte van die verre zuidelijke streken in de langgerekte republiek, Patagonië met Punta Arenas, Vuurland en het eenzame Juan Fernandez.

Wellicht zal het den nederlandschen lezer thans in ’t bijzonder interesseeren, nu onze minister van Waterstaat er vertoeft om het land van zijn bekwaamheid als ingenieur te doen profiteeren volgens een reeds vroeger aanvaarde verplichting.

Wij zullen hier en daar een greep doen uit de rijke stof, die door de schrijfster degelijk wordt beheerscht, hetgeen niet behoeft te verwonderen, daar zij vijf jaren aaneen in Zuid-Amerika heeft gereisd en groote tochten ondernam van den Boven-Amazonenstroom tot Vuurland en van den Atlantischen tot den Stillen Oceaan. Driemaal deed zij de spoorreis over de Andes-keten, en Chili trok haar van alle zuid-amerikaansche republieken het meest aan. Daar bracht zij twee jaren door en leerde er land en volk grondig kennen. Beide looft en prijst zij, en het is haar een genoegen, heldere denkbeelden over de interessante republiek en hare hulpmiddelen te mogen helpen verspreiden. [146]

“Het doet mij leed,” schrijft zij, “dat ik, bij de meer uitvoerige behandeling van Chili’s jongste geschiedenis, genoodzaakt ben geweest, de annalen van het roemrijke verleden kort samen te vatten. Daar toch vindt men in overvloed bewijzen van groote dapperheid en opofferende vaderlandsliefde. Dezelfde karakteristieke trekken, die het chileensche volk sterk hebben gemaakt in de verdediging zijner nationale rechten, hebben het ook de geestkracht en den ondernemingslust gegeven, die noodig zijn, om het in handel en industrie tot een flinke hoogte te brengen, en er is thans geen enkel land in Zuid-Amerika, waar de algemeene vooruitgang gestadiger en degelijker is geweest en waar men zijn betrekkingen tot buitenlandsche machten op beter en hechter grondvesten heeft kunnen bouwen. Wat intellectueele beschaving betreft, nemen de Chileenen een eereplaats in onder de meest vooruitstrevende volken, en hun geleerden, schilders en beeldhouwers hebben zich naam gemaakt in de hoogste kringen van Europa en Amerika.”

De vooruitzichten zijn bijzonder gunstig voor den vooruitgang van de republiek, want de twintigste eeuw ziet den handel meer dan ooit vroeger zijn aandacht wijden aan de havens van den Stillen Oceaan.

Aan Santiago valt daarbij een eereplaats ten deel, de mooie stad met haar witte kroon van de Andesketen. De stad ligt in prachtige, schilderachtige omgeving, als een koningin in een reuzenkasteel, haar door de natuur geschonken, waar de muren van het onvergankelijke graniet der Cordillera’s opgetrokken zijn, en torens tot den hemel reiken. Zij ligt open naar het Westen, als wachtte zij van daar de groote toekomst, die in dit land van belofte voor haar is weggelegd. En van de met sneeuw bedekte toppen achter haar, die scherp tegen den blauwen hemel afsteken, ligt zonder eenige begrenzing vóór haar de eindelooze Stille Oceaan, waar geen vreemde mogendheid de uitbreiding van Santiago’s handel kan beperken.

Het is onmogelijk, zich een liefelijker beeld te denken, dan dat, hetwelk Santiago aanbiedt bij zonsondergang, als de stad gehuld is in het purper en het goud, dat op de Andestoppen straalt en hen in warmen gloed zet. Er is iets, dat aan Rome herinnert in deze chileensche hoofdstad met haar mooien heuvel, die als een koepel van een kerk midden uit haar straten oprijst; maar terwijl de heuvel van het Quirinaal de macht en ’t aanzien van het koningschap belichaamt, is Santa Lucia, de tegenhanger in Chili, een symbool van den geest der vrijheid, heerschend in de Nieuwe Wereld. De paleizen van grooten en van souvereinen worden hier vervangen door de schouwburgen en villa’s van een vrij en onafhankelijk volk.

De Alameda is wel genoemd de Via Appia van dit westersch Rome. In de dagen, toen Chili nog een spaansche kolonie was, hielden de spaansche gouverneurs langs dien weg hun luisterrijken intocht. Later, in de opwindende dagen van den vrijheidsoorlog, hadden de overwinnende legers hier het eerst de welkomstgroeten in ontvangst te nemen, die hen later zoo overvloedig op de openbare pleinen der hoofdstad te beurt vielen. Langs dezen weg, die nu de mooiste straat der stad is, treedt ook tegenwoordig de bezoeker Santiago binnen in de schaduw van statige boomen, voorbij fonteinen en standbeelden en prachtige bloemen, bekoord door het fraaie uitzicht op den Santa Lucia met de trotsche toppen der Cordillera’s op den achtergrond.

Die Alameda de las Delicias is bijna drie mijlen lang en driehonderdvijftig voet breed en loopt door de stad van Santa Lucia naar het Centrale Spoorwegstation. Van een eenvoudigen straatweg naar de oude koloniale hoofdstad is het de voornaamste boulevard der moderne metropolis geworden, die zelve zich uit een plaatsje van weinig beteekenis tot een der meest bekoorlijke steden heeft ontwikkeld.

Gelegen in het dal der Mapocho, heeft de stad vroeger veel te lijden gehad van de overstroomingen der rivier, en eerst door de geheele kanalizatie van het rivierbed, die in 1891 werd voltooid, is de tegenwoordige toestand verkregen, waardoor men voor alle invloeden van storm en overstrooming veilig is.

Vóór den onafhankelijkheidsoorlog, waardoor op 18 September 1810 de republiek Chili werd geboren, was Santiago niet veel meer dan een spaansch dorp, bestaande uit huizen van één verdieping en met geen andere aantrekkelijkheid dan een paar pleinen en parken en de particuliere patio’s, bekend uit alle spaansche steden. De plaats breidde zich gaandeweg uit, maar altijd naar gewone, traditioneele begrippen, zonder de moderne verbeteringen der steden van den nieuweren tijd. De Alameda de las Delicias was gedurende twee eeuwen na de verovering een gewone weg, belangrijker wordend, naarmate de stad zich uitbreidde, maar toch geen drukke verkeersweg.

Daar zij was aangelegd in de oude bedding van een tak der Mapocho, werd de Almeda met haar moerassigen grond en oneffen bestrating eerder beschouwd als een gebrek dan als een sieraad van de hoofdstad. De mooiste straat in koloniale tijden en de populaire wandelweg was de Paseo de la Piramide, die langs den zuidelijken oever van de Mapocho liep en door treurwilgen werd ingesloten.

Eerst in de laatste helft der 19de eeuw had de verandering plaats, die de hoofdstad maakte tot de tegenwoordige moderne stad met haar welonderhouden parken en pleinen, mooie huizen en breede straten. Tijdens het bestuur van Don Benjamin Vicuna Mackenna werd de stad in 1872 geplaveid en kreeg een betere verlichting, de Alameda werd verbeterd en de Santa-Luciaheuvel werd van een onoogelijke hoogte midden in de stad tot een heerlijk park. Deze verbeteringen waren noodzakelijk geworden met den nieuwen stijl en de sierlijkheid der rijke woonhuizen en der openbare gebouwen van de stad. Het vroegere verouderde voorkomen maakte plaats voor de moderniteit van heden, en de toewijding der bewoners van Santiago aan hun stad bleek uit tal van particuliere bijdragen voor de verfraaiing. Zoo is het geliefde Cousino-park genoemd naar den schenker, den millionair Don Luis Cousino, die den grond aan de gemeente afstond.

Het groote fortuin van de Cousino’s werd een halve eeuw geleden gemaakt, toen de chileensche kapitalist de groote onderneming waagde van de exploitatie [147] der steenkolenmijnen in het Lotadistrict. Lota is nu het bloeiende middelpunt van een nijverheidsgebied en ligt dichtbij Coronel in de provincie Concepcion. De geheele bevolking van 15000 zielen is afhankelijk van de mijnmaatschappij, waarin de familie Cousino den toon aangeeft. Senor Don Matias Cousino kocht in 1852 den grond en begon terstond op energieke wijze de exploitatie.

Bij zijn dood, tien jaren later, ging de bezitting over in handen van zijn zoon Senor Don Luis Cousino, die in 1869 de maatschappij Esplotadora de Lota y Coronel stichtte en ’t grootste getal aandeelen zelf behield. Hij bracht de onderneming tot groote hoogte en veel andere giften aan de gemeenschap getuigen, met het Cousino-park in Santiago, van zijn mildheid. Zijn weduwe Senora Dona Isidora Goyenechea de Cousino kocht alle aandeelen op en werd eenige eigenares van de Lota-maatschappij. Zij was een tijdlang de rijkste vrouw ter wereld, toen haar vermogen op zeventig millioen dollars werd geschat. Eenige malen stak zij den oceaan over, om eenigen tijd in Europa te vertoeven, en in Parijs was zij als de door de fortuin meest begunstigde vrouw bekend, terwijl de Rue Lota naar haar werd genoemd. Met haar eigen schip deed Senora Cousino een reis naar het Oosten, bezocht de Sandwich-eilanden en werd overal als een koninklijke gast gehuldigd. Bij haar dood in 1898 werd de bezitting geërfd door haar zes kinderen, van wie vier, Don Alberto, Don Carlos, Dona Adriana en Dona Loreto, nog in leven zijn.

Het stadje Lota ligt op vijf mijlen afstands van Coronel, waarmee het door den Arauco-spoorweg is verbonden. Het is verdeeld in Lota Alta of de bovenstad en Lota Abajo, de benedenstad aan den voet van den heuvel. De bovenstad behoort aan de Compania Esplotadora de Lota, en men vindt er de kantoren der maatschappij met de woningen der beambten en werklieden, hun kerk en school en hospitaal. In een kleine dagreis per spoor bereikt men Santiago, waar de eigenaars der mijnen resideeren. Maar te Lota hebben zij ook een paleisje met een prachtig park, dat met de grootste zorg wordt onderhouden, in tegenstelling met het huis, dat na den dood van Senora Cousino onbewoond is gebleven.

Maar om op Santiago en de Alameda terug te komen, die rijweg is de bekoorlijkste van alle zuid-amerikaansche paseo’s. Men ziet er niet enkel weelde en mooie equipages, maar tevens is men er als in een museum, in Chili’s Ruhmeshalle, niet besloten binnen vier muren, maar in de open lucht tusschen boomen en bloemen, fonteinen en vijvers, waar de vogels zingen, en de kinderen spelen en waar de geschiedenis, verteld in brons en marmer, de menschen kan opwekken tot moed en vaderlandsliefde. Het edele voorbeeld van de vereeuwigde helden wordt er den jongen menschen voortdurend voor oogen gesteld. Niet alleen als werken van kunst wekken de standbeelden en de monumenten van de Alameda onze bewondering, maar ook als blijken van de nobele gevoelens der natie, die dit middel heeft te baat genomen, om haar dankbaarheid te toonen jegens de helden uit de bevrijdingsoorlogen.

Een trotsch monument herinnert aan den grooten generaal Don José San Martin, te paard voorgesteld met het vrijheidsvaandel in de rechterhand. Het werd onthuld op 5 April 1863, den verjaardag van Maipo. Die slag van 5 April 1818 in de vlakte van Maipo, eenige mijlen ten zuiden van de hoofdstad, was een schitterende overwinning van de republikeinen over het leger van de royalisten, tegen wie de jonge republiek zich telkens weer had te wapenen na haar onafhankelijkheidsverklaring.

Een ander ruiterstandbeeld is er verrezen voor den grootsten chileenschen generaal Bernardo O’Higgins, wiens dapperheid en vaderlandsliefde indrukwekkend gesymbolizeerd zijn in de bronzen figuur, die hem voorstelt, zooals hij Rancagua ontruimt met zijn dappere soldaten en, wijzend op Santiago, uitroept: “Wij geven noch vragen kwartier”. Het standbeeld staat op een voetstuk van wit marmer met basreliefs, die de belangrijkste gevechten weergeven, waarin generaal O’Higgins zich onderscheidde.

De vader van dezen generaal was Ambrosio O’Higgins, die in 1788 door den koning van Spanje tot gouverneur van Chili benoemd was. Hij zocht niet, als zijn voorgangers, onophoudelijk zijn voldoening in den strijd tegen de Araucaniërs, de oorspronkelijke bevolking, maar hij trachtte den vrede te bevestigen en het land tot bloei te brengen. Hij was Ier van geboorte, ging naar Spanje en vestigde zich als koopman in Peru. Hij verloor zijn vermogen, stelde zich in dienst des konings en ging naar Chili. Zijn eerlijkheid en zijn scherp verstand vestigden de aandacht op hem en in een voorspoedige carrière bracht hij het tot het ambt van gouverneur van Chili. De noordelijke provincies, die over ’t geheel verwaarloosd waren, bezocht hij in persoon, deed onderzoekingen in de woestijn van Atocama en keerde over Valparaiso naar Santiago terug.

Als gevolg van die reis kwamen er een groot aantal verbeteringen in den toestand der Indianen, die op het land of in de mijnen werkten, en zijn uitstekend bewind bleek ook uit de wijze, waarop hij tegenover de Araucaniërs handelde. Hij verbood, hen zonder noodzaak aan te vallen of te beleedigen, en ofschoon de troepen ten allen tijde op oorlog voorbereid moesten zijn, mocht geen poging worden verzuimd, om den vrede te handhaven. De uitslag bewees, hoe beleidvol zijn optreden was, want de Indianen, die zagen hoe de Spanjaarden op hun hoede waren, zorgden wel, dat ze geen aanval waagden, en in het veilige gevoel, dat hen geen gevaar dreigde, als zij zich rustig hielden, begonnen ze hun velden ijverig te bebouwen. Aan de openbare wegen liet gouverneur O’Higgins groote zorg besteden, en tegen de overstroomingen der Mapocho beveiligde hij de hoofdstad door doelmatig aangebrachte dammen.

In 1789 vaardigde hij een decreet uit, waarbij alle indiaansche slaven vrij werden verklaard, hoewel hij de landeigenaars daardoor tegen zich in het harnas joeg en zich den haat op den hals haalde van de eigenaars der mijnen, waarin slaven werkten. Het belastingstelsel onderging allerlei verbeteringen en altijd was hij in de weer, den weg te effenen voor handel, industrie en landbouw.

De hoogste positie, die de kroon in die dagen in Zuid-Amerika te vergeven had, viel hem als blijk [148] van de bijzondere tevredenheid des konings in 1795 ten deel, namelijk den post van onderkoning van Peru. Het volgend jaar reisde hij naar Lima, maar hij liet in zijn geliefd Chili zijn zoon Bernardo achter, die bestemd was, zulk een groote rol te spelen in de latere politiek van Chili. Hij toch werd een der helden uit den vrijheidsoorlog, een der stichters van de republiek.

Het paleis der familie Cousino te Lota.

Het paleis der familie Cousino te Lota.

Want door de grootere ontwikkeling in staatkundig en maatschappelijk opzicht, door het betere onderwijs vooral, begonnen de Chilenen het onrecht in te zien van sommige spaansche regeeringsmaatregelen en van het dwangstelsel, dat hen in allerlei richting hinderde in den vooruitgang. Bemoeilijking van den handel, overmatige invloed van de geestelijkheid, verbod van lectuur, gemis aan vrijheid van drukpers en van vereeniging en vergadering, dat alles werd meer en meer als een belemmering gevoeld, vooral na de ontroerende voorbeelden van den vrijheidsoorlog in Noord-Amerika en van de Fransche Revolutie. De begeerte, om meer te weten te komen van de buitenwereld, was een prikkel tot het koopen der verboden lectuur en gaf tevens een verklaring van de populariteit der tertulia’s of avondbijeenkomsten in de salons der personen, die in Europa hadden gereisd en op de hoogte waren der nieuwere vrijheidsbegrippen, en de boeken der bekende fransche schrijvers uit die dagen hadden meegenomen.

Tijdens de regeering van gouverneur Carrasco, van 1808 tot 1810, nam de zucht naar vrijheid een meer definitieven vorm aan; Napoleons verovering van Spanje en de gevangenneming van den spaanschen koning steunden den geest van vrijheid, en op 16 Juni 1810 moest gouverneur Carrasco afstand doen, vooral onder pressie van den cabildo of het stadsbestuur van Santiago.

Er werd een Administratieve Raad gekozen, die de regeeringsmacht zou in handen hebben tot een Nationaal Congres bijeengekomen zou zijn, om den regeeringsvorm vast te stellen. De openbare vergadering van 18 September 1810 besloot tot de instelling van de Junta Gubernativa, de eerste onafhankelijke regeering in Chili. Een dag van glorie was die geboortedag der republiek, de opwinding in de hoofdstad was buitengewoon groot en de straten waren vroolijk en luidruchtig, overstraald door de lichten der illuminatie, omgolfd door de tonen der muziek.

Enkele maanden later kwam het eerste Congres, de vergadering van afgevaardigden des volks bijeen. Onder de allereerst aangenomen wetten was er een tot volkomen afschaffing der slavernij. Tot eer van de jonge natie zij gezegd, dat nu zij zelve als volk haar vrijheid had gewonnen, zij ook begeerde, dat ieder individu op chileenschen grond de rechten van de vrijheid zou genieten. Van de republiek Chili kan evenals van Mexico worden gezegd, dat haar vrije vlag nooit boven slaven heeft gewapperd.

Toen kwam er echter, als zoo dikwijls in dergelijke omstandigheden, persoonlijke eerzucht in het spel, die dreigde, ’t goed begonnen werk te storen, en bij de twisten en oneenigheden tusschen de leiders van het burgerlijk bestuur moest men gedoogen, dat een spaansch leger uit Peru een inval deed, om het land voor Spanje te heroveren.

In Januari 1813 landden de spaansche troepen onder generaal Pareja te Ancud op het eiland Chiloë en spoedig daarna te Valdivia, Talcahuano en Concepcion. In die meer afgelegen provincies waren, als indertijd in de Vendée in Frankrijk, veel royalisten, die zich nu bij de spaansche troepen voegden en op de hoofdstad Santiago aantrokken.

Doch de voortgang van Pareja’s leger werd gestuit te Chillan door het patriottenleger onder generaal Carrera, die al spoedig als bevelhebber plaats maakte voor O’Higgins, wiens talenten de aandacht van de Junta hadden getrokken en die in den strijd veel steun vond bij kolonel Juan Mackenna. Er werd een wapenstilstand gesloten, dat men de legers zou kunnen reorganizeeren, en op 1 October 1814 werd de strijd hervat met het gevecht bij Rancagua, toen het spaansche leger, dat versterking uit Peru had gekregen, onder generaal Osorio tegen O’Higgins optrad met een vijfmaal zoo sterke macht als die der republiek.

Er volgde een noodlottige nederlaag na een tweedaagschen strijd en een heftige verdediging van Rancagua, waarna de spaansche generaal er zijn intocht hield en O’Higgins zijn beroemden terugtocht ondernam.

Het park te Lota.

Het park te Lota.

[149]

Weldra volgde de intocht der Spanjaarden in Santiago en drie jaren lang heerschten zij opnieuw over Chili.

Die jaren waren echter de voorbereiding voor nieuwen strijd, en de beide helden O’Higgins en generaal San Martin wachtten met andere naar Argentinië uitgewekenen den geschikten tijd af. In Januari 1817 begon de marsch over het Andesgebergte door den Uspallata-pas. Het was een lange en moeilijke tocht, maar de uitslag van het op 12 Februari bij Chacabuco geleverde gevecht beloonde de moeite. Daar werd opnieuw voor de vrijheid van Chili met schitterenden uitslag gestreden, en het daar gegeven voorbeeld werkte aanstekelijk in de andere zuid-amerikaansche koloniën van Spanje.

De Plaza de Armas te Santiago.

De Plaza de Armas te Santiago.

Nog eenmaal probeerde een spaansch leger de herovering. Generaal San Martin trok het tegemoet, en in de vlakte van Maipo, enkele mijlen ten zuiden van de hoofdstad, had op 5 April 1818 een beslissende slag plaats, die den royalisten alle verdere kansen ontnam.

O’Higgins was tot Opperdirecteur van den Regeeringsraad benoemd en leidde het bestuur in Chili tot 1823. Hij was met dictatoriale macht bekleed en velen verweten hem een te eigenmachtig optreden. De held van Chacabuco moest zijn gezag neerleggen en generaal Ramon Freire nam zijn plaats in. O’Higgins stierf een jaar later. Een praalgraf op het kerkhof van Santiago wijst de plaats aan, waar hij ligt begraven en, zooals wij reeds zagen, op de Alameda van Santiago staat zijn ruiterstandbeeld.

Het eigenlijk middelpunt der hoofdstad is de Plaza de la Independencia of de Plaza de Armas. Bloemen vormen het centrum van dat plein, waaromheen men fraaie gebouwen ziet als de kathedraal en het bisschoppelijk paleis, het postkantoor, ’t gemeentehuis, telegraaf kantoor e.a. Twee der zijden worden door winkels ingenomen, onder hun schilderachtige booggalerijen, de portales. ’s Avonds wandelt er de deftige chileensche wereld, zooals in andere spaansche landen ook de paseo of wandeling op de Plaza een dagelijksch verschijnsel is.

Een droevige gebeurtenis had op het plein plaats in 1863, toen een vreeselijke brand de Compania-kerk verwoestte, bij welke gelegenheid meer dan duizend menschen, voor het meerendeel vrouwen, omkwamen. De stad is meermalen door hevige branden geteisterd. Nog pas, op 27 Februari van dit jaar 1906, brandde de schouwburg van San Martin af, waarbij ook eenige dooden vielen te betreuren en honderden gekwetst werden.

Het nieuwe Congresgebouw, ook aan het plein, werd juist gebouwd, toen de brand der Compania-kerk voorviel; toen het in 1875 voltooid was, besloeg het mee de terreinen, die door den kerkbrand vrijgekomen waren. Het is een der fraaiste openbare gebouwen van Zuid-Amerika. Ook het Caso de Moneda, de Munt, maakt veel indruk, vooral door zijn grootte; het bevat ook de gouvernementszalen voor den ministerraad. De vele patio’s of binnenpleinen, tusschen de afzonderlijke gedeelten, verminderen de strenge somberheid van het zware monumentale gebouw.

Rondom Santiago zijn allerlei aardige plaatsjes gelegen, [150] die men per tram of trein of omnibus bereiken kan. Apoquindo is allerliefelijkst gelegen als in een nestje tusschen heuvels. San Bernardo is een schilderachtig stadje te midden van weiden en dicht genoeg bij de Cordillera’s, om ’t genot te hebben van den koelen bergwind. Ook Santiago, dat bijna twee duizend voet boven het niveau der zee ligt, kan zelfs midden in den zomer koel zijn, want de grootste bekoring van Santiago is niet gelegen in de mooie huizen en de statige openbare gebouwen, ook niet in de aangename omgeving, maar in de onvergelijkelijke atmosfeer. Zoowel de winters als de zomers hebben een prettige temperatuur, ondanks de dichte nabijheid van de Cordillera’s, die vele maanden van het jaar een zwaren mantel van sneeuw dragen en welker hoogste toppen onder eeuwige sneeuw verscholen liggen.

Als een gulden lint omboordt Chili een groot deel van de kust van Zuid-Amerika. Het is een verwonderlijk smal land, bijna drie duizend mijlen lang en minder dan gemiddeld honderd mijlen breed. Uit natuurkundig oogpunt biedt het de grootste verscheidenheid aan. In ’t Noorden de groote, woeste salpeterdistricten, in Midden Chili de prachtige, begroeide berghellingen met wijngaarden en heerlijke oofttuinen, zonnige korenvelden, en in het Zuiden de woeste fjorden aan de straat van Magellaens, met Vuurland en de verlaten eilandenwereld er omheen.

Ook het klimaat van Chili biedt groote verschillen aan, niet enkel doordien het zich over dertig breedtegraden uitstrekt, maar ook door den invloed van de winden der Cordillera’s en de zeestroomingen van den Grooten Oceaan. In het Noorden wisselt de temperatuur het geheele jaar door binnen een verschil van niet meer dan tien graden Celsius. Er valt bijna geen regen ten noorden van 27° Z.B., en in de woestijn bij Tarapaca is de laatste hevige regenval bijna honderd jaar geleden. Door zwaren dauw wordt echter de grond er nu en dan bevochtigd. De koude stroom van den Zuid-Pacifischen Oceaan oefent in den zomer een verkwikkenden invloed uit op de temperatuur, zoodat de hitte nooit buitengewoon groot is.

In Midden-Chili is het klimaat gematigd en heerlijk; men kan juist even de vier jaargetijden onderscheiden, maar groote verschillen merkt men niet. Het regent alleen een weinig in den winter, en sneeuw valt zelden elders dan op de bergen. Zoowel aan de kust als in het binnenland is het land zeer gezond.

In het Zuiden regent het in iedere maand en den grootsten tijd van het jaar is de lucht bewolkt. Vooral geldt dit voor de streek rondom Valdivia en Chiloe; in de Straat van Magellaens sneeuwt het veel in den winter, die van Mei tot Augustus duurt.

Door de geheele lengte van het land strekken zich twee bergketenen uit, het Andesgebergte en het Kustgebergte, met kortere transversale ketenen daartusschen, zoodat als men het groote centrale dal volgt, dat van het Noorden naar het Zuiden loopt, men dat in een aantal kortere dalen gesplitst vindt, terwijl dwarsdalen van de Andes af de zee bereiken. Het resultaat is een groote verscheidenheid van heuvels en dalen.

De Atacama-woestijn in het Noorden is, hoe woest en verlaten ook, niet zonder schilderachtigheid. De kale rotsen en de enkele afgelegen bosschen omgeven de roodbruine vlakte, en in de nauwe kloven en dalen, waar als-het-ware een lint van groen langs de rivieren ligt, treft de frischheid door de tegenstelling met de omringende dorheid.

Slechts twee belangrijke rivieren vindt men in de provincie Tarapaca: de Camarones en de Loa met hun zijtakken, en twee in de provincie Atacama de Huasco en de Copiapo. Het landschap in de bergstreken van Coquimbo is prachtig, en waar de rivieren de Coquimbo, de Limari en de Choapa vloeien, treft men boomgaarden en schoone boerenhofsteden aan. De vruchtbaarheid van deze provincie en de rijkdom aan mineralen maken haar tot een kostbare schatkamer voor de republiek. De valleien van de Huasco en de Elqui zijn beroemd om hun edele druiven, en een groot aantal wijngaarden bedekken er de berghellingen. De provincie Coquimbo heeft voor een deel den aard van het noordelijke gebied en voor een ander deel dien van Centraal Chili, daar zij zoowel minerale producten als landbouwvoortbrengselen oplevert. Het klimaat heeft er sommige eigenaardigheden van de regenlooze streken, ofschoon met eenige wijziging. Drie of vier dagen van regen nu en dan is het allermeeste, wat er valt, en een gansche week van regen is iets ongehoords. Verder naar het Zuiden, te beginnen in de provincie Aconcagua, zoo genoemd naar den hoogsten top der Andesketen, beroemd geworden door de beklimmingen van Sir Martin Conway, den heer Fitzgerald en den heer Rankin, wordt de groote middenvallei breeder en zet zich voort over de geheele lengte van Chili tot bij den Chiloë-archipel.

Sommige geologen meenen, dat de eilanden van den archipel van Patagonië een voortzetting zijn van het kustgebergte, en dat de zee, die ze scheidt van het vaste land, een ondergeloopen voortzetting is van het centrale dal. Dat dal is nergens schooner dan bij zijn begin. Het landschap is er boven alle beschrijving prachtig. In deze provincie ligt het schilderachtige dal Llai-Llai, of “hevige wind”, zooals de indiaansche naam luidt, besproeid door de rivier de Aconcagua, die langs den noordrand vloeit. Deze rivier, die op den berg van denzelfden naam ontspringt, stroomt door een groot deel der provincie. Het is een forsche stroom, snel vlietend door de hoogere Cordillera’s, waar hij bewonderd wordt door alle reizigers, die van Argentinië naar Chili reizen over den Uspallata-pas.

De plantengroei is weelderig in de middenvallei, waar veel aan wijnbouw wordt gedaan en waar men tallooze hacienda’s of landgoederen vindt. Sommige daarvan hebben een groote uitgestrektheid; er wordt aan veeteelt gedaan en men ziet er korenvelden en olijvengaarden, met prachtige lanen van populieren er omheen. Rivieren en meren geven hier afwisseling aan het landschap en zijn voor de vruchtbaarheid van den grond van de grootste beteekenis. Het tegenwoordige besproeiingsstelsel dateert al uit den spaanschen tijd, ja was reeds bij de Indianen in gebruik vóór de verovering. De waarde van een farm wordt berekend niet naar haar grootte, maar naar de hoeveelheid water, die voor irrigatie dienen kan. [151]

De rivier de Maipo besproeit de provincie Santiago en over haar geheele lengte verschaft zij water aan vele der beste landerijen en wijngaarden. De groote hacienda’s Puenta Alto, Santa Ines, Guindos, Buin en Hospital worden door deze rivier besproeid, die bij de kleine haven San Antonia de zee bereikt, even ten zuiden van Valparaiso. De Mapocho, een zijtak van de Maipo, stroomt door Santiago, en is door een aantal mooie bruggen overspannen.

De Elqui-vallei in Coquimbo.

De Elqui-vallei in Coquimbo.

Van de vrij groote meren in de Cordillera’s is het Zwarte Meer of de Laguna Negra het best bekend als de bron der Maipo en omdat het gezien kan worden door de reizigers, die den Cumbrapas overgaan. Andere meren zijn het Yeso-meer in de hoogere Cordillera’s, en het Aculeo-meer aan den voet der kustketen. Het laatste, zestien vierkante mijlen groot, wordt druk bezocht, om de goede vischgelegenheid, die het water aanbiedt, en om de rijke jachtterreinen in den omtrek.

Overal in die middenprovincies Santiago, O’Higgins, Colchagua, Curico, Talca, Maule, Linares en Nuble wordt het landschap verfraaid door heuvels, dikwijls met prachtige bosschen bedekt. Mooi is ook daar de rivier, de Maule, de eenige, die over een vrij groote lengte bevaarbaar is en den Stillen Oceaan bij de haven Constitucion bereikt. De streek, waardoor zij loopt, is een tuin gelijk, en in den zomer is over de geheele lengte van haar dal de oever bedekt met bloeiende boomen en struiken. De monding van de Maule is beroemd om de rotsen en klippen, die hooge zuilen en pilaren vormen, vreemd uitgesleten door de werking van de winden en getijden. De Piedras de las Ventana’s of Vensterrotsen vertoonen de grilligste vormen, en de Iglesia of Kathedraalrots, die op een mijl afstands van de overige staat, ziet er uit als een kerk. Dit verrukkelijk plekje, waar een ruime grot midden in de rots aan het schip der kerk doet denken, is een geliefd oord voor zomeruitstapjes, en men kan het gemakkelijk per spoor of stoomboot bereiken.

Behalve de rivier, de Maule, zijn er in deze buurt een aantal dergelijke stroomen, als de Rupel met haar onstuimigen zijtak, de Cachapoal, vloeiend door de streek der beroemde warme bronnen van Cauquenes; de Mataquito en de Itata, samenkomend dichtbij de badplaats Chillan. Geen land in Zuid-Amerika heeft beter gelegenheid voor verbinding der rivieren door kanalen. De overvloed aan waterkracht, die men met weinig moeite in gebruik zal kunnen stellen, belooft het land een groote toekomst wat zijn industrie betreft. Er worden reeds plannen gemaakt voor de exploitatie van de Laja-watervallen, den Niagara van Chili, zooals men wel zegt. De val is in de provincie Concepcion in een tak van de rivier de Bio Bio.

Die provincie Concepcion is de belangrijkste van Centraal Chili; zij heeft een uitgebreiden handel en verscheiden goede zeehavens. De grootste baaien van Chili, die van Talcahuano en van Arauco, behooren er toe. De grond wordt er voldoende besproeid door de Bio Bio en haar talrijke zijtakken. Ten noorden van het dal der rivier vindt men uitstekende wijnbergen en in het Zuiden der provincie Concepcion leveren de staatsbosschen goede inkomsten. De Bio Bio is bevaarbaar tot 150 mijlen van haar monding; zij komt uit een der bergmeren van het Andesgebergte en vloeit noordwestelijk, besproeit de provincies Malleco en Concepcion op haar weg naar den Stillen Oceaan, en bereikt dat einddoel bij de stad Concepcion. Daar is de rivier bijna twee mijlen breed.

De stroom is behalve om zijn schilderachtige dalen [152] en den weelderigen plantengroei langs zijn oevers ook bekend uit historisch oogpunt, namelijk als de scheidingslijn, die tijdens de verovering en in de koloniale periode de zuidgrens aangaf van de spaansche bezittingen in Chili en het begin van het territorium der Araucaniërs.

Laan van eucalyptussen op Santa-Ines.

Laan van eucalyptussen op Santa-Ines.

Aan de oevers der Bio werden groote gevechten geleverd tegen de Indianen, en haar naam is verbonden met gebeurtenissen uit de krijgsgeschiedenis vanaf den tijd, toen Pedro de Valdivia zijn dood vond in een gevecht met de Indianen in de 16de eeuw, totdat er, nog pas vijftig jaar geleden, een eind kwam aan den strijd tegen de Araucaniërs.

Van Conception af zuidwaarts houden de natuurlijke rijkdommen van het land op, zoo rijkelijk te vloeien, en de provincies Valdivia, Llanquihue en Chiloë vormen den overgang naar het leven aan de Magellaens-straat. De producten veranderen van aard, en in plaats van het zachte klimaat, dat weinig verandert in de vier jaargetijden, heerscht er een lagere gemiddelde temperatuur en worden de winters langer. Nog vindt men er goede graanvelden en rijke veestapels, terwijl de appelboomgaarden van Valdivia bewijzen, dat meer gehard fruit er uitstekend groeit.

De houtopbrengst is in deze zuidelijke provinciën overvloedig, en het landschap is bijzonder mooi, vooral door den rijkdom aan meren. Het Lajameer ligt tusschen twee hooge bergen en in de buurt van den vulkaan Antuco; het vormt de bron van de rivier de Laja met haar prachtigen waterval. Veel vulkanen verrijzen langs de zuidelijke deelen der westkust, ook werkzame, zooals die van Villa Rica. Jammer genoeg zijn de heldere dagen, waarop men de schoonheid van het landschap ten volle kan genieten, weinig in aantal.

Het eigenaardig kenmerk van de streek aan de straat van Magellaens zijn de archipels, de tallooze eilandengroepen die men er vindt en de hooge bergen. Op Vuurland en in een deel der kuststreken vindt men natuurlijk weiden, voor schapenteelt geschikt. Over ’t geheel vertoont het land overeenkomst met de Schotsche hooglanden. Lange reeksen van duinen strekken zich mijlen ver uit, omzoomd door de bosschen meer binnenwaarts, waarachter de hoogere bergen oprijzen. Zeer weinig stoombooten varen tegenwoordig langs de kust aan de binnenzij der eilandengroepen, als zij de reis doen langs het chileensche Patagonië; maar wie in de gelegenheid is geweest, dien tocht te maken, dien gaat hij nooit uit de herinnering. De fjorden van Noorwegen doen in menig opzicht in schoonheid onder voor het Smythkanaal.

Aan de oevers vindt men hier en daar sporen van indiaansche woningen, maar het aantal Indianen vermindert er van jaar tot jaar. De Indiaan uit deze streken draagt niet anders dan het vel van den guanaco of van den otter als kleeding, en hij staat gemakkelijk een kleedingstuk af in ruil van een mes of eenig wapen. Otters zijn er veel bij Vuurland en in de Magellaensstraat; de vellen vormen een hoofdbron van inkomsten voor de streek. Weinig vogels ziet men er; nog ’t meest den albatros en de rotsduif.

De Laja-waterval.

De Laja-waterval.

De flora en fauna zijn overigens in de drie deelen van Chili zeer verschillend. De woestijnen van het Noorden vertoonen weinig plantenleven; alleen in de oasen sieren prachtige bloemen het landschap. Het centrale gedeelte heeft een rijke flora; op de helling der Andesketen groeien fuchsia’s in grooten overvloed in het wild, zooals men ze in de bosschen van Midden-Chili overal vindt. Over ’t geheel is de dierenwereld niet sterk vertegenwoordigd; de opmerkelijkste vogel is wel de condor van het Andesgebergte, symbool van macht, en als zoodanig in ’t chileensche wapen opgenomen. [153]

Santiago in vogelvlucht.

Santiago in vogelvlucht.

Onder de groote handelssteden van Zuid-Amerika kan Chili bogen op ’t bezit van Valparaiso, de belangrijkste zeehaven aan de westkust. Van zee uit gezien, lijkt de stad een groot amphitheater; zij is gebouwd op de helling van een berg, die het smalle strand in een kring omgeeft. Diepe kloven verdeelen den berg in afzonderlijke heuvels of cerro’s, en hier en daar dringen de hoogten zoo dicht naar de zee, dat er bijna geen ruimte overblijft voor een landingsplaats. Men heeft daarom een groot, kunstmatig strand, een breed embankment aangelegd, waardoor de weg langs de baai verbreed wordt, en dat tevens bij ruw weêr de kracht der zware zeeën breekt.

Evenwijdig met het strand loopen de hoofdstraten in de lengte door de stad, talrijker, waar de cerro’s nog al wat ruimte laten, weinig in aantal, waar de heuvels dicht naar de zee dringen en nauwelijks plaats bieden voor de tram, die Valparaiso met zijn voorstad Vina del Mar verbindt. Kabelspoorwegen brengen de gemeenschap tot stand tusschen de benedenstad met de cerro’s, waar een groot deel der bevolking woont.

De naam Valparaiso beteekent Paradijsdal, hij moet echter uit een ver achter ons gelegen verleden afkomstig zijn, want eigenlijk past hij niet bij de drukke metropolis van thans, met haar haven vol schepen uit alle landen en haar straten, waar zich handelslui van elke nationaliteit verdringen. Toch is het een zeer liefelijke stad, zeer gezond en met de aangenaamste vormen van ’t maatschappelijk leven. De koele zeewind maakt het verblijf er ’t heele jaar door prettig.

De stormen, die in de baai woeden, kunnen soms groote schade in Valparaiso aanrichten en maken belangrijke havenwerken noodig, die voortdurend verbeterd en uitgebreid worden en waarvoor ons land zijn minister Kraus, den kundigen ingenieur, voor eenige maanden afstaat aan de chileensche regeering. Zijne Excellentie, die op den 3den Maart jl. ons land verliet, zal den President van advies dienen bij de gunning van de werken voor de haven, door hem in 1901 ontworpen. In 1890 had de heer Kraus de benoeming tot hoogleeraar aan de technische hoogeschool te Santiago aangenomen. Ook aan den bouw van een droogdok in de hoofdstad en aan den aanleg der havenwerken van Talcahuano had hij als ontwerper een groot aandeel.

In den zomer, dat is van Januari tot Maart wordt de zetel van het bestuur van Santiago naar Valparaiso overgebracht; de president en de ministers houden dan verblijf in Vina del Mar, terwijl hun officiëele hoofdkwartieren zich bevinden in de havenwijk van Valparaiso, waar men veel openbare gebouwen aantreft en die nu tevens de drukke handelswijk is, nu bij de uitbreiding der bevolking ook op de cerro’s woonhuizen zijn gebouwd en dikwijls de allerfraaiste en rijkste. Op den Cerro Concepcion en den Cerro Alegre vindt men prachtige huizen en allerliefste châlets, die schilderachtig tusschen boomen en bloemen gelegen zijn. Een vijf minuten rijdens met de spoor, en men is van de benedenstad op de hoogten gekomen, terwijl men op den rit een steeds mooier wordend uitzicht op de haven geniet en op [154] de geheele baai, die met haar vele schepen een prachtig panorama oplevert.

De gezelschappen zijn in Valparaiso echt kosmopolitisch en opmerkelijk is het, hoe de vreemdelingen zich met de stad en hare instellingen vereenzelvigd hebben, hoe zij in hun belangen opgaan. Als er weldadigheid moet worden beoefend, als kerkelijk werk hulp en zorg vereischt, bij nationale feesten en gedenkdagen, altijd zijn alle nationaliteiten erbij betrokken en algemeene sympathie verlicht en veraangenaamt de samenwerking.

De stad was een der eerste steden van Zuid-Amerika, die een uitstekende waterleiding bezaten; de dam, gebouwd in de hooggelegen heuvelstreek ten behoeve der watervoorziening van Valparaiso, dateert al van 1849. Onlangs is weer een groot réservoir voor regenwater te Penuelas gebouwd, omstreeks op tien mijlen afstands, en ter hoogte van duizend voet boven het niveau der zee. Honderd millioen tonnen water worden op die wijze verzameld, genoeg om de stad voor drie jaar te voorzien, als ’t noodig is. De kosten van deze onderneming bedroegen zes millioen dollars.

Valparaiso is allen anderen steden in Zuid-Amerika voorgegaan in ’t gebruik der nieuwe vindingen, die het leven vergemakkelijken en veraangenamen. Het was de eerste spaansch-amerikaansche stad, die telegraaflijnen aanlegde en gas gebruikte in 1856; de eerste, die drijvende dokken had voor het repareeren van schepen in 1860. Hier verschenen de eerste trams in de straten, en de onderhandelingen over den aanleg van den eersten Zuid-Amerikaanschen spoorweg begonnen in deze stad meer dan een halve eeuw geleden. De naam van een Noord-Amerikaan, William Wheelwright, is verbonden aan de inwijding dier lijn van Caldera naar Copiapo. Dezelfde ondernemende Amerikaan organizeerde in 1840 de Pacific Steam Navigation Company, en aan zijn initiatief is Chili veel verplicht voor de ontwikkeling der steenkolenexploitatie, want de eerste nationale steenkool werd door hem gebruikt op de stoombooten van die lijn.

Door Wheelwright’s bemiddeling werden de eerste stappen gedaan voor den aanleg van een spoorweg, die Buenos Aires zou verbinden met Valparaiso dwars over de Andes, een werk, dat nu voltooid is op een kort eind na van den trans-andischen spoorweg, waar deze over den bergpas gaat. De concessie voor de voltooiing van de Trans-andeslijn is verleend aan een new-yorksche firma, die aan de westkust van Zuid-Amerika groote belangen heeft. Oorspronkelijk, en wel sinds 1881, was de firma te Valparaiso gevestigd met vertakkingen in Santiago, Concepcion en Iquique. De naam van den onlangs overleden stichter, Mr. W.R. Grace, zal altijd in Chili in dankbare herinnering blijven als die van een der pioniers van den buitenlandschen handel van Zuid-Amerika aan de kust der Stille Zuidzee. In de toekomst der republieken van de westkust stelde de heer Grace het volste vertrouwen.

De vreemdeling, die engelsche namen ziet op de uithangborden der meeste winkels in Valparaiso, komt op het idee, dat de handelsstand in deze stad bijna geheel uit vreemdelingen bestaat. Maar als hij zich meer met de menschen vertrouwd heeft gemaakt, bespeurt hij, dat zelfs in die inrichtingen, die een onmiskenbaar buitenlandsch karakter dragen, de plaatselijke chefs gewoonlijk Chilenen van geboorte zijn, of menschen, die zoo lang in Chili hebben gewoond, dat zij hun aangenomen vaderland geheel als het hunne beschouwen.

Een halve eeuw geleden, toen de meeste van de nu bloeiende handelshuizen pas begonnen, waren de toestanden zeer verschillend van wat ze nu zijn. De herinneringen van kooplieden uit dien tijd zijn dikwijls onderhoudend, om aan te hooren. Een van die pioniers, wijlen Stephen Williamson, die in 1903 stierf, en die vijftig jaren lang hoofd was van de firma Williamson, Balfour en Co., wist alles, wat samenhing met de geschiedenis van de kustvaart langs den Stillen Oceaan.

“In de vijftig jaren,” zei hij eens, toen hij zich op verzoek van zijn vrienden in herinneringen verdiepte, “zonden wij tarwemeel van Constitucion naar Australië, en als onze schepen terugkeerden, brachten ze betaling in goudstof en muntspecie,” De heer Williamson woonde in Chili, toen groote fortuinen plotseling met de exploitatie der mijnen werden gemaakt, en zijn schepen brachten menigen armen drommel naar Copiapo en Iquique, die er in weinige jaren rijk werd. Kolonel North, de nitraatkoning, had de gelegenheid, waardoor hij zijn grooten rijkdom verwierf, te danken aan een vrijkaartje voor een reis met een van Mr. Williamson’s schepen. Jaren daarna, toen kolonel North millionnair was geworden door zijn welgeslaagde ondernemingen in de Tarapacamijnen, bezocht hij zijn weldoener, om hem nog eens te danken voor die indertijd bewezen gunst.

Het groote aantal Engelschen onder de rijke kooplieden is oorzaak, dat er te Valparaiso zeer veel Engelsch wordt gesproken. Het komt maar zelden voor, dat iemand in een gezelschap die taal niet verstaat. In alle scholen wordt Engelsch onderwezen, en er zijn buiten de spaansche een aantal geheel engelsche scholen.

Elke nationaliteit is intusschen vertegenwoordigd in de clubs van Valparaiso, Engelschen, Duitschers, Franschen, Spanjaarden en Italianen. Vooral de politieke clubs zijn zeer werkzaam, en in den tijd der verkiezingen is aller belangstelling levendig. Dan is er geen dorp, zoo klein of onbeduidend, of het heeft zijn politieke vereeniging. Vrouwenclubs heeft Chili ook, maar in het politiek tournooi spelen de chileensche vrouwen nog slechts een onbeduidende rol. In den salon en in de arbeiderswoning dringen nog slechts weinig vrouwen op gelijkheid van rechten met den man aan. Zij zeggen waarschijnlijk, dat ze liever de meerderen willen blijven, dat ze er niets tegen hebben de superior sex te zijn.

Valparaiso heeft een groote beurs, zeven nationale banken en drie buitenlandsche. De stad is het handelsmiddenpunt van Chili en staat door een netwerk van telegraaflijnen, particuliere en door den staat geëxploiteerde, met alle steden van Chili in gemeenschap. De verbazend drukke zaken tusschen Valparaiso en Santiago hebben verscheiden particuliere telefoonlijnen in ’t leven geroepen, daar alle groote [155] huizen van Valparaiso afdeelingen hebben in Santiago en vice versa. Onderzeesche kabels verbinden de stad met de geheele wereld. De verschillende stoomvaartmaatschappijen, die de steden van Zuid-Amerika’s westkust aandoen, hebben hun hoofdkwartieren in Valparaiso. Als het Panamakanaal eens gereed zal wezen, hoopt men op nog snelleren vooruitgang voor den handel der westkust van Zuid-Amerika, al zijn er pessimisten, die zich de verliezen door den achteruitgang van ’t verkeer om Kaap Hoorn als vrij ernstig voorstellen.

Als de warme zomerzon het plaveisel van de stad gloeiend maakt, en in de mooie parken de boomen en bloemen onder een stoflaag rusten, verlaten de welvarende Chilenen de stad, om aan het strand of in de bergen verkwikking te zoeken. Chili heeft zijn Trouville in het schilderachtig stadje Vina del Mar. Ofschoon het zoo ver verwijderd is van de fashionable centra van West-Europa, weerkaatst het badplaatsje toch de laatste modes in kleeding en gebruiken even trouw als welke europeesche badplaats ook.

De dames zijn keurig gekleed, en dikwijls in parijsche toiletten, voor het Vina del Mar-seizoen besteld. Men geniet in de mooie omgeving, waar groene guirlanden zich slingeren om kleine, groene huisjes en om de stammen van de boomen in de schaduwrijke straten. De lanen hebben druk bebloemde randen en aan het strand der zee worden de rotsen beschuimd en bespat, tot ze fonkelen in een glorie van diamanten. De kleuren van den regenboog zijn ’s avonds alle weer te vinden in ’t gordijn van ’t Westen, waar de zon zich achter ter ruste begeeft; in één woord Vina del Mar is een gezegend plekje gronds.

Het ligt op slechts vijf mijlen afstands van Valparaiso, op het punt waar de baai, zich verwijdend, overgaat in den Oceaan, zoodat het gedeeltelijk beschut is voor de open zee en toch het volle genot heeft van den zeewind. ’t Riviertje, de Quilpué, op welks zuidelijken oever Vina del Mar ligt, bereikt er de zee, terwijl de lage bergen er, in een halven kring geschaard, op neerzien. De straten loopen evenwijdig aan het riviertje en worden verfraaid door veel boomen; een plein vormt het midden van de stad, en eigenaardig genoeg verrijst aan dat plein niet alleen een kerk, maar staat er ook het spoorwegstation met een promenade ervoor langs. Het is de gewoonte in Vina del Mar, zoowel als aan de meeste spoorwegstations van Midden-Chili, dat de jongelui een half uur vóór de aankomst der avondtreinen aan ’t station samenkomen en op het perron heen en weer wandelen. Heele gezinnen nemen dikwijls aan die wandelingen deel, en er zijn evenveel ouden van dagen als jongen bij de groepen, die er slenteren en pratend en lachend zich amuseeren. Als de trein binnenkomt, wordt het tooneel met welkomstgroeten en afscheidswoorden nog verlevendigd. In kleine stadjes heeft dat stationsbezoek bepaald een sociale beteekenis; de mooiste japonnen worden vertoond en de gezelligheid, ook de babbelzucht, viert er hoogtij.

Vina del Mar is niet altijd het pretstadje geweest, dat het nu is, en nog niet zoo heel veel jaren geleden is het tot een afzonderlijke gemeente verheven. Tijdens de eerste dagen na de spaansche verovering was het alleen belangrijk als monding van de Rio de las Minas, de Mijnrivier, nu Quilpué geheeten, die de streek der groote Malga-Malgamijnen besproeide, waaruit zij met een rijken oogst aan goud te voorschijn kwam. De tooneelen, die toen het meest in Vina del Mar werden afgespeeld, waren dikwijls gruwelijk, want de slavernij heerschte in barbaarschen vorm, en de zweep werd ijverig gebruikt, als middel om ’t gezag te handhaven, terwijl elke insubordinatie met een wreeden dood gestraft werd. Wel groot verschil dus met het heden, dat van rust en van levensgenot een beeld geeft.

Toch was de plaats toen een belangrijk bezit, en Pedro de Valdivia, Chili’s veroveraar, beschouwde de toewijzing als een zeer te waardeeren gift, toen hij de rechten en titels van eigenaars schonk aan twee van zijn grootste veldheeren en intiemste vrienden, Don Juan Jufré, eerste alcalde van Santiago, en Don Francisco de Riveros. De traditie schrijft aan den zoon van Riveros de eer toe, den wijngaard te hebben geplant, die den naam aan ’t stadje heeft geschonken, “wijngaard der zee”.

De grond, waarop de jonge de Riveros zijn druiven plantte en waar het deel van Juan Jufré bij werd gevoegd, nadat hij het van de weduwe van zijn vaders deelgenoot gekocht had, werd met groote zorg bebouwd en was weldra een kostbaar bezit. Na den dood van de Riveros kwam hij in handen van de Jezuiëtenzendelingen, toen het hoofd der Valparaiso-zendelingen hem in 1690 kocht. De Jezuiëten bleven er eigenaars van, tot hun orde uit alle spaansche bezittingen in 1767 verbannen werd.

Na hun vertrek werd de bezitting bij openbaren verkoop verdeeld in verschillende kleinere deelen, waaruit zich langzamerhand een stadje ontwikkelde. Een familie van naam, de Carrera’s, bezaten de hacienda van Vina del Mar in de eerste jaren van de 19de eeuw, en zij was toen het tooneel van veel vroolijk en luidruchtig leven. De admiraal Cochrane bezocht met zijn vrouw dikwijls het mooie landgoed, als zij in Chili vertoefden, en zij waren zeer gehecht aan de beminnelijke familie, die uit drie zoons en zeven dochters bestond. In de dagen van den onafhankelijkheidsoorlog was dit patriottisch gezinde huis punt van samenkomst voor de vrijheidsvrienden, en veel plannen van groote politieke beteekenis werden vastgesteld te midden der vonken van geest en vernuft, die op de mooie zomeravonden in dit lustverblijf de hoogte ingingen.

Al vroeg was Vina del Mar bekend om zijn producten van landbouw en veeteelt en door de voordeelen, die het trok uit de nabijheid van Valparaiso. Doch eerst bij de inwijding van den spoorweg tusschen Valparaiso en Santiago in 1855 begon men de stad te zien in het licht van schoone mogelijkheden, en niet vóór 1874, toen de voornaamste eigenaars van den grond Senor Don José Francisco Vergara en zijn vrouw den grond afstonden voor de uitbreiding der stad naar een systematisch plan van straten en openbare gebouwen, werd Vina del Mar een bloeiende en vooruitgaande gemeente.

In de laatste dertig jaren is die vooruitgang geregeld blijven vorderen, dank zij de voortvarendheid [156] van het bestuur der stad, en zoo is het de populaire badplaats van thans geworden, met breede, rechte straten en schaduwrijke lanen, waar allerlei liefelijks te zien is, en keurige villa’s in tuinen vol bloemen geschaard staan.

Jonge dame uit Valparaiso.

Jonge dame uit Valparaiso.

De prachtige villa van Senora Dona Blanca Vergara de Errazuriz, dochter van Don Jozé Francisco Vergara en een der schoonste vrouwen uit Chili, ligt bijzonder mooi aan den voet van den cerro; het landgoed heet Quinta Vergana en is zeer uitgestrekt. Prachtige grasvelden en bloemvelden worden door fonteinen besproeid, en schaduwrijke lanen voeren naar donkere boschplekjes, terwijl tegen den heuvel op veel paden kronkelen, omzoomd door een rijke bloemenpracht en leidend naar een uitzichtspunt, waar men den ganschen omtrek en de stad met de baai overziet. De weelderig ingerichte woning, een der rijkste uit Chili, heeft veel interessante gasten geherbergd, en de vreemdelingen van beteekenis, die Chili bezochten, waren er meestal genoodigden. Toen de hertog der Abruzzen in 1903 in Chili was, werd er te zijner eer een groot bal gegeven door Senora Dona Blanca Vergara de Errazuriz.

Veel families uit Santiago en Valparaiso hebben zich elegante zomerwoningen in Vina del Mar laten bouwen, en de gezochtheid der plaats neemt telken jare toe. Het is de gewone zomerresidentie van het diplomatieke corps, en bijna alle hooge staatsambtenaren houden er verblijf gedurende de maanden, waarin de zetel der regeering naar Valparaiso is overgebracht.

De wedrennen vormen steeds een groote aantrekkelijkheid. Zij worden op een groot veld, de Cancha, even buiten de stad gehouden en de toevloed van gasten is dan verbazend. De sportclub van Valparaiso heeft bij die gelegenheden de leiding; zij organiseert de voorjaarsraces in October en November, de herfstrennen in Februari. Geen renbaan ter wereld heeft haar tribunes mooier ingericht met bloemen en klimplanten, en als de uitgaande wereld zich er in haar volle glorie en pracht van toiletten vertoont, krijgt men een onvergetelijk schouwspel te zien.

Vina del Mar.

Vina del Mar.

Na de wedrennen gaat de genotzoekende menigte naar het strand, en een stroom van equipages begeeft zich zeewaarts. Van zes tot zeven uur des avonds gaat ieder van het zonnig strand genieten, en dikwijls blijft men in zijn rijtuig zitten, dat tot dicht aan zee mag rijden. Muziek geeft in dat uurtje afwisseling en dient tot verlevendiging van het tooneel. Men is voornemens, den rijweg langs het strand te verbreeden, om er een corso van te maken; de ruimte tusschen de heuvels en de zee is nu te klein.

Als men zoo langs de playa of het strand rijdt, wordt men getroffen door de groote rotsen, die bijna loodrecht oprijzen en door de blokken van allerlei vorm en grootte, die als in zee zijn gestrooid. Het is altijd het buitenleven, dat men te Vina del Mar geniet, deftige uitgangen zijn er weinig te doen, en de menschen, die gasten zien, geven aan de feesten liefst een zoo weinig mogelijk vormelijk karakter. Golf en lawntennis worden druk beoefend op de Cancha. Het beste seizoen daarvoor is Januari en Februari, ook voetbal is er dan populair en internationale wedstrijden van voetbal en cricket zijn er dikwijls gehouden, waaraan ook de club uit Buenos Aires deelnam.

Midden in ’t seizoen is alles vol en druk in Vina del Mar; de hôtels hebben evenmin ruimte meer als de particuliere woningen en de menigte is steeds talrijk op Cancha, strand en bij ’t lawntennisveld. Het Grand Hôtel, het ideale zomerhôtel, mag men wel zeggen, heeft een sierlijk park, groote tuinen en de uitlokkendste gelegenheid voor tuinpartijen. Ook na het seizoen keert Vina del Mar niet tot stilte en eenzaamheid terug, want als voorstad van Valparaiso heeft het zijn aandeel aan de levendigheid van die handelsplaats. Er ontbreekt alleen een mooie, breede verbindingsweg tusschen beide steden, maar daartoe moeten de rotsen van den cerro springen; zij dringen te ver naar voren naar de zee en zijn tot nu toe een beletsel geweest voor den aanleg van een der schoonste strandpromenades. [157]

Vreemdelingen, die lang genoeg in Chili hebben gewoond, om goed bekend te raken met het land en de menschen, zijn eenstemmig van oordeel, dat de aangenaamste huizen niet in de hoofdstad of in een der andere steden worden gevonden, maar op de groote hacienda’s of plantages, gelegen in de centrale vallei.

De mooiste huizen in Santiago zijn op enkele uitzonderingen na slechts tijdelijke woningen voor de eigenaars, die er verblijf houden, zoolang het uitgaande leven duurt, dus van Mei tot October, wanneer zij er kostbare partijen geven en zich in de opera en bij de races vertoonen, om zoodra de schouwburgen gesloten zijn en de hoofstad haar vroolijkheid begint te verliezen, te vluchten naar den echten hogar of huiselijken haard, op de hacienda, met haar breede lanen en grasvelden, waar het leven zoo genoegelijk is, dat de stad met haar drukke straten en talrijke sociale verplichtingen den rijke een noodzakelijk kwaad moet schijnen.

Strand te Vina del Mar.

Strand te Vina del Mar.

De landelijke bezittingen van de rijke chileensche families zijn soms zeer uitgestrekt; er behooren boerderijen bij en bosschen, die een rijke bron van inkomsten leveren, en voor den aesthetischen en sportlievenden smaak wordt gezorgd door bloem- en vruchtentuinen, mooie boschhoekjes, velden voor croquet en lawntennis. Iets eigenaardigs bij die hacienda’s van ’t centrale dal zijn de randen van populieren, waar binnen ze veelal besloten zijn. Er zijn millioenen populieren in Chili, en op sommige der grootste hacienda’s staan ze in dubbele rijen en vormen mooie, schaduwrijke lanen. Het effect, van uit den spoorweg gezien, is alleraardigst, vrij wat aantrekkelijker dan de heiningen van prikkeldraad, die u van de farms in Noord-Amerika dreigend aanstaren. De chileensche eigenaar heeft echter soms ook zijn draadversperring aangebracht, maar dan tegelijk met de populierenlaan, zoodat het nuttige en het aangename samengaan. De landwegen langs den voet der Cordillera’s zijn bijna alle met populieren beplant, en men kan zich geen prettiger uitspanning denken dan een rit te paard door die schaduwrijke lanen.

Jonge dame uit Vina del Mar.

Jonge dame uit Vina del Mar.

Een typische chileensche hacienda, in uitgestrektheid zoowel als in den aard harer ontwikkeling, is die van Santa Ana te Graneros, bezitting van Senor Don Gregorio Donoso, die er den naam aan gaf van zijn vrouw Anna Foster. Senora Donoso is de dochter van een Amerikaan, den heer Julio M. Foster, die een halve eeuw lang in Chili heeft gewoond en die er trotsch op is, dat zijn schoonzoon op de hacienda de allernieuwste en beste verbeteringen heeft aangebracht. Hij is zeer bemind bij het chileensche volk, trouwde een dame uit Chili en heeft talrijke kinderen en kleinkinderen. Hij houdt van het buitenleven en is nooit gelukkiger dan wanneer hij logeert op de hacienda van Senor Donoso.

Een bezoek aan dit mooie verblijf is een gebeurtenis, die men niet vergeet. Na twee uur rijdens van Santiago zuidwaarts door een uitstekend bebouwde en vruchtbare streek bereikt men het station Graneros, waar een break den bezoeker afhaalt, die dan langs een fraaien, met populieren omzoomden landweg en door het fraaie park van de plaats vóór het bordes van het huis wordt gebracht.

Het huis is een modern landhuis, omgeven door veranda’s en overal een prachtig uitzicht biedend. Maar wat het meest hier treft, is het moderne karakter van alle onderdeelen der landbouwonderneming. De verscheidenheid van producten, die er verbouwd worden, is verrassend. Meer dan twee duizend acres (1 HA. = 2.45 [158] acre) is de Santa-Ana-hacienda groot en men zou een halven dag werk hebben, als men om het landgoed heen wilde wandelen. Van het huis rijdt een tram over een smal spoor ongeveer drie mijlen lang door een breede laan van italiaansche populieren, midden door de bezitting loopend en een mooi uitzicht biedend op de velden links en rechts. Van het spoorlijntje gaan zijtakken naar de verschillende velden, om het transport der producten te vergemakkelijken, en het loopt uit op den oever van een rivier, die door de bezitting vloeit.

De tram of spoor sluit aan bij de staatsspoor en zoo is zij een middel, om de producten der farm naar de plaats van inscheping te brengen. Zij vervoert bovendien de arbeiders ’s avonds en ’s morgens naar hun werk, aldus een uur uitwinnend op den tijd van elken werkman. De tram bedient de voornaamste onderdeelen van het groote landbouwbedrijf. Daartoe behoort bij voorbeeld een groote molen; de stallen zijn keurig ingericht; één heeft o.a. ruimte voor voedering en stalling van veertienhonderd stuks vee.

De silo voor de bewaring van het wintervoêr moet de grootste ter wereld zijn; zij is twintig voet breed, twaalf voet diep en driehonderd-vijftig voet lang. Buiten schapen, varkens en kippen worden op deze hacienda 3000 stuks vee gehouden.

De melkerij is een der belangwekkendste onderdeelen. Zij is gevestigd in een schuur, die ruimte biedt voor duizend koeien. Daar wordt gemolken, en de melkkannen worden door de trams meegenomen naar de boter- en kaasfabrieken, waar het altijd druk en levendig toegaat. Ten behoeve der fabriek is er een ijsmachine, die dagelijks twee tonnen ijs levert, een voldoend bedrag voor de behoeften der hacienda en nog in den zomer voor de liefhebbers uit de stad en de hospitalen aldaar.

De talrijke gebouwen en velerlei reparaties, die telkens noodig zijn, leggen beslag op den arbeid van een timmerwinkel, een houtzaagmolen, en overal waar er machines in gebruik zijn, worden die door electriciteit gedreven. De elektriciteit wordt verkregen door waterkracht op twee mijlen afstands. Ook het huis wordt electrisch verlicht.

Bij feestelijke gelegenheden maakt het prachtige landhuis den indruk van een stadspaleis in een schitterend verlicht park. De vreemdeling, die op school heeft geleerd, dat Chili op sociaal gebied nog weinig beteekent, vindt het bijna ongeloofelijk, dat een boerderij, mijlen ver het land in, zooveel moderne gemakken en nieuwerwetsche vindingen toepast. Senor Donoso is voornemens, de geheele hacienda electrisch te verlichten, zoodat het boerenwerk, zoo noodig, onafgebroken dag en nacht kan voortgaan. Al de gebouwen zijn op dit oogenblik reeds voorzien van geleidingen, zoodat men de electriciteit er kan brengen, als het verlangd wordt.

Melken geschiedt bij electrisch licht en het is belangwekkend op te merken, hoe systematisch alles wordt verricht. Besproeiïng en bemesting van den grond hebben plaats met de grootste zorg en volgens de allernieuwste opvattingen, in de landbouwwetenschap bereikt. Uit alles blijken des eigenaars groote gaven voor den landbouw en zijn helder inzicht in de vooruitzichten, die zulk een hacienda biedt en die in geen ander bedrijf te bereiken zijn.

De pachters, zes en vijftig in getal, hebben het uitstekend; hun huizen zijn geriefelijk ingericht met een acre tuingrond erbij, terwijl buitendien ieder pachter nog twee-en-een-halve acre jaarlijks in gebruik krijgt, om voor eigen gebruik groenten te telen, waarbij de patroon, Senor Donoso, hun gereedschap en paarden ter leen geeft.

De eigenaar is niet altijd heereboer geweest, hij heeft gestudeerd aan de universiteit, verwierf den meesterstitel en is civiel-ingenieur; eenigen tijd is hij minister geweest, maar hij geeft aan het landelijke leven de voorkeur boven een politieke loopbaan en is nooit gelukkiger, dan als hij mag experimenteeren met de nieuwste vindingen in landbouwwerktuigen of de moderne ideeën over cultuur en grondbewerking.

Het landgoed Santa Ana gelijkt zooveel op andere van denzelfden aard, dat een beschrijving een juist algemeen denkbeeld geeft van het leven en werken op een typische chileensche hacienda. Niet alle dagen worden er bij harden arbeid gesleten, en er valt nog wel een andere geschiedenis van te vertellen, dan alleen die van materiëelen voorspoed. In die gelukkige landhuizen kan men tooneelen bijwonen van vroolijkheid en zorgelooze uitgelatenheid, die veel hartelijker gemeend worden opgevoerd dan eenig vermaak of wat ervoor doorgaat in de overvolle deftige salons der stad.

Het mooie landgoed Lo Aguila, dat dichtbij het spoorwegstation van Hospital gelegen is, verwierf zich naam door de prettige partijen, die er van tijd tot tijd uit verren omtrek de menschen samenbrengen. De hacienda van Senor Letelier te Aculeo is een der meest gezegende uit het oogpunt van landschappelijk schoon, en alles is er zoo goed ingericht, dat men haar wel eens de modelhoeve van Chili noemt.

Het is gebruik onder de families van deze landgoederen, samen uitstapjes te paard te maken, dikwijls om van de eene hacienda aan de andere een bezoek te brengen, en menigmaal kan men een vroolijke cavalcade de hekken der plantages zien binnenrijden. De kleeding der heeren heeft iets eigenaardigs; zij dragen namelijk buiten een manta of shawl van heldere kleur, die aan zoo’n gezelschap een levendig aanzien geeft.

Die manta is een echt chileensch kleedingstuk, kleiner en zwaarder dan de poncho uit Argentinië, en in den regel niet van franjes voorzien, zooals de reeds genoemde poncho, maar geboord met lint van een andere kleur. Enkele manta’s worden gemaakt van ongeverfde vigognewol van de vicuna-lama, gesponnen tot een draad, die bijzonder fijn en toch sterk is; andere zijn geweven in vele kleuren met strepen van rood, blauw en geel.

De manta heeft geen naden; er is in ’t midden een opening in voor het hoofd, en het kleedingstuk kan aan den hals nog worden bevestigd met knoopen, ofschoon het meestal zoo gedragen wordt, als het over het hoofd is aangetrokken met een open gedeelte aan den hals.

Vele der manta’s zijn waterdicht, en ze moeten [159] bij het rijden bijzonder gemakkelijk zijn. De administrateur van een groote hacienda kan vaak zijn menschen op grooten afstand aan hun manta’s onderscheiden. Op enkele hacienda’s is het de gewoonte, dat de administrateur op Zondagmorgen de hoofden der verschillende afdeelingen bij elkaâr roept, om hun het noodzakelijke werk voor de volgende week aan te wijzen en ook om nota te nemen van klachten of gewenschte veranderingen of eenige zaak, die met de routine der groote onderneming verband houdt. Nadat aan dien plicht is voldaan, zijn de employé’s vrij en kunnen het overige van den dag doorbrengen, zooals zij willen.

De feestelijkheden van een vrijen dag worden op een hacienda bijna altijd opgeluisterd door den geliefden dans, de Zamacueca. Het groote aantal landgoederen in Centraal Chili van dezen aard bewijst wel, dat de Chileen zijn bronnen van geluk liefst zoekt in de natuur, en het pleit voor het nationale karakter, dat zooveel menschen het buitenleven aantrekkelijk en aangenaam vinden en het grootste deel van het jaar liever op hun landgoed zijn dan in hun huis in de stad.

De streek rondom Santiago, vooral zuidwaarts langs de spoorlijn, die de hoofdstad met Concepcion verbindt, vertoont overal van die mooie landhuizen op waardevolle gronden. Graneros is het spoorwegstation voor vele hacienda’s, gelijkend op die van Senor Gregorio Donoso, en er zijn vele andere in de buurt der tusschenliggende stations, Hospital, Buin, Linderos, Guindos, Nos en San Bernardo.

Het is gewoonte, aan elke hacienda een eigen naam te geven: de omgeving wordt veelal bij dien naam genoemd, eerder dan bij den naam van het spoorwegstation of de nabijgelegen stad. Lo Hermida, het mooie huis van Senor Don Belisario Espinola; Santa Ines, het eigendom van Senor Don Salvador Izquierde; San Isidro, het landgoed van de familie van Senora Dona Maria Luisa Mac-clure de Edwarts; en hacienda Limache, waar Senora Dona Sofia Cox de Eastman haar uitgebreide gronden heeft, zijn namen, die even goed bekend zijn als de meest gewone adressen in de hoofdstad. Hacienda Limache wordt bestuurd door de zoons van Senora Eastman en onderscheidt zich door een melkerij met toebehooren, zoo groot als er geen andere in Chili is, waar alle moderne vindingen worden toegepast, en die dan ook voor een groot deel in de behoeften der stad Valparaiso voorziet.

Die melkerij is een onderneming van Senor Don Tomas Eastman, die een kantoor in Valparaiso heeft met depôts, van waar dagelijks bijna twee duizend gallons melk worden afgeleverd. Het tooneel, dat die hacienda in den vroegen morgen aanbiedt, is bijzonder levendig. Van twee tot zes uur wordt er bij kunstlicht gemolken, en daarna wordt de melk in kannen per spoor vervoerd naar Valparaiso op dertig mijlen afstands, om er door een staf van beambten te worden in ontvangst genomen, die de melk wegen en in de wagentjes en kannen voor de aflevering gereed maken.

Ook boter maakt men op die hacienda, maar melk is hoofdzaak, omdat het gebleken is, dat voor farms dichtbij een dichtbevolkte plaats de melkleverantie het meeste voordeel oplevert. De onderneming neemt nog steeds in bloei toe, en Senor Eastman denkt zijn zaken uit te breiden door de hacienda’s San Isidro en El Cajon de San Pedro, die hij gekocht heeft, ook op dezelfde wijze te exploiteeren. Het is opmerkelijk, dat zooveel rijke menschen in Chili ernstig hun aandacht wijden aan de ontwikkeling van hun landgoederen, en het jongere geslacht vertoont minder neiging tot geldverteren door weelderig buitenlands te leven, dan het geval is in andere landen, waar het geld gemakkelijk is verdiend en van vader op zoon is overgegaan. Senor Tomas Eastman, ofschoon een jongmensch van rijkdom en aanzienlijke familie, die, zoo hij wilde, een leven van nietsdoen en amusement kon leiden, is een der energiekste werkers en tracht niet enkel zijn eigen goederen te verbeteren, maar ook den standaard van landbouw en veeteelt in Chili in ’t algemeen te verheffen.

Bijna elke hacienda heeft haar specialiteit. Op de eene is het de teelt van graangewassen; op een andere de melkerij, en weer op een andere de teelt van mooie koeien en paarden. Op de hacienda’s van Ucuquer en La Pena in de provincie Quillota richtte men in 1879 een farm in voor de productie van Durhamsch vee. De resultaten waren zoo gunstig, dat de tegenwoordige eigenaar van deze bezittingen, Senor Don Carlos Hopfenblatt, aan de verschillende hacienda’s van het land jaarlijks honderden mooie dieren levert, en er bestaat geen enkele reden, om in het buitenland voortaan echt Durhamsch vee te koopen.

Van geheel anderen aard is de specialiteit der zeer uitgestrekte hacienda Santa Ines te Nos, eenige mijlen ten zuiden van Santiago aan den spoorweg. De bezoekers van dit prachtige landgoed stappen uit den trein; een particuliere tram, die bij de hacienda Santa Ines behoort, wacht, om hen naar hun bestemming te brengen op vele mijlen afstands. De tram rijdt door een streek vol afwisseling, langs weiden en langs het riviertje, dat het landgoed van water voorziet; dan door zware lanen van populieren tot vlak bij den ingang van het huis, waar een breede veranda, omhangen met wilden wingerd, aan ideale rust doet denken. Overal valt het oog op groote, hooge boomen, mooie struiken en velerhande bloemen. Door lanen van ceders en dennen brengt men u naar den kweektuin, waar duizenden jonge plantjes staan, gereed om vervoerd te worden, zoodra ze groot genoeg zijn voor de markt. Tuinbouw is hier hoofdzaak en op Santa Ines van Senor Don Salvador Izquierdo wordt groote aandacht gewijd aan wat de wetenschap daaromtrent leert. De hier gekweekte chrysanthemums zijn buitengewoon groot, en men kan er bijna elke bestaande variëteit bewonderen. Rozen, anjelieren, violieren groeien er in overvloed en van de edelste variëteiten.

Het drogen van vruchten is een industrie, die in Chili steeds in omvang toeneemt, en ofschoon in elke streek de methode weer verschilt, toch bewijzen de resultaten, dat het een winstgevende bron van inkomsten is. Op de hacienda’s in het Elqui-dal worden druiven, perziken en andere vruchten machinaal gedroogd, en in het centrale dal, waar de zomers [160] heet en regenloos zijn, worden de vruchten in de zon behandeld en verliezen daardoor haar vochtgehalte.

Zondagsmorgenreunie der Hacienda-chefs.

Zondagsmorgenreunie der Hacienda-chefs.

Het leven is druk op een chileensche hacienda, maar het heeft groote bekoring en aantrekkelijkheid, waartoe het heerlijke klimaat niet weinig meewerkt. De chileensche landheer is een toonbeeld van athletische mannelijkheid; hij rijdt veel paard en zou die sport niet kunnen ontberen. Dikwijls hebben jachtpartijen plaats, die soms een week duren en die in het Andesgebergte, nog ten deele ongeëxploreerd terrein, iets zeer opwekkends hebben. Vaak vergeet men het wild, om de streek zelve te onderzoeken. In het laatst van 1904 ging een jachtgezelschap in de hoogere deelen van de Andesketen een expeditie ondernemen. Men kwam van een der hacienda’s bij Santiago, en na allerlei stoute klimpartijen en ongewone avonturen ontdekte een deel van het gezelschap een meer van twintig mijlen in omtrek; dertien duizend voet ongeveer hoog gelegen, een meer, waar geen enkel aardrijkskundig werk melding van maakt, en dat zich in den krater van een uitgedoofde vulkaan scheen te bevinden. Er was veel wild, ganzen en eenden in overvloed; ook zag men er flamingo’s. Een der heeren nam verscheiden photografieën van de plek, en toen de expeditie huiswaarts keerde, had zij de voldoening van den gelukkigen jager, gevoegd bij die van den met succes werkenden ontdekker.

Het dansen der Cueca.

Het dansen der Cueca.

Op vele der hacienda’s kan men in de riviertjes en meertjes heerlijk visschen en bootje varen; groote zwembassins met moderne geriefelijkheden zijn voor het gebruik der familie ingericht en verschaffen de prettigste gelegenheid voor een koele onderdompeling.

Veel oude spaansche namen treft men aan onder die der eigenaars van hacienda’s, maar eveneens komen buitenlanders er op voor, met name vrij wat Engelschen. Een der rijkste hacienda-bezitsters, Senora Dona Juana Ross de Edwards is de dochter van engelsche ouders. Haar goederen zijn enorm winstgevend; maar een groot deel der opbrengst wordt voor liefdadige doeleinden besteed. Een familie Swinburne, nauw verwant met den engelschen dichter van dien naam, heeft al drie geslachten lang in Chili gewoond, meestal op de hacienda.

Een leger van arbeiders is op zulk een landgoed werkzaam. De administrateur leidt de geheele inrichting, en onder hem staan capataces of opzichters, die toezicht houden op de gewone landarbeiders. De guaso uit Chili is een type, dat veel gelijkt op den gaucho uit Argentinië en den cowboy van Noord-Amerika. De werklieden leven zeer eenvoudig; mote of gekookte maïs is hun hoofdvoedsel; maar op feestdagen nemen zij hun kans waar. Vooral de verjaardag van den patroon wordt luisterrijk gevierd.

Wie van het buitenleven houdt, ziet op zoo’n hacienda een aardige vereeniging van winstgevend werk en gezond levensgenot, en het is onmogelijk, zich een juist denkbeeld te maken van het chileensche volkskarakter, zonder de Chilenen te zien in de meest representatieve van alle chileensche woningen, de hacienda.

Door Oost-Perzië.

Reis van Majoor Percy Molesworth Sykes,
Consul-Generaal van Engeland te Khorassan.

Perzische vrouwen, in haar ruime kleederen gehuld.

Perzische vrouwen, in haar ruime kleederen gehuld.

I

Aankomst te Astrabad.—Vroegere belangrijkheid der stad.—Het land der Turkomannen.—Mesjed, zijn moskee en zijn handel.—De Loetwoestijn.—Op den weg naar Kirman.

Perzië heeft altijd een groote bekoring uitgeoefend op mijn geest. Ik had lang in Indië gediend, zonder gelegenheid te hebben, er een bezoek aan te brengen. Het werd Januari 1893 eer ik, na mijn Kerstvacantie in Engeland te hebben doorgebracht, mijn plan ten uitvoer brengen kon en een reis door Perzië kon maken, om te Boesjir de boot, die mij daar wachtte, te bereiken.

Perzische pony.

Perzische pony.

Uit Engeland komend, was ik per spoor over Weenen naar Odessa gereisd, waar ik mij naar Batoem inscheepte; van Batoem naar Bakoe volgde ik de bekende transkaukasische lijn. Daarna scheepte ik mij te Bakoe in, niet voor Enzeli en Resjd, wat de gewone weg is, maar voor Bandar-Gaz.

De stoomboot op de Kaspische Zee moest eerst stoppen te Oezoen-Ada, toen nog uitgangspunt van den transkaspischen spoorweg. Na een ruwen overtocht, waar een heele dag mee heenging, voeren wij langzaam het smalle kanaal binnen, waar een voor anker liggend schip ons waarschuwde, voorzichtig te zijn, en ofschoon wij slechts negen meter diepgang hadden, moesten wij voortdurend van den oever afhouden, om niet vast te raken. De ondiepe zee was bedekt met een dun laagje ijs. In elk opzicht leek Oezoen-Ada mij een zeer slechte basis voor een spoorweg. Dus vernam ik dan ook een jaar daarna met genoegen, dat Krasowodsk, veel dichter bij de open zee en in ’t bezit van een diepe haven, ten slotte gekozen was, om Oezoen-Ada te vervangen.

Wij verlieten met moeite het nauwe toegangskanaal [162] en wendden den steven zuidwaarts, om na vijftien uren de russische grensstad Tsjitsjikar te bereiken. De aanlegplaats is bijna buiten het gezicht der stad; dus kon ik er geen bezoek aan brengen. Maar er is niet veel te zien, en zij heeft geen beste reputatie, wat betreft den bodem en het klimaat. Door Astrabad staat Tsjitsjikan met het telegraafnet van Perzië in gemeenschap; maar de transkaspische spoorweg heeft aan dezen militairen post al zijn belangrijkheid ontnomen.

Toen wij onzen weg naar het zuiden vervolgden, zagen wij al spoedig, hoe het klimaat snel veranderde. Na het dejeuner bevonden wij ons tegenover het russische marine-station Asjoer-Ada, en vóór ons lag, in dichte nevelen gehuld, Iran.

De Asjoer-Ada-eilanden maken deel uit van een zandbank, door den noordenwind gevormd, die de heerschende is in deze streken. Daarachter breidt zich een wijde lagune uit, Murdal of dood water geheeten, waarin zich veel rivieren uitstorten, die alluviale aanslibbing aanvoeren. Men treft veel van die lagunen langs de kust aan; die van Enzeli is het meest bekend; maar de baai van Astrabad, om ons te bedienen van den naam die gewoonlijk op de kaarten staat, is het diepst. De stoombooten kunnen er tot vlak aan de kust komen en zijn niet genoodzaakt te lossen vóór de zandbank, zooals te Enzeli.

Asjoer-Ada, dat een verschrikkelijk ongezonde post moet zijn, werd in 1858 door Rusland bezet, toen men besloot een eind te maken aan de zeerooverijen van de Turkomannen. De regeering van den czar is herhaaldelijk uitgenoodigd, zich terug te trekken van de plek, die, in strikten zin genomen, nog perzisch grondgebied is; maar zoo zij aan dien wensch gevolg gaf, zou de zeerooverij maar al te spoedig weer het hoofd opsteken. Daar tengevolge van het tractaat van Gerlistan de perzische vlag niet over de Kaspische Zee mag waaien, wordt alle politie daar uitgeoefend door de groote mogendheid van het Noorden.

Drie aanlegplaatsen waren bij het eiland aangebracht, ’twelk zoo smal is, dat het schuim der golven er bij slecht weer overheen vliegt. Na een langzame vaart door de stille en rustige lagune, legden wij aan bij een vuurtoren tegenover Bandar-Gaz. Wij namen onze bagage bijeen en werden in een roeiboot overgebracht naar een havenplaatsje in een treurigen staat van verval. Tegen het vallen van den avond bevonden wij ons op perzischen grond, bestaande uit dikke, glibberige modder.

Ik had geen voorkeur, waar wij zouden heengaan; maar Joessoef Abbas, een geleerde Pers, dien ik te Odessa aan mij had verbonden, en die meer gereisd moet hebben dan iemand van zijn leeftijd, zei, dat we zouden kunnen logeeren bij een ambtenaar van de telegraaf. Deze ontving ons inderdaad zeer vriendelijk en ik kon weldra ten zijnent genieten van een echten pilaw, het perzische gerecht bij uitnemendheid.

Bij dag kwam Bandar-Graz mij als een zeer melancholiek plaatsje voor. Er is zooveel slijk, dat een paar stelten van nut zouden kunnen zijn. De hutten van boomstammen zien er vuil en ellendig uit.

Mazanderan, de perzische provincie die met Ghilan de zuidkust van de Kaspische Zee inneemt, is een belangrijke provincie, al was het maar om het sprekend contrast, dat zij maakt met de andere deelen van Perzië, of zelfs met de andere districten aan de binnenzee gelegen. Als men uit de lagune komt, waar men veel rottende planten ziet, heeft men eerst een strook jungle van afwisselende breedte, dicht struikgewas, waar het van allerlei insecten, vooral muskieten, krioelt, die er in den zomer iemand het leven ondragelijk maken. Het heet ook, dat er nog veel tijgers zijn, maar het gebeurt niet dikwijls, dat er een geschoten wordt.

Als men de bergen heeft bereikt, verandert het land plotseling van aanzien, en de reiziger kan zich in Kaschmir verplaatst wanen. Hij vindt er dezelfde boomen en weiden, en hooger de kale hellingen der bergen. Een prachtig soort van hert komt, evenals daar ook hier veelvuldig voor.

De bewoners der provincie Mazanderan hebben een geelachtige, ongezonde gelaatskleur, maar ze zijn niet klein of lichamelijk slecht ontwikkeld, zooals men verwachten zou in dat arme land. Zij kleeden zich in wol en voeden zich met rijst, die ze in groote hoeveelheden tot zich nemen. Het is een gelukkig volkje, en ik ontmoette niemand, die het land zou willen verlaten; zij kunnen in andere streken van Perzië niet aarden.

In twee dagen bereikten wij Astrabad langs een zeer slechten weg. De zon ging onder; wij kwamen de stad binnen door een ingang zonder poort en zonder bewaking, en het eerste wezen, waar ons oog op viel, was een jakhals. Eindelijk zagen wij een man in de verlaten straten. Hij bracht ons op de vriendelijkste manier naar het huis van Mirza Taki, den engelschen agent, waar wij de groote voldoening smaakten, droge kleêren te kunnen aantrekken. De vereeniging van vocht en koude is zeer onaangenaam, om niet te zeggen gevaarlijk in het Oosten, nog meer dan elders, en ik gevoelde mij gelukkig, dat ik zonder slechte gevolgen de streek van de koorts was doorgekomen en een der bekendste steden van Perzië had bereikt.

Astrabad, dat in den bloemrijken stijl van het Oosten Dar-ul-Muminin, dat is de Woning der Geloovigen heet, is voor zoover men kan nagaan, geen oude stad, hoewel de plaats volgens de legende gesticht is door Nosjirevan, met geld, gegeven door Azad Mahan, gouverneur der Keronans. Voor Engeland is de stad buitendien interessant om de mislukte poging, in de 18de eeuw gedaan, om er een engelsch-perzischen handel te vestigen.

In het begin der 19de eeuw heeft men zich van het belang van Astrabad te veel voorgesteld. Napoleon en czar Paul I hadden het plan gevormd, langs dien weg een aanval te wagen op Britsch-Indië. Het werd weer opgevat door Rusland tijdens den Krim-oorlog; maar zoowel in het eene als in het andere geval zou de uitvoering zeker op een noodlottige ramp zijn uitgeloopen.

Thans heeft de transkaspische spoorweg het stadje alle gewicht ontnomen, ofschoon bij een aanval op Perzië uit het Noorden de bezetting van Sjahroed, na de verovering van Astrabad, de hoofdstad zou afscheiden van Medsjed. [163]

Astrabad beslaat nu misschien de helft van de oorspronkelijke oppervlakte, en er wordt mij gezegd, dat de bevolking niet meer dan tien duizend zielen bedraagt. De meeste straten zijn geplaveid, waarschijnlijk door shah Abbas, en de huizen zijn van natuursteen of van gebakken steen opgetrokken met daken van roode pannen, wat een vroolijk gezicht geeft zelfs in den winter; daar op de muren overal bloemen zijn geplant, moet het er in het voorjaar aardig uitzien. Er zijn in de stad veel zeepfabrieken; potasch wordt er bereid uit planten van den oever der rivier. Ook kruit wordt bereid in Astrabad, maar dat is dan ook alle plaatselijke industrie.

Er begon veel sneeuw te vallen, een zonderling gezicht, terwijl de oranje-appels aan de boomen hingen. Ik vertrok op de jacht, hopende dat de sneeuw de herten uit de bergstreken naar beneden drijven zou. Ik zag er niet één, hoeveel moeite ik mij ook een heele week lang gaf. Daarentegen zag ik wel veel wilde zwijnen, en ik doodde er een, om mijn nieuw geweer te probeeren.

Toen ik te Astrabad terugkeerde, waren de toebereidselen voor mijn bescheiden expeditie in het turkmeensche land afgeloopen, en ik begaf mij in noordelijke richting op reis. Terwijl het woud bijna den zuidkant der stad bereikt, is het land in ’t noorden vlak en open en veelal bebouwd. Na door een paar gehuchten te zijn getrokken, bereikten wij de Kara Soe of Zwart Water, een rivier met langzaam stroomend, slijkerig water. Er ligt een brug over naar het land der Turkomannen. Enkele mijlen trokken wij voort door een zeer vruchtbare vlakte en kwamen toen aan de oevers der Gurgan, een rivier, waarvan de naam denzelfden wortel heeft als het woord Hyrcanië. Een tweede brug, even stevig als de eerste, ligt bij het fort Akkala of het Witte Fort, een oude plaats van de Kadjaren, waar nog een garnizoen is en die er indrukwekkend uitziet. Wij gingen den stroom niet over, maar trokken langs den linker oever, om zoo te komen in het kamp van Moesa khan, hoofd der Ak-Atabai, voor wien ik een brief had van kolonel Stewart.

Om u een alasjoek of Turkomannen-woning voor te stellen, moet ge denken aan een kring van omgebogen takken, min of meer in den vorm van een bijenkorf en zoowat twintig voet in diameter; zwart vilt is over alles heen getrokken, en het resultaat is een beweegbaar huis, dat ten minste als het koud weêr is, de voorkeur verdient boven een tent. Binnenin wordt het hebben en houden van den eigenaar bewaard in reuzenpakken, terwijl de karabijn van den heer des huizes binnen het bereik van zijn hand is. Stukken tapijt bedekken de reten en spleten van het vilt, en als er vuur brandt op den open haard, kan men zich comfortabel voelen in zulk een verblijf. Alleen de rook blijft een groot bezwaar. Ieder kamp werd bewoond door een aantal gezinnen tusschen tien en dertig. Zij brengen zoo vijf maanden door ten zuiden van de Gurgan, halen hun oogst binnen en laten daarna weer hun kudden weiden dichtbij de Atrek.

Men kan als vaderland der Turkomannen beschouwen een strook gronds, die beginnend bij de baai van Astrabad doorloopt tot het punt, waar de drie staten Rusland, Perzië en Afghanistan samenkomen.

Hun eerste belangrijk optreden in de geschiedenis dagteekent van de 12de eeuw, toen zij sultan Sandjar van den troon stieten. In de 19de eeuw gaf Shah Abbas bij zijn troonsbestijging aan talrijke koloniën van Koerden grondgebied in die streken, wat een slag was voor de turkmeensche roovers; maar zij bleven tot hun definitieven val, na de inneming van Khiwa en van Merw, een ware plaag voor Perzië. Men kan daar goed over oordeelen, als men, zooals ik, vroegere gevangenen van hen heeft gezien en gehoord heeft wat zij hadden te verdragen, te meer daar bij de natuurlijke wreedheid der Turkomannen zich de haat voegde van de Sunnieten tegen de Sjiïeten. De heer Vambéry heeft mij verteld, dat, hoewel hijzelf tijdens zijn gevangenschap aan de Atrek heel goed werd behandeld, hij getuige moest zijn van allerlei tooneelen, die hem de Turkomannen deden verfoeien.

Zeer tegen mijn zin was Moesa khan voor den nacht naar Astrabad gegaan. Ik maakte van den dag, dien ik wachtende moest doorbrengen, gebruik, om de ruïnen van de stad Kizil-Alan te gaan zien. Er zijn ook verschillende hoogten, die verspreid in het dal der Gurgan liggen, waar door reizigers veel onderzoekingen zijn gedaan. Enkelen hebben er reeksen van seinposten in willen zien. Het is eenvoudiger, te veronderstellen, dat het ruïnen van dorpen of steden zijn. Wij kunnen er niet meer van zeggen, vóór men systematische opgravingen zal hebben gedaan. Dan zal een rijke oogst de exploratie van het oude Hyrcanië beloonen.

Zoodra hij was aangekomen, liet Moesa khan mij door Joessoef weten, dat hij het niet op zich durfde nemen, mij door het turkmeensche land te laten gaan. Ik kon er zeker van zijn, te worden gedood of bestolen, en hij zou er door de perzische regeering voor aansprakelijk worden gesteld. Het kostte mij zeer veel moeite, hem op zijn besluit te doen terugkomen. Eindelijk, na verloop van drie dagen, gaf hij toe op de bedreiging, dat zijn naam van gezaghebbend hoofdman er in Europa onder zou lijden, en zoo beloofde hij, mij een geleide te bezorgen tot de Atrek. Drie bloedverwanten van hem zouden mijn verdere reis organiseeren.

Dus scheidde ik van mijn gastheer op de plek, waar wij de Gurgan over moesten trekken, en wij trokken noordwaarts door de besneeuwde steppe. Eerst was die geheel vlak, maar bij het naderen van de Atrek gingen wij over een keten van lage bergen, bekend onder den naam Kara-tapa of Zwarte heuvels. ’s Avonds bereikten wij in een sneeuwstorm een kamp van den stam der Atabaï, waar wij den nacht doorbrachten. Die stam telt ongeveer twee duizend gezinnen in Perzië en duizend in Rusland. Wij zetten toen den tocht langs de Atrek voort onder het geleide van een turkmeenschen mollah, Hak Nafas, die niet erg zeker van zijn zaak was. Ik vernam van Joessoef, dat het een roover was, die niet viel te vertrouwen.

Vóór hij van ons wegging, had hij op fluisterenden toon een gesprek gevoerd met enkele mannen [164] van ons gevolg, ’s Avonds van dien dag, toen wij de rivier waren overgegaan, kampeerden wij bij een groep van vijf tenten. Wij kregen niet als gewoonlijk een uitnoodiging om binnen te komen in de alasjoeks, en het viel niet moeilijk, uit een en ander op te maken, dat men iets tegen ons in den zin had. Ik barricadeerde dus mijn tent en bleef wakker, wat niet al te moeilijk was, aangezien ik gekweld werd door hevige kiespijn. Tegen middernacht kwamen de Turkomannen op onze tent af, kruipend en met geladen geweren. Toen ze op vijfhonderd meters afstands waren, ging Joessoef zeer beleefd naar hun gezondheid informeeren. Waarop zij, zonder een woord te zeggen, verdwenen. Wij belaadden onze muildieren vóór zonsopgang, en Joessoef, die al dien tijd zich kranig en dapper hield, sprak de dieven in partibus, die bij ons gebleven waren, krachtig toe en verweet hun de schending van de wetten der gastvrijheid, hen dreigend met allerlei verschrikkelijke straffen. Ten slotte verdwenen zij ook en lieten ons met rust. Denzelfden dag waren wij bijna overvallen door onze gidsen van den vorigen dag, die ons op den anderen oever van de Atrek volgden. Maar zij trokken zich terug, waarschijnlijk overtuigd, dat de Sahib machtige beschermers hebben moest, en dat hij anders zich ook nooit in deze streken zou hebben gewaagd.

Te Aksjanim, beneden een kloof, waar de Atrek door vloeit, kwam ik op het grondgebied van de Goklan-Turkomannen. Dit was de eerste plek, waar mij een vriendelijke ontvangst bereid werd. Mijn gastheer, Mustapha Koeli, was in 1874 verbonden geweest aan de zending van den Honorable G. Napier naar de Gurgan.

Wij passeerden daarna langs een zeer sterke helling den doorgang, die bekend is onder den naam Hanaki-pas; de top is 1020 M. hoog. Van daar deed het dal, dat wij juist waren doorgegaan, zich voor als een reliëfkaart; op den achtergrond verhief zich de Sonar Dagh. Overal om ons heen waren sneeuwvelden, en de wolken dreigden met nieuwen voorraad. Dus haastten wij ons, en toch was het maar even vóór zonsondergang, dat wij het fort Amend, waarvan niet veel meer dan een puinhoop over is, bereikten. Er waren enkele tenten der Toktimasj omheen gegroepeerd.

Den volgenden dag ging het met moeite door het dal der Insja, om daarna weer over een pas te trekken en den daarop volgenden dag bereikten wij in een bebouwde streek en op den weg van Astrabad naar Boesjnoert het dorp Semalgan, waarschijnlijk Samangan van sjah Nameh, een der talrijke dorpen, die aan de Koerden behooren. Onnoodig te zeggen, dat ik blij was, het land der Turkomannen achter mij te hebben, maar ook dat het mij aangenaam was, een blik te hebben mogen werpen op hun gewoonten en hun denkbeelden, wat mij nooit zou zijn gelukt, als ik met een uitgebreid escorte had gereisd.

De Koerden ontvingen mij vriendelijk. Zij hadden nog veel herinneringen bewaard van kolonel Napier. Maar ik werd er een weinig verlegen mee, dat ik na hem dit bezoek aflegde; hij had edelmoedig geschenken uitgedeeld en ik trok door met ledige handen.

Over den Halinurpas gaand, die door een hooge bergketen een weg opent, kwamen wij eindelijk in het stadje Boesjnoert. Ik werd er zeer vriendelijk door den gouverneur ontvangen, die mij geluk wenschte met het ongedeerd volbrengen van zulk een gevaarlijke reis. En inderdaad, nu eerst begon ik mij rekenschap te geven van de gevaren, die ik had geloopen. Kolonel Yate, die een jaar later met zeventig man door deze streek trok en een gewapend geleide bij zich had, noemt haar “het meest woeste en onafhankelijke gedeelte van het gebied der Turkomannen, waar de Perzen geen voet durven zetten.”

De provincie Khorassan, die wij nu pas hadden betreden, ligt in den noord-oosthoek van Perzië; de naam beteekent Land der Zon. Zij besloeg vroeger een verbazende uitgestrektheid; ze strekte zich van de Kaspische Zee tot Samarkand uit en zuidelijk tot de grenzen van Sind. Tegenwoordig reikt zij van den transkaspischen spoorweg in het Noorden tot Seïstan in het Zuiden en van Afghanistan in het Oosten tot Astrabad in het Westen. De oppervlakte is door lord Curzon geschat op 375,000 tot 435,000 vierkante kilometers.

Op den avond van mijn aankomst legde ik een bezoek af bij den Saham-u-dola, een hoofd, dat hoog in aanzien stond. Ik zei hem eerst niet, dat ik een officier was, die voor mijn genoegen reisde; maar toen ik bemerkte, dat hij in mij een deelgenoot zag van de een of andere bijzondere zending, vertelde ik hem de waarheid. Hij geloofde mij niet, natuurlijk. Een Oosterling reist nooit anders, dan om geld te verdienen of als pelgrim.

Boesjnoert is een stadje van misschien tien duizend inwoners. Er is maar één lange straat; de plaats is door een telegraaflijn met Mesjed verbonden, en er gaat wekelijks een post tusschen beide steden. De straat is vol winkels, waar men russische samovars en manchestersch katoen ziet. Ik kocht er drie turkmeensche tapijten voor ongeveer zeven pond. Een goed gesternte had mij bij den koop geleid, want ze waren in Engeland vier- of vijfmaal die som waard.

Daar drie dagen voldoende bleken, om alle merkwaardigheden van Boesjnoert te bekijken, huurden wij versche muildieren en gingen op weg naar Koetsjan. Door de Mesjedpoort vertrokken, reisden wij langs de oude stad, waar nog slechts ruïnen van over zijn en daalden af naar de Atrek. Onder de vele dorpen, waar wij doorheen trokken, hadden enkele vierkante torens, gelijkend op die van engelsche kerken; overal was welvaart te bespeuren, veel meer dan wij hadden gevonden in het door de natuur rijker bedeelde district Astrabad. Den volgenden dag gingen wij over een in goeden staat zijnde brug, en bij Sissah betraden wij het gebied van Koetsjan. Het dal wordt breeder; de grond is zeer vruchtbaar, en de dorpen zijn even talrijk als in sommige deelen van Pendsjab.

Nomadenkinderen in Oost-Perzië.

Nomadenkinderen in Oost-Perzië.

Op onzen tocht waren wij getuigen van een nog in wezen zijnd oud gebruik, het huwelijk bij roof. Wij ontmoetten eerst het geleide van een bruid te paard; zij was gekleed in een rijk wit met rood gewaad. Iets verder vonden wij andere ruiters, die bij de nadering der dame een soort van gevecht [166] nabootsten, tot zij een teeken had gegeven, dat zij zich overgaf.

Te Sjirwan kwam ik weer in bekende streken en wel op den weg naar Koetsjan daar, waar een levendige handel wordt gedreven met Geok Tepe, het punt, dat het dichtst bij den transkaspischen spoorweg is gelegen. De Atrek was hier niet veel meer dan een groote beek. Een tocht van 35,000 mijlen door een der vruchtbaarste dalen van Perzië bracht ons te Koetsjan. Het district, waar die plaats de hoofdstad van is, moet als het belangrijkste der drie koerdische districten worden beschouwd; tot in den jongsten tijd was het half onafhankelijk. Nadir Shah werd vermoord in 1747, toen hij een poging deed, het te onderwerpen. De ilkhani is reeds door lord Curzon op amusante manier beschreven; hij is gewoonlijk in een toestand van ontoerekenbaarheid door de uitwerking van opium of alcohol, en men moet hem altijd drie dagen van te voren, een bezoek aankondigen. Ik onthield mij van een visite, daar ik geen tijd wilde verliezen.

Ik vond te Koetsjan een brief van den engelschen consul-generaal te Mesjed, den heer Elias, die zoo vriendelijk was, mij te melden, dat hij mij op een dagreis afstands van de stad een sowar en twee paarden had tegemoet gezonden. Wij namen een wagen, om ons met onze bagage naar de stad te brengen.

Het land was vruchtbaar maar eentonig. Door de strenge vorst was de weg hard en vlak. In den namiddag van den derden dag ontdekte ik een man in de verte, die de sowar bleek te zijn, en in minder dan vijf minuten draafde ik in de richting van Mesjed, terwijl Joessoef in het rijtuig volgde. Vóór ons schitterde op vele mijlen afstands de prachtige vergulde koepel als een vuurzee in de stralen van de ondergaande zon.

Een nieuwsgierige menigte wachtte ons af op de pleinen der stad. Door de Khiaban, de hoofdstraat, iets als het Unter den Linden der plaats, daarna door de kronkelende straatjes, kwamen wij aan het Consulaat-generaal, waar wij hartelijk werden ontvangen. Nu ik twee maanden lang buiten de beschaafde wereld had verkeerd, was ik onuitsprekelijk gelukkig, mij weer in een bevriende omgeving te bevinden.

Mesjed, welks naam beteekent “Graf eens Martelaars”, heet zoo, omdat men er het graf vindt van een heilige Reza, den achtsten iman. Zijn monument behoort tot de rijkste en meest bezochte van Azië. De schatten, die er bewaard worden, bestaan niet alleen uit ruime jaarlijksche schenkingen van geld en kostbaarheden, maar het graf ontvangt ook giften en legaten in grond en tuinen, en wel van alle klassen der bevolking. Het is niet toegankelijk voor christelijke bezoekers, een regel, waaraan men zich in Perzië bij vele instellingen houdt. Toch is hij niet steeds in acht genomen, en de spaansche gezant aan het hof van Timoer, Ruy Gonzalez de Clavyo, vertelt, dat hij de moskee te Mesjed heeft bezocht.

Het tegenwoordige heiligdom ligt, naar ik hoor, in het midden tusschen drie groote pleinen. De bouwtrant, de opengewerkte lantaarn en het gouden traliewerk geven er van buiten een ernstige schoonheid aan, geschikt om een diepen indruk op vrome gemoederen te maken.

Mesjed is tegenwoordig een belangrijke stad uit het oogpunt van den handel en de politiek. Van engelsch standpunt gezien, zou het een goede post zijn ter bewaking van westelijk Afghanistan en een bruikbaar entrepôt voor den engelsch-indischen handel. Maar voor Rusland is de post van nog veel grooter beteekenis, daar Mesjed de hoofdstad is van de provincie Khorassan, waarvan Askhabad voor zijn onderhoud afhankelijk is. Zooals men wel kan begrijpen, zijn de bazars voor ’t meerendeel gevuld met russische goederen, maar de voorwerpen van engelsche herkomst worden op niet minder hoogen prijs gesteld. Men kan hier een beeld vinden van den strijd tusschen de beide mogendheden, die elkaâr den invloed in Perzië betwisten.

Ten tijde van mijn bezoek werd het ambt van britsch consul-generaal waargenomen door den sedert overleden heer Ney Elias, den deken van een reeks van bekende reizigers in Centraal-Azië. De belangen van Rusland waren toevertrouwd aan den heer Vlassof, die nu een ruimer arbeidsveld gevonden heeft in Abessynië. Zooals dat dikwijls het geval is, hadden hij en zijn secretaris engelsche vrouwen getrouwd, wat voor mij de genoegens van het samenzijn nog grooter maakte. Ik ben nooit ergens vriendelijker ontvangen dan in die kleine maatschappij, de europeesche kolonie van Mesjed. En toen ik dan ook na verloop van een week vertrok, om mij naar Kirman te begeven door de Loetwoestijn, deed het mij innig leed de vrienden te verlaten, van wie ik een week te voren geen enkele kende.

Na het verlaten van Mesjed volgden wij den weg van Teheran naar Sjerifabad. Hij loopt door een golvend terrein en maakt een bocht op het punt, waar de uit het Zuiden komende pelgrims voor de eerste maal den heiligen koepel der groote moskee aanschouwen.

Den tweeden dag na ons vertrek ging het over den Bidarpas, waar wij tot onze groote verbazing een dikke sneeuwlaag vonden. Van dien pas, die bijna 2000 M. hoog is, daalden wij naar een rivierdal. De benedenloop van den stroom heet Kal-i-Sala. Er ligt een pas gebouwde brug over, een vreemd verschijnsel in Perzië.

Na weer door heuvelachtige streken te zijn getrokken, kwamen wij te Turbat, stad van 15000 inwoners, nog op ouderwetsche manier Turbat-i-Haidari genoemd, naar het graf van rooden steen van een beroemd heilige, Kutb-u-Din-Haider. Tegenwoordig gebruikt men meestal den naam Turbat-i-Ichak-Khan, naar een hoofd van de Karaï’s, die ter dood gebracht werd nadat hij beproefd had, Mesjed te veroveren aan de spits van een vereeniging van stammen.

Turbat, dat te midden van tuinen ligt, is sinds 1901 een belangrijk russisch centrum geworden; een russisch dokter is er gevestigd onder bescherming van Kozakken voor de gevallen van pest- en cholera-epidemieën. Zijde was oudtijds het hoofdproduct van deze streek, en tegenwoordig begint men weer meer aan die cultuur te doen, hoewel de nawerking der ziekte van de zijderupsen zich nog doet gevoelen.

Na Turbat volgden wij den loop der Kal-i-Sala en moesten dikwijls van richting veranderen. Het was belangrijk op te merken, hoe alle op de kaart [167] aangegeven dorpen verwoest waren, terwijl er in de nabijheid nieuwe gehuchten waren ontstaan, en tot onze nog grootere verbazing was de rivier, die zich naar het Westen wendt, voorgesteld als naar het Zuidoosten stroomend.

Vervolgens reden wij naar Djangal, Bimurgh, Beidukht. Het laatste dorp is bekend als de woning van den groot-murschid van Perzië, een man, die zeer grooten invloed uitoefent, vooral op de kooplieden van Teheran. Zijn naam is Hadji Mullah sultan Alé, hij heeft een mooie school of mederssch laten bouwen, waar hij dagelijksch lessen geeft en preekt. Hij moet ongeveer zestig jaar zijn.

Djouvein, de hoofdstad van het district Gunabad, bestuurd door den gouverneur van Turbat, heeft een bevolking van 8000 inwoners en een kleinen bazar. Men maakt er een soort van aardewerk, zoo grof en zoo leelijk, dat ik geen enkel stuk ervan kon koopen.

De vlakte van Gunabad ligt aan den voet van een bergketen, die van het Zuidoosten naar het Noordwesten loopt, en hier het betrekkelijke hooggelegen land, dat ik doorreisd had, scheidt van de sombere Loetwoestijn, die ik weldra zou betreden. Verder naar het Westen sluit het terrein zich aan bij het noordelijk deel van die woestijn. Na die keten te zijn doorgetrokken, kwamen wij te Toen, een ommuurde stad van 4000 inwoners. Binnen de stad zelf waren veel tuinen, en het algemeene aanzien van de plaats was niet onbehagelijk.

Zoo had ik dan de noordgrens bereikt van de groote woestijn, die ik voor de eerste maal zou doorgaan, en waar ik nog dikwijls zou terugkeeren. Laat ik er een korte beschrijving van geven. Eerst moet ik meedeelen, dat verschillende aardrijkskundigen zonder voldoende reden de groote perzische woestijn verdeeld hebben in twee deelen, een noordelijk, het Dasjt-i-Kavir, en een zuidelijk, het Dasjt-i-Loet. Lord Curzon, die drie afleidingen mogelijk acht van het woord havir, kiest terecht het arabische hafr, dat beteekent “zoutmoeras”. Dat woord is nog voortdurend in gebruik in Zuid-Perzië. Wat de uitdrukking Loet betreft, die is stellig afgeleid van Lot, en de gidsen wijzen nog dikwijls in de groote woestijn de Sjahr-i-Loet of “steden van Lot”. Zij leggen dan uit, dat de Almachtige ze door hemelvuur verwoestte, juist als de plaatsen, die nu bedolven liggen in de Doode Zee.

Na langdurige onderzoekingen ben ik tot het besluit gekomen, dat de geheele woestijn van Perzië niet anders heet dan Loet (Dasjt-i-Loet is een weinig gebruikte uitbreiding), en dat zij een aantal kavirs bevat, die alle eenzelfde karakter hebben. Ik geef intusschen toe, dat zij talrijker zijn in het Noorden, waar nog het meeste water wordt aangetroffen. Een Pers, in Engeland opgevoed, heeft mij gezegd, dat hij wel den weg Yezd-Pabas had aangewezen gezien op de kaart als het punt, waar twee woestijnen bij elkander komen, maar dat al zijn pogingen, om op de plaats zelve zich te overtuigen van het bestaan eener woestijn Dasjt-i-Kavir, mislukt waren. Dat had zijn eerbied voor de europeesche kaarten aan het wankelen gebracht.

De groote Loetwoestijn breidt zich van de buurt van Teheran tot de grens van britsch Beloetsjistan uit over een lengte van meer dan 100 KM. Het is de oostelijke afhelling van die groote uitgestrektheid, die het dorp Basiran draagt, het hoogste punt op 1400 M. Ik heb het dorp in 1899 bezocht. De gemiddelde hoogte der woestijn is ongeveer 600 M.; de laagste punten bij Khabis liggen ter hoogte van 300 M. Het slechtste gedeelte van de Loetwoestijn is dat tusschen oostelijk Perzië en Khabis, dat in het midden der 19de eeuw door Khemikoff doorreisd werd.

Ziehier wat hij schrijft: “Men zal zich gemakkelijk ons genoegen kunnen voorstellen, dat wij veilig en ongedeerd waren, nadat wij een woestijn waren doorgetrokken, die in dorheid door geen andere in Azië overtroffen wordt; vergeleken bij den Loet, zijn de Gobi en de Kizel-Koem inderdaad vruchtbare weiden. Ik heb den troosteloozen aanblik van de landengte van Suez gezien. Veel gedeelten van die dorre streek schijnen getroffen door dezelfde onvruchtbaarheid als de Loetwoestijn; maar dit karakter is dan nooit over zoo groote uitgestrektheden heerschend.”

Gemeenlijk neemt men aan, dat de Loet een oude binnenzee is geweest. Die meening is onder anderen gegrond op het bestaan van een werkzamen vulkaan, te Sarhad, van den uitgedoofden vulkaan Koeh-i-Bazamn, en op veel legenden.

Ik ben ook van oordeel, dat door de moordende oorlogen, waar Perzië onder heeft geleden, de grenzen der woestijnachtige streken uitgebreid zijn. Perzië is een woestijn met dorpen, waartusschen zich enkele bebouwde mijlen uitstrekken en die met moeite door middel van irrigatie worden in stand gehouden. Als er geen water meer is, gaan de dorpelingen heen, en omgekeerd, als de dorpsbewoners gedood zijn, raken de kanalen en waterleidingen verstopt, en de woestijn wordt grooter.

Buiten de Loetwoestijn zijn er gebieden in Perzië, waar men drie of vier dagreizen lang geen enkel dorp ziet. Al die kleine woestijntjes lijken op de groote. Ik moet er bijvoegen, dat, zooals uit alles blijkt, de regenhoeveelheid verminderd is. Oorzaak en gevolg van dat feit is, dat het land zoo goed als in ’t geheel geen boomen heeft. De twee groote zaken, waaraan Perzië behoefte heeft, om materiëel een herleving te ondergaan, zijn het water en het woud.

Ik heb de pretentie, die ik meen dat gerechtvaardigd is, dat ik de eerste Europeaan ben, die dit deel van de Loetwoestijn doorkruist heb, hoewel ik op het oogenblik dat ik de zaak in studie nam, meende, dat ik de sporen van Marco Polo volgde. Buitendien biedt de weg, als men de noodige voorzorgen neemt, geen groote moeilijkheden aan, ten minste gedurende zeven maanden van het jaar. Het is de hoofdweg van Kirman naar Mesjed, en bij gevolg wordt hij nu door duizenden reizigers, vooral pelgrims, betreden.

Voorbij Toen sloegen wij de richting van het Zuiden in, en nadat wij de bebouwde streken achter ons hadden gelaten, kwamen we in een district van lage, door de zon verbrande, zwarte heuvels. Alle vier mijlen troffen wij waterreservoirs, bekend onder den naam van hauz en bestaande uit onderaardsche [168] gewelven, waarin men langs trappen neerdaalt. Het water, dat erin is, smaakt gewoonlijk slecht en in droge jaren vindt men er vaak niets in.

Gedurende den tweeden dag zagen wij, terwijl we met moeite door de vlakte voortsukkelden, een keten met besneeuwde bergen, die op geen enkele kaart stond aangeduid. Den dag daarna waren we bij het dorp Dahuk in een inzinking van dat gebergte, dat wel 2700 M. hoog moet zijn en Moer Koesj heet.

Moskee te Mesjed.

Moskee te Mesjed.

De inwoners vertoonden een verbazende nieuwsgierigheid, en geen wonder, want zij zagen voor het eerst Europeanen in hun land. Die belangstelling was nog grooter geworden, daar ze, naar hun zeggen, van pelgrims hadden gehoord, wat voor wonderen de Farangi’s konden verrichten en tot stand hadden gebracht, vooral te Bombay.

Dit deel van de Loetwoestijn was veel dichter bevolkt, dan wij gedacht hadden. Wij gingen door de dorpen Arababad en Zenagoen, van waar een vijftig mijlen lange weg ons naar Naïband voerde. Wij hielden stil te Ab-i-Garm, een echte havir maar van een abnormaal type. Het omliggend district werd gedraineerd door het moeras, waarin zich brak water bevond. Er waren veel tamarinden, enkele stuks hoornvee aten van het harde gras en wij schoten eenige eenden.

In den avond verloren wij in een storm het paadje, dat onzen weg verbeeldde. Toen ik bespeurde dat we geen water meer hadden, en daar wij niet wisten hoe ver Naïband nog verwijderd was, ging ik den volgenden morgen bij het aanbreken van den dag er alleen op uit te paard, om mijn gezelschap water te kunnen toevoeren.

Bij een bocht van den weg had ik eensklaps een vizioen van een feeënland. De bergen aan de overzijde waren bedekt met palmboomen, die hun kruinen wiegden op de lucht en waarmee het groene koren de liefelijkste tegenstelling vormde. Op een hoogte stond schilderachtig een oud rood fort. In het bosch van palmen binnentredend, zag ik in alle richtingen waterstroomen. Ruime grotten maakten de omgeving nog aantrekkelijker en mooier.

Ik zond mijn reisgezellen een hoeveelheid water, en weldra kwamen zij ook zelf. Wij sloegen ons kamp op bij den top van den berg, waar wij tusschen de groene palmen de gele woestijn zagen liggen, de brandende Loetwoestijn, die zich tot den horizon uitbreidde. Ik hoorde, dat het dorp Naïband twee eeuwen geleden als vooruitgeschoven post tegen de Beloetsjen gebouwd werd. Wij kwamen nu in het gebied der strooptochten van dat volk.

Daar de muildieren rust behoefden, bracht ik twee dagen door met een onderzoek van het naburig gebergte, dat bijna 2800 M. hoog was. Water vond men er zoo goed als niet. [169]

De leden der zoroastrische gemeente te Kirman.

De leden der zoroastrische gemeente te Kirman.

Onze volgende etappe zou veertig mijlen bedragen. Zij voerde ons door echte steden van Lot, heuvels met steile hellingen, die vizioenen wekten van torens en huizen en menschelijke gedaanten in een schitterenden maneschijn. Wij bereikten dien dag de karavanseraï Darband, bewaakt door een eenzamen soldaat, die zijn kost verdient met het verkoopen van proviand tegen hongersnoodprijzen. Den volgenden dag kwamen we in ’t stadje Rawar, dat 8000 inwoners telt en beroemd is om zijn vijgen en granaatappels, terwijl het tevens een middelpunt is van de tapijtindustrie. Te Ab-Bid zagen wij ons plotseling omringd door een bende Arabieren, die, nadat ze bij ons tevergeefs om geld hadden aangeklopt, besloten de karavanseraï te plunderen. Twee mannen kwamen ons dat vertellen en smeekten ons hen te helpen, om hun bezit terug te krijgen. “Heel graag,” was ons antwoord, en het was een waar genoegen de bandieten te dwingen het gestolene terug te geven. In het begin trokken ze hun messen, maar het zien van onze revolvers joeg hun schrik aan en ten slotte gaven ze alles af wat ze gestolen hadden.

Ons volgend kamp lag te Hur, een gehuchtje, waar oorspronkelijk enkele soldatengezinnen woonden, die daar waren geplaatst om het land te bewaren voor de invallen en strooptochten der Beloetsjen. Vervolgens kwamen onze etapen van Gwark en Tejen. Vóór we Khabis bereikten, ging de weg door den beroemden pas Kar-i-Sjikan of pas van den Dood der ezels. Een enorme rots sluit hier den weg af, zoodat men alle lastdieren moet ontlasten en hun lichte vrachten moet laten dragen. Een weinig dynamiet zou voldoende zijn, om dadelijk dat euvel te verhelpen.

Het stadje Khabis, waar wij toen aankwamen, heeft ongeveer 8000 inwoners; het brengt uitnemende dadels voort, oranjes, henneh, de veelgebruikte verfstof, en is een druk bezocht winterstation. Het stadje was vele malen in handen der Afghanen, voor de Kadjaren-dynastie in Perzië stevig gevestigd was. De reverend A.R. Blackett van de Church Missionary Society, die als predikant en zendeling Khabis in 1900 heeft bezocht, vertelt mij, dat hij er de ruïnen heeft gevonden van wat waarschijnlijk een christelijke kerk was, onder een groep gebouwen een mijl ten oosten van de plaats.

Vóór wij te Kirman kwamen, moesten wij nog de Koehpara-keten passeeren over een hoogen pas; we kampeerden in het dorpje Amarestan en bereikten den volgenden morgen de Kirman-vlakte. Het aanzien der oude, perzische stad is niet zeer indrukwekkend, alles is er khaki-kleurig. Langs enkele tuinen en huizen buiten de muren, traden wij voor ’t eerst Kirman binnen, zonder dat ik vermoedde later zooveel met die stad uit te staan te zullen krijgen.

II

De provincie Kirman.—Aardrijkskunde: de flora, de fauna, het bestuur, het leger.—Geschiedenis: invallen en verwoestingen.—De stad Kirman, de hoofdstad der provincie.—Een seizoen op het Sardoe-plateau.

De provincie Kirman is altijd belangrijk geweest sedert haar eerste optreden in de geschiedenis. Waarschijnlijk is, in aanmerking genomen de physieke gesteldheid van het land, hare uitgebreidheid zoo ongeveer dezelfde als voor twee duizend jaar. Aan den anderen kant is ook het verschil uiterst gering tusschen [170] den naam der klassieke oudheid Kermania en dien van Kirman.

Uit aardrijkskundig oogpunt is de provincie, bijna even groot als Frankrijk, van veel belang, al was het alleen om de klimaatsverschillen, de natuurlijke voortbrengselen en de volksstammen, die men er aantreft. Over een groote uitgestrektheid is het land vlak; de palmen groeien er goed; tarwe en gerst rijpen in den winter en worden geoogst in het begin der lente. In sommige streken, in Djiruft bij voorbeeld, vormen mooie plateaux, die tot 2700 M. hoog worden, het zuidelijkste gedeelte van het perzische bergstelsel, waarin de bergketenen zoo ongeveer in noordwestelijke richting loopen. In het Zuiden van Kirman treft men toppen aan, die bijna tot 5000 M. reiken. In het Noorden en Oosten der provincie vermindert de hoogte geleidelijk, maar de bergen dicht bij de hoofdstad zijn hoog, om echter al spoedig voor de lage, eenzame vlakte van de Loetwoestijn plaats te maken.

De beste beschrijving, die men van de geheele provincie kan geven, is, dat zij voor een deel zuiver woestijnachtig is en voor een ander deel verscheiden oasen vertoont. Zoo breidt zich de woestijn wel ten westen, ten zuiden en ten oosten van Kirman uit, maar op een afstand van eenige mijlen vindt men kleine dorpen en hier en daar grootere nederzettingen, in stand gehouden door bronnen, die in ’t bergland opborrelen en welker water door kanats naar de vlakte wordt geleid.

In sommige gevallen kan de eerste bron zich wel op 120 M. diepte bevinden, en nieuwe putten moeten dan gegraven worden op kleine onderlinge afstanden. Het is onmogelijk, de geduldige vlijt der boeren niet te bewonderen, die erin slagen hun bestaan te verzekeren met zoo groote inspanning. Dikwijls kan een hevige regen of een zandhoos de kanalen verstoppen.

Natuurlijk zijn de rivieren van geen beteekenis. Alleen de Halil Roed verdient te worden genoemd. Zij ontspringt ten zuiden van de groote keten, die ik noemde, loopt door het district Djiruft en stort zich in de Bampoer. Er is tot heden geen poging gedaan, om het water voor besproeiïng te gebruiken.

Ook heeft men geen voordeel weten te trekken van den regenval. Daar die te Teheran ongeveer 25 cM. bedraagt, mag men voor Kirman een gemiddelde hoeveelheid van 17 cM. aannemen of iets minder. Maar er zijn op dat punt groote verschillen tusschen de districten. Dat van Djiruft is het meest begunstigd.

Op de hooge plateaux wordt het begin van ’t voorjaar bedorven door aanhoudende hevige winden en stormen, die uit het zuidwesten geweldige massa’s stof aanvoeren. De onweersbuien zijn in goede jaren talrijk. Te Kirman zijn de dagen in het midden van den zomer warm, maar de nachten zijn aangenaam, en er is in den namiddag meestal wat wind. De hitte is voorbij tegen het einde van September. Na de herfstnachtevening is er meestal eenige dagen lang mist en nevel. Dat zal wel de mist zijn, waarvan Marco Polo zegt: “En gij moet weten, dat als de Caraona’s een strooptocht willen doen, zij sommige tooverspreuken bezitten, waardoor ze duisternis kunnen brengen over het aangezicht van den dag, zóó dat ge nauwelijks uw buurman, die naast u rijdt kunt herkennen, en zij kunnen die verduistering tot zeven dagen doen duren.”

Op deze uitzondering na is de herfst verrukkelijk, ofschoon de Perzen de temperatuur te laag vinden en er koorts van krijgen. Dat laat zich verklaren, daar zij teveel vruchten eten. In den winter vriest het sterk en meestal is de lucht volkomen helder. Gewoonlijk valt er eenige regen tegen het eind van November en een weinig sneeuw valt in December. In Januari heeft men, als het een goed jaar is, drie of vier dagen van zwaren sneeuwval; maar de sneeuw smelt spoedig in de vlakte. Zoo zingt de dichter Omar Khaygam: “De hoop der wereld, waar de menschen hun hart op stellen, wordt asch of wordt werkelijkheid; maar dan, evenals de sneeuw op de stoffige woestijnoppervlakte, schittert zij een kort oogenblik en verdwijnt.”

Maar toch zou zonder de bergen, die de schatten aan sneeuw bewaren voor de tijden van nood, zuidoostelijk Perzië volkomen onbewoonbaar zijn. In Garmsir zijn de wintermaanden zeer aangenaam, maar zelfs in Maart wordt een tent verbazend warm, en de zomer is drukkend en ongezond, ofschoon op vele plaatsen gemakkelijk bestijgbare bergen koelte bieden.

De bevolking van deze groote provincie telt misschien 750,000 inwoners, die men kan verdeelen in lieden met vaste woonplaatsen en in nomaden; de laatsten zijn zeer talrijk. De menschen uit de steden en dorpen zijn voor het meerendeel Iraniërs. De horden der overweldigers, die achtereenvolgens kwamen opdagen, hebben bijna altijd een zwervend leven geleid, een leven zoo ongeveer als ons in het Boek Job wordt beschreven.

De reiziger, die uit Europa komt, vindt de onvruchtbaarheid van het land verschrikkelijk, en wat treurig mag heeten, zij is bezig toe te nemen. Naarmate de bevolking zich meer aan vaste woonplaatsen gewent, raakt de voorraad hout meer uitgeput, vooral door het werk der kolenbranders. Steenkolen zijn er in het land niet, en op bijna geen enkelen berg vindt men een echt bosch. Meestal treft men min of meer verspreide boschjes aan van struiken; die de gomsoort tragacanth leveren of de assa foetida, die in de apotheek gebruikt wordt. Op de bergen groeien, naar men mij zeide, allerlei Alpenplanten.

Reizen in Zuid-Perzië beteekent gewoonlijk gaan over een grond, die een verblindend licht terugkaatst tusschen steenachtige hoogten. De vermoeide reiziger begroet met geestdrift elk klein beekje, zelfs een stumperige wilg lijkt hem een bewonderenswaardig ding bij zoo groote uitgestrektheden zonder boomen.

Tegenwoordig wordt nog, als in de oudste tijden der perzische monarchie, elke provincie bestuurd door een gouverneur-generaal, die voor de inning der belastingen aansprakelijk is en zich verplicht, aan den shah een pikasj of officieel geschenk aan te bieden. De ministers ontvangen daarbij ook gratificaties. Dank zij der gewoonte, om salarissen uit te betalen aan de afstammelingen van bijna alle ambtenaren en aan elken khan, kan het gebeuren, dat alle inkomsten [171] eener provincie op de plaats zelve worden opgebruikt. Er is mij verzekerd, dat een der ambtenaren 172 jaargelden genoot voor zich en zijn bloedverwanten.

Om in de provincies de orde te bewaren, zijn in elk twee regimenten infanterie geplaatst, waarvan vier compagnieën ongeveer altijd onder de wapens zijn. Er zijn ook een klein aantal artilleristen met enkele veldbatterijen. Bam en Narmasjir hebben te zamen één regiment, waarvan de helft in garnizoen is in Beloetsjistan. De soldaten zien er over ’t algemeen goed uit en zijn flink gehard. Maar hun wapens laten te wenschen over, terwijl de roovers meestal Martini-geweren bezitten.

Volgens Herodotus vormden de Kermanii een der twaalf stammen van Perzië, en de provincie Kirman maakte deel uit van de veertiende satrapie. Strabo beschrijft ze reeds als vruchtbaar. Zooals wij zoo aanstonds zullen zien trok Alexander er doorheen van ’t Oosten naar het Westen. Ik heb in ’t geheel geen melding zien maken van Kirman in den tijd der Parthen; maar de provincie werd beroemd, toen na de verovering van Fars zij vermeesterd werd door Ardechis, zoon van Papak, stichter van de nationale dynastie der Sassaniden, die stand hield tot den tijd der arabische overheersching. Gedurende de regeering van dit vorstengeslacht genoot deze provincie, die van de west- en de noordgrens verwijderd lag, een volkomen vrede.

Op het tijdstip, toen de Nestorianen in Perzië veel aanhang kregen, werd Kirman een diocees, dat afhankelijk was van den metropolitaan van Fars. Merkwaardig genoeg, was Perzië zoozeer één geworden met het christendom, dat in China een decreet van keizer Iwentsoeng de kerken aanduidt met den naam van “perzische tempels”.

De laatste der sassanidische koningen, de ongelukkige Yezdigerd, terug moetende trekken voor de soldaten van Omar, hield eenigen tijd te Kirman verblijf, vóór hij naar de woestijn vluchtte.

De opstand, die in Perzië plaats had na Omars dood, hechtte de banden, door de verovering door de Arabieren gelegd, nog steviger vast, vooral voor de provincies, die het dichtst bij het centrum van het bestuur lagen, zooals met Kirman het geval was. Er werden forten gebouwd en arabische kolonies gesticht, met name in de warmste deelen van het land, daar de aanhangers van Zoroaster nog de hooge plateaux bezet hielden, die te koud waren voor de Arabieren.

Wij zullen de geschiedenis van Kirman niet vervolgen gedurende de twee eeuwen van arabische overheersching en na de stichting van nationale dynastieën, onafhankelijk van het kalifaat. Dat zou de geheele historie van Perzië uit dien tijd moeten zijn. Kirman zelf had enkele onafhankelijke bestuurders, Aboe Ali, een rooverhoofdman en de dynastie der Deïlamiten. En dan in den tijd der veroveringen door de Seldsjukken, die op den dood van sultan Mahmoed de Ghazna volgden, stichtte Malik Kaward, zoon van Sjaker-Beg, zich een rijk uit de provincie Kirman; zijn dynastie hield anderhalve eeuw stand. Deze periode heeft twee historie-schrijvers zien geboren worden, wier werken niet in een europeesche taal zijn vertaald. De twee belangrijkste souvereinen van deze dynastie waren Malik Shah en Arslan Sjah. Die laatste bracht gedurende een regeering van veertig jaren veel verbeteringen in Kirman aan, zoodat men die provincie best bij Khorassan kon vergelijken en bij Iran. Karavanen kwamen er heen uit alle richtingen en trokken door het land, terwijl Fars en Oman aan Kirman onderworpen waren. Togroe Shah volgde hem op; maar bij zijn dood bracht de oneenigheid tusschen zijn drie broeders de provincie tot een staat van verval.

Zij werd toen vermeesterd door den stam der Ghazzen, die Merw hadden geplunderd en de streek binnen korten tijd tot een woestijn maakten. Deze stam werd ten slotte ten onder gebracht door het leger van den atabeg Sed-bin-Zangi, en van dien tijd af herstelde zij zich niet weer van de geleden rampen. Thans wonen er de Raï’s, een onbelangrijke nomadenstam.

Kirman had het zeldzame voorrecht te ontsnappen aan de verwoestingen van een verovering door Mongolen, het ergste lot, waarvan de geschiedenis gewaagt. Maar toch bleef de inval van Gengis-Khan niet zonder indirecten invloed op zijn lot. Een officier van den khan der Kara-Kitaï, namelijk Borak Hadjib, die door de provincie trok en zich verbeeldde haar gouverneur te zijn, vroeg en verkreeg de erkenning van Gengis-Khan. Hij stierf in 1234. Hij werd vervangen door zijn neef en schoonzoon Koet-boe-din, die, nadat hem het gezag betwist was door zijn schoonbroeder, de nieuwe gouverneur werd en in 1258 stierf aan de gevolgen van een wond, hem door den stoot van een bok toegebracht in de Djoeparketen in hetzelfde jaar, waarin khalief Mostasim-Billa ter dood was gebracht door Hoelagoe, zoon van Gengis-Khan.

Op Koet-boe-din volgde zijn vrouw, onder wie het land tot bloei kwam. Zij stichtte dorpen en liet putten graven, en zij zetelde op den troon, toen Marco Polo door het land reisde op zijn terugweg. Zij stierf in het jaar 1282. Een andere vrouw, die over Kirman regeerde, was Padsjah Katoem, een merkwaardige vorstin, die een goeden naam had als dichteres. In deze periode werd het eiland Ormoezd schatplichtig aan Kirman. In 1470 werd de provincie Kain vereenigd met Kirman, en drie jaar later werden beide bij Fars gevoegd onder het gouverneurschap van Shah Kalib. Zij deelden in het lot van het overige rijk.

In October 1894 kreeg ik de opdracht een consulaat te vestigen te Kirman en in Perzisch Beloetsjistan. Ik nam die met genoegen aan, ofschoon er geen groote financiëele voordeelen aan verbonden waren, en ik begaf mij erheen in gezelschap van mijn zuster, die haar reisindrukken heeft weergegeven in haar werk, dat den titel draagt Through Persia on a side saddle. Wij begaven ons naar onzen post over Enzeli, Teheran, waar wij eenigen tijd bleven, Koem, Kasjan, Yezd en Bahramabad.

Op vier mijlen afstands van Kirman kwam een generaal mij welkom heeten en bood mij thee aan in zijn tent. De omstreken der stad hebben buitendien ook eenige theehuizen. Tot mijn groote verbazing zag ik een microscopisch paardje aankomen, met schitterend fluweelen dekkleed en gouden tuig. [172] Op dat beestje moest ik mijn entree maken in de stad. De Sahib Dwan had het speciaal voor mij gezonden. Gelukkig kon ik die moeilijke verplichting van de hand wijzen, door te zeggen, dat, daar ik in uniform gekleed was, ik genoodzaakt was, mij te bedienen van een militair zadel, en dat mijn zadel natuurlijk niet paste voor zulk een kleinen pony.

Toen wij het daaromtrent eens waren geworden, ging het in optocht naar de stad met wanhopige langzaamheid en voorafgegaan door een troep van ongeveer tweehonderd ruiters en talrijke bij den teugel geleide paarden. De hindoesche kooplieden en de zoroastrische gemeente heetten ons welkom. Bij de westelijke poort klonk een fanfare, en een honderdtal menschen liep mee met den stoet, die langzaam door de nauwe bazars ging, waar alle handel stilstond.

De tuin, die voor het consulaat gehuurd was, lag een mijl buiten de wallen, maar ten slotte bereikten wij dien toch. Wij werden een trap opgeleid en weer werd ons thee gepresenteerd. Daarna vertrokken tot mijn groote verlichting allen, die aan de istikbal of receptie luister hadden trachten bij te zetten.

De hoofdstad van de provincie Kirman is reeds van den aanvang af een belangrijk middelpunt geweest; maar het is zeker, dat het oude Karmana niet op dezelfde plek lag als de tegenwoordige stad. Zooals met zooveel steden in Perzië het geval is, hangt ook Kirman van de putten of kanats af voor zijn watervoorziening. De plaats ligt in een inzinking, nog altijd 1730 M. boven het niveau der zee, aan den voet van een kalkgebergte, dat geheel door woestijnen omgeven is; maar daar er veel wegen samenkomen, is er een middelpunt voor den handel ontstaan.

Koerdische vrouwen van den oever der Kaspische Zee.

Koerdische vrouwen van den oever der Kaspische Zee.

Als men van het Oosten te Kirman komt, lijkt de stad een vrij verwarde opeenhooping van minarets en moskeeën, met bijna overal ruïnen eromheen. De beide forten, die de stad beheerschen, waren vroeger middelpunten van verkeer. Aan de westzij ligt een mooier gedeelte, de Bag-i-Ziriss, waar veel tuinen zijn, een soort van uitspanningsoord, dat een oppervlakte van 250 hectaren beslaat. De tegenwoordige stad Kirman is omgeven door een muur in goeden staat, met zes poorten, waarvan één, bekend onder den naam Sultani, het werk moet zijn van Sjah Roek. De vorm der stad is onregelmatig; de middellijn van oost naar west bedraagt juist een engelsche mijl of 1609 M., die van noord naar zuid is een paar honderd meters langer. Er zijn vijf wijken, met de namen Sjahr, Khodja-Khizr, Koetbabad, Meidan-i-Kala en Sjah-Actil; men kan er de drie buitenwijken Gabri, Mahoeni en Yoe-Moedi nog bijvoegen.

Aan den westelijken muur grenst het Fort, waar de gouverneur-generaal resideert. Daar zijn ook het telegraafkantoor, de kazernen en het arsenaal. Die gebouwen zijn voor het meerendeel modern; ze zijn mooi en goed onderhouden. Een groote tuin omgeeft de particuliere vertrekken van Zijne Excellentie.

Tot 1896, het jaar toen het door een aardbeving verwoest werd, was het merkwaardigste gebouw van Kirman de Koeba Sabz of Groene Dom. Het was het graf van de dynastie der Karakhiten; het was een eigenaardig cylindrisch monument, bijna 16 M. hoog met groenachtige mozaieken, terwijl de vloer van binnen sporen van veel goud vertoonde.

Niet ver van daar is een steen, die prachtig gebeeldhouwd is en waarop verzen van den Koran staan. Hij is gevoegd in den muur van een vierkant gebouw, gedekt door een koepel en op dezelfde wijze versierd als de Koeba Sabz. Een gewelf eronder schijnt er op te wijzen, dat het ook een graf is geweest, maar de eenige inlichting, die ik op dit punt te Kirman krijgen kon, was dat het gebouw der Khodja-Atabeg of Sang-i-Atabeg heette.

Kirman, dat in de oostersche talen Das-ul-Aman heet, dat is “Woning des Vredes” kan met de voorsteden een bevolking van een weinig minder dan 50,000 zielen tellen. Uit godsdienstig oogpunt is zij aldus over de verschillende secten verdeeld: sjiiëtische Mohammedanen 37,000, sunnietische 70, Babi’s Behaï 3000, Babi’s Ezeli 60, Sjeikhi’s 6000, Soefi’s 1200, Joden 70, Zoroastriërs of Persen 1700, Hindoes 20. [173]

De Babi’s, aanhangers van Mirza-Ali-Mohammed van Sjiraz, in 1848 ter dood gebracht, maken in ’t geheim tal van proselieten. Zij hebben verheven principes, willen vriendschappelijke betrekkingen tusschen alle menschen, afschaffing van godsdienstoorlogen, studie van nuttige wetenschappen enz. De uitbreiding van de leer der Babi’s zou voor de wedergeboorte van Perzië veel goed kunnen doen. Zij zijn verdeeld in Ezeli’s of Behaï’s, al naarmate zij de leer van Mirza-Yahia, sub-i-Ezel, den opvolger door den stichter der leer zelf aangewezen, zijn toegedaan of volgelingen van Mirza-Husein-Ali, Beha Ulla, zijn ouderen broeder, die zich in 1866 tot hoofd der sectie opwierp.

De secte van de Sjeikhi’s heeft, ofschoon men het tegendeel heeft beweerd, veel overeenkomst met die der Babi’s. Zij is gesticht door Sjeik Ahmad, d’Ahsa of Lahsa op de Bahreineilanden, die ongeveer 1750 werd geboren. De secte telt 7000 volgelingen in de provincie Kirman en 50,000 in Perzië. Het tegenwoordige hoofd is Hadji Mohammed Khan, een man met vriendelijke, wellevende manieren, die een uitgebreide wereld- en menschenkennis bezit, aangenaam is in den omgang en vrij blijkt van alle dweepzucht.

Inlandsche soldaten van het engelsch consulaat te Kirman.

Inlandsche soldaten van het engelsch consulaat te Kirman.

De Joden uit Kirman zijn er ongelukkig aan toe. Het zijn kleine kooplui, bespottelijk inhalig en op hun voordeel uit. ’t Is een tak van een grootere kolonie, te Yezd gevestigd en die uit Bagdad gekomen moet zijn.

De Zoroastriërs, interessant omdat zij aanhangers zijn van zulk een ouden eeredienst, zijn ook belangwekkend om de zuiverheid van hun bloed. Het zijn echte Iraniërs zonder die mengeling van arabisch bloed of van mongoolsche en turksche elementen, door achtereenvolgende invallen in Perzië ingevoerd. Zij vormen een schooner en gezonder ras dan hun muzelmansche geloofsgenooten. Hun broeders in den geloove uit Bombay geven een voorbeeld van physieken achteruitgang, waarschijnlijk teweeggebracht door het klimaat van Indië.

Uit industriëel oogpunt was Kirman tot voor weinige jaren uitsluitend bekend om zijn sjaals, maar tegenwoordig nog meer om de tapijten. Die weergaloos mooie producten van zijn weefstoelen worden geweven uit zijde en wol, en de fijnheid, de schitterende kleuren maken ze inderdaad tot de schoonste ter wereld; alle andere weefsels schijnen daarnaast banaal. De modellen zijn zeer oud en dagteekenen blijkbaar uit den vóór-mohammedaanschen tijd. Er komen dikwijls menschenfiguren op voor, maar meer gestyliseerde bloemen, alles met een prachtige mengeling van kleuren.

Te Kirman zelf telt men ongeveer een duizendtal van die weefstoelen. Elk tapijt wordt gemaakt door een meester-wever en twee of drie kleine jongens, die naar een formule werken, welke zij opzeggen en die veel verouderde woorden bevat. Het wordt beweerd, dat die formules van mond tot mond zijn gegaan, overgeleverd van den vader op den zoon, eeuwen en eeuwen lang. Er worden geen vrouwen, noch meisjes aan dit werk gezet. [174]

Anilineverfstoffen, die de tapijtindustrie onder de nomaden bijna onmogelijk hebben gemaakt, worden zorgvuldig vermeden.

De sjaal wordt geweven uit geitehaar of wol. Evenals bij de tapijten, worden de modellen van buiten geleerd; maar het werk is veel fijner en kan alleen door kinderhanden worden verricht.

Andere industrieën van minder beteekenis zijn de fabrieken van vilt, van abba’s, dat zijn overkleeden van arabischen oorsprong en veel door de Perzen gedragen, van voorwerpen uit brons gemaakt, enz.

Mijn verblijf te Kirman is altijd zeer aangenaam geweest; nergens ter wereld zouden wij met meer achting behandeld hebben kunnen worden, en naar mijne meening zijn de beleedigingen, die Europeanen zoo dikwijls den Perzen naar het hoofd slingeren, volkomen onverdiend. De Perzen zijn over ’t algemeen bijzonder beleefd en geestig, en hun vlugheid van begrip en repartie zijn spreekwoordelijk. Ze zijn als Franschen door hun beleefdheid en hun zin voor complimentjes, en als Engelschen in zoo ver zij het ’t beste gebruik van geld achten, als ze het aan voedsel en aan kleêren besteden.

De opvoeding der jeugd is tot hiertoe schandelijk verwaarloosd; maar men kan tegenwoordig daaromtrent een heilzame ontevredenheid opmerken, waardoor men later aan de kinderen nog wat anders zal onderwijzen dan spreuken uit den Koran, die, daar ze in ’t arabisch vervat zijn, niet eens door hen begrepen worden. Thans is de positie van een schoolmeester er even slecht als in het Engeland der 17de eeuw, en de betaling gelijkt op die van een huisbediende. Het is dus niet verwonderlijk, als men meesters ontmoet, die leeren, dat Londen de naam is van een land, waarvan een der steden de Atlantische Oceaan is!

In Juni begonnen de nachten warm te worden, en mijn zuster leed veel onder de aanvallen der muskieten. Dus besloten wij van verblijfplaats te veranderen. Men had ons een koeler streek aangeraden. Daar ik er zeer op gesteld was, den weg van Marco Polo terug te vinden, besloten wij, ons eerst naar Koeh-i-Hazar te begeven of den “berg der tulpen”, daarna Sardoe een bezoek te brengen, waar ik zeker was, dat de groote Venetiaan vertoefd had.

In vier étapes waren wij aan het dorp Hazar gekomen, en wij kampeerden middenin de bergen op een hoogte van 3300 M. Ik kon er heerlijk jagen; de bergstreek was bewaard gebleven voor den gouverneur-generaal, en er was in verscheiden jaren geen jachtgeweer afgeschoten.

Op een dag volbrachten wij met mijn zuster de bestijging van den berg met den langen oosterschen naam die “Heiligenberg” beduidt. Het was de tweede in hoogte van de toppen van Zuidoostelijk Perzië, 4180 M. hoog. Op den top was een kapelletje, waarin een collectie munten werd bewaard, waaronder één met het beeld van koningin Victoria en het jaartal 1837.

De lucht was volkomen helder, en het panorama verrukkelijk mooi. In het Noorden zagen wij de hoekige keten, aan welker voet Kirman ligt; in het Oosten de reusachtige Koeh-i-Hazar, die hooger is dan 4000 M. Het is een prachtige berg, op den weg naar Beloetsjistan op meer dan 100 mijlen afstands zichtbaar en in staat om de oogen van meer dan één Kermani van trots te doen stralen. In het Zuiden liggen Sardoe en de reeks groote ketenen, die onder verschillende namen het plateau van Iran dragen. Bijna naar elke richting van den horizon hadden wij een inderdaad nooit door Europeanen betreden land voor ons; op de kaarten zijn enkel hoofdwegen aangegeven, en aan beide kanten ervan heeft men op korten afstand totaal onbekende streken.

Van daar gingen wij naar het plateau van Sardoe. Te Rahboer brachten wij een bezoek aan den gouverneur, en we ontmoetten ten zijnent een grijsaard van den stam der Mehni, die beweerde 125 jaar oud te wezen. Zijn gelaat had de kleur van was; zijn haren geleken zilverdraad.

Bij het verlaten van Rahboer hielden wij bij benadering een oostelijke richting en gingen over verschillende armen der Halil Roed, waarvan één vrijwat dieper was, dan wij hadden gewenscht. Des nachts hielden we stil bij een tuin, waaromheen een vijftigtal gezinnen kampeerden. Het was de maand Moharram, en uren aaneen moesten wij het klaaglied uit de Lijdensweek aanhooren. Toch kwam er tot onze groote voldoening een eind aan, en het had wel iets van een grappige vertooning, toen wij de opvoeringen overal weer aantroffen. Dit was eigenlijk de eenige maal, dat ik in Perzië iets anders dan echte vroomheid bij de godsdienstige plechtigheden zag; maar de nomaden zijn over ’t algemeen minder stipt in de opvolging der voorschriften van den godsdienst dan de menschen met vaste woonplaatsen.

De volgende dagreis voerde ons door het vruchtbare district Herza, waar de vele boomen een aangename tegenstelling vormden met de gewone kaalheid der velden. Over een pas van 2700 M. gaande, bereikten wij geleidelijk door golvende tarwevelden Dar-i-Mazar, hoofdstad van Sardoe. Men ziet er een goed onderhouden heiligdom ter eere van sultan Sejid-Ahmad-Saghis, die van den imam Moesa afstamt. Het omringende terrein is eigendom van het heilige gebouw, en boeren, die zich sjeiks noemen, zijn zoo goed als de eenige vaste bewoners van het district, daar de nomaden, ten getale van vierhonderd gezinnen ruim, in deze streken slechts de weinige zomermaanden doorbrengen. Rondom het heiligdom ziet men een twaalftal winkels, en een badhuis is er onlangs verrezen. Eenige Kermani waren er van het heerlijk koele klimaat komen genieten.

Wij kampeerden verderop bij den pas van Sarbizan, waar men de ruïnen van een karavanseraï vindt, gebouwd door den zevenden Seldsjukkensultan Malik Mohammed. Het was er best jagen, en wij zouden er wel een maand hebben willen blijven. Maar de Sahib Dwan was teruggeroepen, en zijn opvolger werd plechtig geïnstalleerd, en dus moesten wij te Kirman terugkeeren vóór de aankomst van Zijne Hoogheid.

Een weinig vóór Kerstmis 1895 kwamen twee Duitschers, die gewed hadden een reis om de wereld te doen en daarbij hun eigen kost te verdienen, te [175] Kirman aan. Het zou voor onze kolonie een slechten indruk hebben gemaakt, dat Europeanen bedelden, dus achtte ik mij verplicht den reizigers zooveel mogelijk hulp te bieden. Maar ik kan niet zeggen, dat het mij gespeten heeft te hebben vernomen, dat hun onderneming ten slotte mislukt was; zulke zonderlinge, excentrieke menschen doen niets dan kwaad, vooral in het Oosten. De inlichtingen, die zij geven, hebben meestal geen waarde en kunnen gevaarlijk worden. Bovendien is er geen enkele oosterling, die geen minderwaardige voorstelling van Europeanen krijgt, als hij er ziet, die zonder bedienden reizen en in de eerste de beste plaats hun logies goed genoeg vinden.

III

In Beloetsjistan.—Makran, geschiedenis en aardrijkskunde van de streek.—Sachad.

Op zijn eerste reis in 1893 vertrok majoor Sykes van Kirman, om zich naar Boesjir te begeven aan de Perzische Golf. Van daar volgde hij de kust tot Karatsji, welken post hij verliet, om zijn tweede reis te ondernemen. Toen werd hij vergezeld door majoor Brazier Creagh van den gezondheidsdienst bij ’t leger, door sultan Soekhroe, officier van een cavalerie-regiment uit Pendsjab, door twee sowars van het corps gidsen en door twee hindoesche bedienden. Hij vertelt het volgende van die tweede reis.

Uit Karatsji vertrokken, was onze eerste tocht naar Gwadoer, een bezitting van den sultan van Mascate, waar zich veel ontvluchte perzische slaven ophouden. Den volgenden dag voer onze stoomboot bij mooi, stil weêr de baai van Sjahbar binnen, de veiligste en best toegankelijke haven aan de kust. Voor den zuidwestmoesson is men er beschut door het land van Oman, waar zich het lange voorgebergte Ras Koelab uitstrekt, terwijl in het westen een lange klip een natuurlijken golfbreker vormt. Maar bij de breedte van twaalf KM. en de diepte van wel twintig KM. is het toch nog geen volkomen veilige ankerplaats.

Onze ontscheping ging niet zonder moeite door middel van een inlandsche boot of baggala. Toen we aan land waren, brachten we al onze impedimenta naar ’t naastbij zijnde postkantoor.

Beloetsjistan is de gewoonlijk gebruikte naam van een uitgestrekt gebied, dat maar dun bevolkt is en verdeeld is tusschen Engeland en Perzië. De afgelegen provincie beantwoordt zoo ongeveer aan de zeventiende satrapie van Darius, waarvan Herodotus gewaagt. De groote koning vermeesterde Hapta Sindoe of Pendsjab, waarschijnlijk langs den weg van Beloetsjistan, terwijl een vloot onder bevel van den griekschen admiraal Scylax den Indus afzakte en, zonder zich om de gevaren ter zee te bekommeren, de kusten van Gedrosië en Arabië exploreerde. Die expeditie had plaats in 512 vóór Jezus Christus, en in zekeren zin vermindert zij den roem van Alexander, die zeker niet wist, dat de Grieken al in de zee van Erythrea hadden gevaren, verondersteld, dat zij het hebben gedaan, wat niet bewezen is.

In den tijd van Alexander was de Makrankust bekend als ’t land der Ichthyophagen, en het binnenland heette Gedrosië. Sir Thomas Holdich ziet in het woord Makran een samentrekking van de beide perzische woorden Mahi en Khoeran, vischeters of ichtyophagen beteekenend. Maar ik geloof, dat het woord veel ouder is en ik zou de volgende etymologie voorslaan. De Assyriologen verschillen van meening op het punt of de naam Magan beteekent het Sinaï-schiereiland of de kust van Arabië achter de Bahrein-eilanden met Oman er in begrepen; in elk geval hebben wij het Maka der opschriften, een vorm, die met weinig verandering terug te vinden is in de Mykians of Mekians van Herodotus. Nu was Makran in ’t bijzonder bekend om zijn wortelboomen of mangroven, want het land was gelijk aan de naburige kust, die men de Ran van Katsj noemt, een woord, dat afkomt van het Sanskriet aranya of irina en dat een woestijn of een moeras beteekent. Is het dus niet aan te nemen, dat de oorsprong van dit welbesproken woord Maka irina zal zijn, wat beteekent “de woestijn van Maka”? In Sind is de uitspraak thans Makaran, juist de vorm, dien de beide woorden vereenigd moesten aannemen.

Uit natuurkundig oogpunt breidt Makran zich uit tot de eerste belangrijke keten, die een waterscheiding is. Tot op een dertigtal kilometers van de kust vindt men een zandige vlakte, waar verschillende waterloopen door gaan en die op vele plaatsen met tamarinden is begroeid. Behalve na den regen loopen die rivieren maar voor een deel aan de oppervlakte van den grond. Haar loop wordt dan onderaardsch, ’t geen intusschen het voordeel heeft het water aan de verdamping te onttrekken. Het district moest minder arm zijn dan het is, want de grond is vruchtbaar en wordt voldoende besproeid, terwijl men er uitstekende weiden voor kameelen vindt. Daarachter strekt zich een reeks heuvels uit, laag en afgerond, die meer landwaarts in voor ruwe kalksteenbergen plaats maken, de waterscheiding van Makran.

Sir Thomas Holdich beschrijft het landschap Makran uitstekend in zijn werk The Indian Borderland aldus: “Een eentonige reeks van ketenen, de eene achter de andere als de ribben van een walvisch, zich verheffend boven lage slijkheuvels met hier en daar een zoutige plas en, als eenig versiersel, wat tamarinden met neutrale tinten en gele stengels van vergeten gras van ’t vorig jaar, zoo zag het landschap er uit, dat wij maar al te dikwijls onder de oogen hadden”.

De noordelijke hellingen van het kalkgebergte dalen af naar de rivieren Bampoer en Mesjkil, die geen van beide de zee bereiken. In het Noordwesten loopt de Loetwoestijn tot de rivier Bampoer, terwijl in het Oosten van de Fahradsjvlakte de perzische bergketenen, die van het Noordwesten naar ’t Zuidwesten liepen, eene oost-westelijke richting nemen, die zoo karakteristiek is in Zuid-Beloetsjistan en die voor een deel den achterlijken toestand van die streek verklaart door van de kust den toegang erheen zeer [176] moeilijk maken. Meer naar het Noorden eindelijk ligt het district Sarhad, waar twee naar het Noordwesten gerichte evenwijdige ketenen deze hooge streek afscheiden van de Loetwoestijn in ’t Westen en van de eveneens lage Kharanwoestijn in het Oosten.

Doodentoren van de Zoroastriërs.

Doodentoren van de Zoroastriërs.

Het centrale gedeelte van Beloetsjistan is zeer bergachtig; maar er zijn geen maatregelen genomen, om van den aanwezigen watervoorraad partij te trekken, en het land bestaat uit niet veel anders dan magere weiden. De rivier, de Bampoer, zou tegen een geringe uitgaaf voor irrigatiewerken met gemak een aanzienlijk aantal inwoners kunnen voeden.

Tuinen van Bagh-i-Zirisf, te Kirman.

Tuinen van Bagh-i-Zirisf, te Kirman.

Sarhad, dat enkele jaren geleden nog een echt rooversnest was en nu nog niet veel beters is geworden, heeft veel latente hulpmiddelen op zijn hooge vlakten, die tot Koeh-i-Taftan loopen. Toch is het district bijna niet bevolkt, ofschoon het graven van kanats reeds eenige resultaten heeft gehad en men in het land veel overblijfselen vindt van vroegere cultures. De opening van de spoorlijn van Quettah naar Seïstan zal wel haar werking uitoefenen, langzaam maar zeker. De Engelsche regeering kan niet meer zooals vroeger onverschillig blijven voor de razzia’s. Buitendien begint Perzië zelf er ook de orde te herstellen, en de razzia’s zijn al niet meer, wat ze vroeger waren, toen de Beloetsjen allen doodden, die zij gevangen namen of bij uitzondering hen hielden als slaven en hen verminkten, om hen de lust te benemen, naar hun vroegere woonplaats terug te keeren. [265]

Palmenentuin te Fahradi.

Palmenentuin te Fahradi.

Wij weten niets zekers omtrent den oorsprong der Beloetsjen, want zij hebben geen oude boeken, zijn zeer onwetend en zijn daar trotsch op, zooals de baronnen uit de Middeleeuwen het waren. Sir Henry Pottinger schrijft hun een turkmeensche afkomst toe; maar volgens professor Rawlinson is het woord Beloetsje afgeleid van den naam Belus, dien van een koning van Babylonië, dien men beschouwt als den Nimrod, zoon van den Koesj uit de Schrift. Het woord koesj komt ook wel onder den vorm koessoen voor. In Sjah Nameh van Firdoesi worden de Beloetsjen genoemd als een stam, in Ghilan gevestigd onder de regeering van Nosjirwan. Van daar zijn ze geëmigreerd naar Beloetsjistan door Seïstan. Zeer waarschijnlijk zijn ze van arische afkomst; maar het ras is veranderd door kruising met arabische immigranten, vluchtelingen voor de vervolgingen, die na Hussein’s dood plaats hadden. De hoofden beweren, dat zij van arabische voorouders afstammen, en zij maken ook den indruk te behooren tot een menschensoort, verschillend van die der boeren. De Brahoeïs, die er dan nog zijn, hebben een eigen type; ze zijn klein en hebben een rood gelaat, terwijl de Beloetsjen lang en slank zijn met een langen vorm van hoofd. Die Brahoeïs spreken een taal aan het Tamoel verwant en moeten van dravictischen oorsprong zijn.

Het is belangrijk op te merken, dat verscheiden duizenden Beloetsjen wonen buiten Beloetsjistan, men treft ze veel aan in de grensprovincies van Indië.

De eenige voorislamietische ruïnen, die ik ontmoet heb, zijn de Gorbasta, dikwijls vergeleken bij de Cyclopenmuren van de Grieken. Ze zijn gewoonlijk gebouwd bij den uitgang van een pas en dikwijls moesten zij stuwen zijn voor het water, dat ter irrigatie dient. In sommige gevallen vindt men ze op hellingen, en in vorstelijk Beloetsjistan schijnt een talrijke bevolking voor haar levensonderhoud afhankelijk te zijn geweest van deze dammen.

Maar kolonel Mockler heeft, toen hij een zestigtal kilometers ten noordwesten van Gwadoer reisde, [266] enkele oude steenen gebouwen opgegraven en heeft ook steenen stuwwerken gevonden. Hij heeft mede beenderen ontdekt en aardewerk en steenen messen. In andere gedeelten van Makran heeft hij steenen graven gevonden, maar hij trekt geen enkel besluit uit die ontdekkingen, evenmin als uit de opgravingen, door hem verricht te Bahrein, waar ook gemetselde graven aan het licht zijn gekomen.

Beloetsjistan was schatplichtig aan het oude perzische rijk. Het is zeker, dat Alexander de Groote het van het Oosten naar het Westen doortrok, maar daarna heeft men het eenige honderdtallen van jaren uit het oog verloren. Er is eerst weer sprake van, als men onder de regeering van Nosjirwan besluit, de Beloetsjen voor hun strooptochten te straffen en er groote moordpartijen aanrichtte. Zij hielden zich toen rustig, ten minste gedurende één geslacht, hernamen daarna echter weer hun roofzuchtige gewoonten, en hun onafhankelijkheid is nooit duurzaam bedreigd geworden.

Toen de Mohammedanen kwamen opdagen, werd de provincie Kirman veroverd in de eerste jaren na de Hedsjra, en Beloetsjistan trof weldra hetzelfde lot. Maar het is twijfelachtig, dat het land permanent door de Muzelmannen bestuurd is, vóór het veroverd werd door Yakoeb bin Lais van de Saffaren-dynastie. Deze regeerde over een rijk, dat zich uitstrekte van den Indus tot den Sjat el Arab, maar de voorspoed duurde niet lang, want zijn broeder Amz werd gevangen genomen door Ismaël van het geslacht der Samaniden en te Bagdad ter dood gebracht.

Intusschen bleven de Saffaren nog verscheiden eeuwen in het bezit van Beloetsjistan, en zij vormden in den loop der tijden een vereeniging van opperhoofden. Verschillende arabische reizigers, Masoedi, Istakhri en Ibn Hankal bij voorbeeld, hebbens ons Makran in dien tijd als een bloeiend land geschilderd.

Ten tijde van den inval der Mongolen kwam Djelaleddin van Kheiva uit Indië naar Makran, om zich met de overweldigers te meten, en in 1223 zond Gengis-Khan, toen hij Herat had verwoest, Dehagataï erheen, om Makran te verwoesten, ten einde de verbindingslijnen met Djelaleddin af te snijden.

Op het einde van de 13de eeuw voer Marco Polo op zijn terugweg van China langs Makran; maar het is niet zeer waarschijnlijk, dat de groote Venetiaan op eenige plaats de kust heeft aangedaan.

In 1839 spreekt een intelligent reiziger Hadji Abdoel Nali van de verschillende beloetsjistansche hoofden, die razzia’s houden in Perzië en lachen om de bedreigingen van den gouverneur-generaal van Kirman.

Maar sedert 1844 begint Beloetsjistan zijn vrijheid te verliezen. Twee leden van den stam der Kadjaren werden aangewezen, om het woelige district te besturen, maar zij slaagden niet in hun pogen, en het was de verdienste van Ibrahim Khan, de verovering te voltooien van wat tegenwoordig perzisch Beloetsjistan is. Hij wordt van wreedheid beschuldigd, en hij had inderdaad een zekere neiging om de slaven te exploiteeren; maar men moet rekening houden met alle geschenken, die van hem gevorderd werden en alle geldsommen, die hij moest opbrengen.

Ibrahim Khan ontving de grensregelingscommissie onder bevel van Sir Frederick Goldsmith niet al te vriendelijk, en pas was de commissie, die de perzisch-beloetsjistansche grens geregeld had, vertrokken, of hij maakte zich van Koehak meester, dat niet aan hem was toegewezen. Hij stierf in 1884, na dertig jaren in dezen hoek van Perzië het bestuur te hebben gevoerd. Zijn zoon stierf eenige maanden na hem, en zijn schoonzoon werd gouverneur, maar werd in 1887 vervangen door een Turk, Aboel Fath Khan, om echter weldra weer tot gouverneur te worden uitgeroepen. Deze Zein ul Abidin Khan regeerde, toen ik er in 1893 kwam, en hij had later twee opstanden der Beloetsjen te onderdrukken, één na den moord op den Sjah in 1896, en den anderen in het daarna volgende jaar.

Tegenwoordig, nu de britsche regeering den verkoop van geweren verboden heeft, is Beloetsjistan afhankelijker dan ooit; maar het vooruitzicht is niet schitterend. De luiheid en onverschilligheid van dit volk zijn zoodanig, dat ik meen te kunnen voorspellen, dat binnen honderd jaar na dezen hun leven niet meer dan thans van dat der patriarchen zal verschillen.

Voor onze reis waren, dank zij den heer Lovell, de kameelen gereed. Maar de Beloetsjen hadden geen touwen, en buitendien bleek het uiterst moeilijk, de lasten te verdeelen. Zij beklaagden zich buitendien over de zwaarte der vrachten, die een perzisch muilezeldrijver licht zou hebben gevonden. Wij deden hierbij de belangwekkende waarneming, dat ieder kameel een eigenaar had, en dat er soms een viertal aanspraak maakte op hetzelfde dier.

Wij besloten eindelijk onszelven met de verdeeling der vrachten te belasten, en wij vertrokken laat in den namiddag, om tot Tiz te gaan op twaalf kilometer afstands. Eerst gingen wij door het dorp Sjahbar, waar veel hindoesche kooplieden woonden en waar alles vuil en leelijk was, behalve de enkele boomen, die er stonden; vervolgens bestegen wij geleidelijk het rotsachtige gebergte, dat het dorp scheidt van Tiz. Die laatste plaats is veel beter gelegen dan Sjahbar, daar zij zich bevindt aan den uitgang van den hoofdweg naar het binnenland over Kasakand, die volkomen den weg langs de kust beheerscht, welke oostwaarts in zigzag van het gebergte daalt en naar het Westen door een opening tusschen de rotsen de zee bereikt.

Het was te laat, om de ruïnen te gaan zien, die trouwens nu uit niet anders bestaan dan een duizendtal graven. Wij hadden nog juist den tijd een blik te slaan op het oude perzische fort, twintig jaar geleden gebouwd, om Sjahbar, door de Perzen veroverd op een arabischen sjeik, te beschermen; kort daarna werd het reeds door het garnizoen verlaten.

In 1188 van onze jaartelling was Tiz blijkbaar een groote haven; de karavanen, die van het Westen kwamen, volgden dien weg, toen tengevolge van plaatselijke troebelen de haven van Ormoezd geblokkeerd was. Hun weg leidde blijkbaar van Irak naar Kirman en van daar naar Bampoer, Kasakand en Tiz; de andere weg, die mogelijk was, namelijk [267] over Geh bood teveel moeilijkheden voor de karavanen. De belangrijkheid van Tiz lag ook hierin, dat de plaats het middelpunt was van den suikerhandel in Makran en misschien de uitvoerplaats van het graan uit Seïstan; stellig was het de zetel der kooplieden, die niet tot Ormoezd wilden gaan.

Daar wij ons kamp hadden moeten opslaan in een nauw dal, waar alleen wat water was in een paar vuile poelen, vertrokken wij den volgenden dag in gloeiende hitte en richtten ons naar Parag, een vuil dorpje. Daar wendden we onzen rug naar de zee en naar de telegraaflijn, die dicht langs het strand loopt en veel van vocht te lijden heeft. Daar onze paarden vermoeid waren door hun reis per spoor en per boot, rustten wij eenigen tijd uit in de schaduw der tamarinden, en wij zetten onze reis eerst voort in den koelen avond, waarbij we over een lavavlakte gingen, waar enkele magere katoenvelden te zien waren.

Ons kamp voor dien dag werd opgeslagen in het gehuchtje Noer-Moehamedi. Den volgenden dag dwongen onze Beloetsjen onder voorwendsel, dat hun kameelen, die ’s avonds laat waren aangekomen, rust behoefden, om stil te houden.

Een nieuwe marsch van 25 KM. bracht ons te Pich-Mant, welke naam beduidt “plaats van den dwergpalm”. De bladeren van dien daar veel voorkomenden boom worden voor verschillende doeleinden gebruikt; men maakt er sandalen van, matwerk en manden, daken, touwen enz. “en”, zegt de schrijver van Eastern Persia, “ook mutsen, sabelscheeden, zweepen enz. De gedroogde bessen dienen voor het maken van rozenkransen; de jonge spruiten worden gegeten, en de wortels zijn een uitstekende brandstof, wat een groot voordeel is in het aan hout zoo arme land”.

Toen wij de vlakte achter ons lieten, kwamen wij in een steenachtig dal en van daar over een lagen pas op een plateau. Dien dag streek een zwerm horzels op ons ontbijt neer en at het voor ons op.

De volgende dag bracht ons tot Ziarat, een gelukkig oord, omdat wij er stroomend water vonden, waar onze paarden zich heerlijk aan te goed deden.

De eenige Europeaan, die vóór ons in deze streek is geweest, is kapitein Grant, een van de wetenschappelijke onderzoekers, op aandrang van Sir John Malcolm naar Perzië gezonden in het eerste tiental jaren van de 19de eeuw. Zijn mededeelingen beteekenen niet veel.

Te Ziarat hadden wij de noordgrens bereikt van het kustdistrict, waarvan de versterking, naar ons gezegd werd, voor ongeveer 5000 francs per jaar is toegezegd. Het water der rivier, die een paar mijlen geheel verdwenen was, kwam wat hoogerop weer te voorschijn, en wij gingen door een reeks kleine gehuchtjes en dadelboschjes, om ten slotte te Nokinja stil te houden, waar wij ons bundels groene rijst konden aanschaffen voor de paarden en eieren en melk voor onszelven.

Wij waren nu eindelijk buiten het gebied van de afgeronde heuvels, en de bergketens, waardoor onze weg leidde, eindigden in spitse kapen boven de bedding der rivier. Onmiddellijk boven Nokinja volgt de samenvloeiing met de Sirha. Hooger nog was het ons een genoegen, Geh te bereiken, de hoofdplaats van het district. Ik heb honderden beloetsjische dorpen gezien, maar Geh, het Bih van den reiziger uit Arabië, blijft in mijn herinnering gegrift als het mooiste. Een prachtig boschje van dadelpalmen verrijst bij de bron van twee rivieren, de Gung en de Kisji; een oud schilderachtig fort staat op een rots, en alleenstaande, kale heuvels in den omtrek verhoogen den indruk, dien de frischgroene rijstvelden maken.

Het dorp ligt ongeveer 450 M. hoog. Hoewel wij op het einde van October waren, wees de thermometer ’s middags bij de 38° C.

Geh met Kasakand ten oosten en Bint ten westen vormen de drie steden van perzisch Makran, waar de reiziger aankomt, als hij van de kust het land in gaat. Ze moeten alle drie hetzelfde aantal inwoners hebben, dat de twee duizend niet te boven gaat, naar het ons scheen.

Wij kregen een bezoek van Sjakar Khan, oudsten broeder van Sardar Hussein Khan, die den ouden staat van zaken in de provincie vertegenwoordigt en zich Beloetsjistan herinnert op den tijd, toen het onafhankelijk was van Perzië; natuurlijk keurt hij de opgetreden verandering af. Enkele inwoners spraken het Hindostansch, en wij hoorden, dat zij een weinig handel dreven met de kust. Visch was een der handelsartikelen; zij wordt nog verkocht, als ze reeds vrij oud is geworden. De toestand der bevolking was er treurig, want de gouverneur, die niet als in Perzië wordt in bedwang gehouden door de openbare meening, noch de telegraaf heeft te vreezen, onderdrukte de menschen, en veel inwoners verhuisden naar Karatsji, Maskate of Zanzibar.

Wij vertrokken, na onze kameelen te hebben weggezonden en eenige gidsen uit Lasjar te hebben gehuurd, de sterkste en beste geleiders voor reizen in het bergland. Wij moesten nu door het nog onbekende district, dat ons van Fanoch scheidde. Wij volgden de steenachtige bedding van de Gung stroomop en kwamen daarna in het gebied van de Sirha, op welker beide oevers veel dorpen liggen. Wij hielden stil te Maloeran aan een zijtak van de Rapsj. De bewoners, die blijkbaar nooit van Europeanen hadden hooren spreken, keken ons achterdochtig aan. Toen zij binnen het bereik van onze stem waren, beproefden wij het middel, dat ons gewoonlijk gelukte en dat bestond in het geven van een roepij aan een man, om hem te toonen, dat wij wenschten te betalen voor wat wij zouden noodig hebben.

Dezen keer gelukte het niet. Een levendig gesprek begon; ik trachtte van mijn kant duidelijk te maken, dat wij zouden betalen en dat wij hun vrienden waren; maar het hoofd der bende, een schelm met een bijzonder ongunstig uiterlijk, bleef bij zijn weigering. Ten slotte vloog een der onzen op hem af en duwde hem in de rivier, waaruit de schurk weer opdook met den mond vol slijk. Maar dadelijk daarna arriveerden de gevraagde levensmiddelen. Men kan de tegenwerping maken, dat wij geen recht hadden, tot geweld onze toevlucht te nemen; maar ik zou mijn bedillers wel eens in een dergelijk geval geplaatst willen zien en zou dan eens kijken, hoe zij te werk gingen. Bij slot van rekening werden de [268] menschen uit Maloeran onze beste vrienden en wij brachten een geheelen dag onder hen door. Wij merkten de eigenaardige bijzonderheid op, dat zij konden fluiten, een talent, dat in het Oosten zeldzaam is, waar fluiten gemeenlijk voor een “taal des duivels” doorgaat.

Een moeilijke tocht was het naar de rivier Fanoch of Rapsj. In de plaats van dien naam werden wij zeer vriendschappelijk ontvangen; de zoons van Sjakar Khan waren er gouverneurs, en zij toonden zich bijzonder geïnteresseerd bij het zien van onze geweren.

Begeerig, om het onbekende land in het Westen althans eenigszins te leeren kennen, beklommen wij den Koeh-i-Fanoch, een lastige bestijging, die vier uren duurde. De laatste 150 M. worden gevormd door een rots van witten kalksteen, die bijna loodrecht is. Van den top konden wij met gemak de vijf afzonderlijke stroomen volgen, die te zamen de Fanoch vormen. Het was een prachtig panorama, en het gaf ons, wat wij zoo vurig verlangden, een denkbeeld van de formatie van het land. Naar het Westen werd het uitzicht voor een gedeelte beperkt door hooge bergen; maar naar het Noorden zagen wij den prachtigen Koeh-i-Bogman, die eenzaam tot 2700 M. boven de vlakte oprijst. Naar het Oosten breiden zich het Azabadbergland uit en het district Lasjar.

Moskee te Mahoen.

Moskee te Mahoen.

Fanoch, waar wij een dag bleven rusten, om over onze vermoeienis heen te komen, ziet er veel welvarender uit dan Geh, en verscheiden huizen waren er van steen gebouwd. Er is een fort, dat zeer oud schijnt te zijn; maar zooals gewoonlijk in Beloetsjistan konden wij volstrekt geen inlichtingen krijgen over de geschiedenis van het gebouw.

Er waren in Fanoch schapen en gevogelte, eieren, melk, gerst, rijst en tarwe in overvloed, en de dadels uit Beloetsjistan zijn beroemd; maar het eenige industrie-artikel, dat er gemaakt wordt, zijn kleine, met roode zijde geborduurde petten. Ik vroeg of Fanoch in Makran lag. Er werd mij gezegd, dat de grens gevormd wordt door den kam van den Band-i-Linag, ten noorden waarvan zich de stad bevindt; Basjkird ten westen ervan wordt niet meer beschouwd als tot Beloetsjistan te behooren.

Wij keerden terug langs denzelfden weg, dien wij gekomen waren, maar voorbij Sartab sloegen wij een meer noordelijke richting in naar Tehan, een welvarend dorp van wel duizend inwoners.

Te Geh terug zijnde, vonden we ons reisgezelschap goed uitgerust, en toen wij twee dagen na onze terugkomst ons gereed maakten om naar Fahradsj te vertrekken, werden wij aangenaam verrast door de aankomst van twee Beloetsjen, die de gouverneur van perzisch Beloetsjistan gezonden had, om ons tot gidsen te dienen, Mir khan Mohammed en Moellah Basjan.

Eerst volgden wij een zijtak van de Sirha en daarna bereikten we den hoofdstroom, aan welks oevers een weinig aan landbouw werd gedaan. Wij kampeerden in de bedding zelve der rivier, en den volgenden dag hadden wij den ellendigsten weg, dien ik ooit heb gezien. Een mijl stroomop wordt het rivierdal nauwer, tot het niet veel meer dan 30 M. breed is en wij kwamen bij rotsachtige trappen, waar de rivier in een waterval bij neer viel. Iets verder weer een ander pretje, namelijk in de bedding blokken rots van allerlei afmeting, van de grootte van een omnibus tot die van een voetbal. Toen eindelijk verscheen een diepe plas, die de gansche breedte van het dal vulde. Daarlangs liep een smal pad, als voor geiten gemaakt, waar het ons onmogelijk leek voor onze beladen beesten om zich op voort te bewegen. Maar tot mijn groote verbazing liep alles zonder ongelukken af.

Onze paarden waren doodop, toen we bij de bron van de rivier kwamen, in het dadelbosch van de Sirha, een groot, maar geheel verwaarloosd terrein. Wij kampeerden ter hoogte van 990 M., en dit was de eerste dag, waarop wij een temperatuur hadden van onder de 30° C. Den volgenden dag was het ook betrekkelijk koel; wij stegen tot de waterscheiding in Makran, op ongeveer 1100 M., en van daar begonnen we te dalen rondom de hellingen van de groote massa van den Azbag, dien wij gezien hadden vanaf den top Koeh-i-Fanoch. ’s Avonds kampeerden wij te Pip, de hoofdstad van Lasjar.

Rondreizende muzikanten in Beloetsjistan.

Rondreizende muzikanten in Beloetsjistan.

De gouverneur kwam ons begroeten. Hij was eerst zeer beschroomd. Zijn gezicht klaarde echter op, toen wij hem naar de geschiedenis van zijn geslacht [270] vroegen. Hij was een jongen van zestien jaar. Pip is een dorp van tweehonderd huizen, die rondom een versterkte vesting gegroepeerd staan, op een zekeren afstand van een mooi dadelbosch. In Beloetsjistan zijn de dorpen altijd gebouwd op boomlooze terreinen, waaromheen koren verbouwd wordt. De verandering van lucht, van de droge warmte der woestijn naar de betrekkelijk koele vochtigheid van het dadelbosch, was zeer aangenaam, maar misschien gevaarlijk voor hen, die vatbaar zijn voor koorts. Maar als men uren aaneen in den brandenden zonnegloed heeft gereden, is de schaduw zoo welkom, dat wij altijd zoo dicht mogelijk bij boomen kampeerden, en voor zoo ver ik weet, heeft niemand onzer er leed van ondervonden.

Mijn reisgezel en ik waren van oordeel, dat de Lasjaren boven alle andere Beloetsjen, die wij hadden ontmoet, uitmuntten. Physiek waren het krachtige staaltjes van het menschenras en daarbij waren ze altijd vroolijk en opgewekt, wat niet het geval is met de meeste Beloetsjen, die begeerig en ijdel en niet zeer hulpvaardig zijn, en daarbij stug en koppig als kameelen. Maar het is billijk er bij te voegen, dat de Beloetsjen buitengewoon eerlijk zijn, en dat als men hun brieven of dingen van waarde toevertrouwt, zij ze met gevaar van eigen leven zullen verdedigen. Uit zedelijkheidsoogpunt staan ze ook niet laag en hun vrouwen behandelen ze bijna als huns gelijken. Men kan als voorbeeld van hun eerlijkheid het feit noemen, dat, om de telegraafbeambten te betalen, men gewoon was een zak met roepijen van den eenen post naar den anderen langs de lijn te verzenden, waar ieder op zijn beurt zijn soldij uit nam. Een enkele maal maakte een ambtenaar misbruik van dit vertrouwen, en hij moest zijn land verlaten, wat voor een Beloetsje de zwaarste straf is.

Na een dag van welverdiende rust daalden wij verder langs het vruchtbare dal der Pip. Te Ispaka waren we aangekomen in het district Fahradsj, en wij ontdekten de eerste vertegenwoordigers van het perzische element, in de gedaante van twee of drie soldaten en een sergeant. Daar de Beloetsjen nooit met andere Perzen in aanraking komen, dan met menschen, die belasting komen innen, zijn de Perzen er zeer gehaat. Ze worden Gagars genoemd, verbastering van Kadjaren, de naam der regeerende dynastie.

Den volgenden dag kwamen we op onzen tocht naar de rivier, de Bampoer, in het dorp Kasimabad en daarna te Bampoer, het vroegere stadje, dat de oude hoofdstad van Beloetsjistan is en waar nu niet meer dan een paar honderd vuile hutten staan; een dadelbosch was er niet en wij moesten kampeeren in een slordige omgeving, die oudtijds een tuin zal zijn geweest.

Zein ul Abidin Khan, de gouverneur, had mij geschreven, dat hij mij te Fahradsj wachtte, dat op vier mijlen afstands lag en veel belangrijker is, daar het ongeveer twee duizend zielen telt, het garnizoen erin begrepen. Zein ul Abidin Khan ontving ons vrij koel; onze belangstelling kwam hem blijkbaar wat verdacht voor, zooals zij dat veel Oosterlingen doet, maar na enkele moeilijkheden werden wij ten slotte goede vrienden.

Ons doel was nu eerst het district Sarhad, waarvan nog zoo weinig bekend is en waarheen wij den eersten December 1895 ons op weg begaven. Een der eerste dagen, toen wij, na het dal der Konar Rud te zijn doorgegaan, te Sonar waren, werden wij eenige dagen opgehouden door een aanval van dysenterie van Brazier Creagh. Met twee kameeldrijvers deed ik de volgende dagen de bestijging van den Hamant, om het land te verkennen. Die berg is 2320 M. hoog, hij is ten onrechte voor een vulkaan gehouden. De tocht was moeilijk, vooral het dalen ging bezwaarlijk. Van den top hadden wij een ruim uitzicht over het zuiderdistrict, dat een eentonig veld van lage bergen geleek; maar in alle richtingen was het panorama prachtig, al konden wij tot onze spijt den grooten vulkaan Sahrad niet zien.

Twee dagen later overschreden wij op 1680 M. hoogte de waterscheiding tusschen de Bampoer en de Mesjkil, en daalden af naar het dorp Magaz, dat ongeveer 2000 inwoners telt en ’t beste klimaat heeft van heel Beloetsjistan. Den weg naar het Noorden inslaand, trof onze blik den Koeh-i-Taftan, die op den afstand van honderd mijlen ongeveer, waarop wij hem zagen, op een witten kegel geleek.

Het district Sarhad deed zich het eerst aan ons voor van een pas, van waar het ons voorkwam, niets dan kale bergen te bezitten, zonder eenig dorp, zelfs zonder een tent van nomaden. Toch vonden wij er het fort Kïvasj met een garnizoen van ongeveer 450 soldaten, infanterie en cavalerie. Met enkele zwarte tenten was dat fort de hoofdstad van het district. Landbouw werd er niet beoefend.

De verwaarloozing van Sarhad is droevig, want het is de eenige streek tusschen Quettah en Kirman, die koel mag worden genoemd. In vroegeren tijd woonde er een dichtere bevolking, zooals ook uit de overblijfselen van putten of kanats blijkt, en men mag de hoop koesteren, dat het land later een belangrijke weg zal zijn tusschen Quettah en Zuid-Perzië.

Van Kivasj uit wilde ik den Koeh-i-Taftan bestijgen, ofschoon de gouverneur het mij afried. Twee dagen later echter kampeerden wij op bijna 2000 M. hoogte in het kleine dorp Waradji, en den volgenden dag klauterde ik tegen den top op, ongelukkig zonder Bazier Creagh, die een zweer aan zijn voet had. De laatste uren der bestijging waren lastig en onaangenaam. Eerst moest men over groote rotsblokken klimmen, en daarna ging het door een dikke laag witte asch, die uit de verte aan den berg het voorkomen had gegeven, alsof hij met eeuwige sneeuw bedekt was. Wij bereikten den top eerst om twee uur in den namiddag, na acht uren bijna aanhoudend te hebben geklommen. De Koeh-i-Taftan eindigt in twee toppen, den noordelijken of hoogsten en den zuidelijken, den vulkaan, dien wij wenschten te bezoeken.

De krater, waaruit verblindende zuilen van zwavelachtigen damp opstegen, heeft twee openingen, ieder ongeveer drie meter in omtrek en van boven gescheiden door een afstand van één meter. Er was geen enkele versche lavastroom te zien, en er wordt van geen enkele uitbarsting melding gemaakt. Het [271] gezicht, dat men van den top had, was ’t mooiste, dat ik ooit in Perzië heb gezien; alle bergtoppen waren duidelijk zichtbaar. Zooveel ik heb kunnen nagaan, vereeren de bewoners van het dal den vulkaan al sinds overoude tijden.

Bij het dorp Bagman voegde zich onze colonne weer bij de bagage en de reis door Sarhad leerde ons, dat het district water genoeg heeft, om bij een goed bestuur een welvarend land te worden.

IV

Grensregeling tusschen Perzië en Beloetsjistan.—Van Kirman naar de grensstad Koeak—De grensregelingscommissie.—Vraag naar den voorrang.—Het werk der commissie.—Van Koeak naar Kelat.

Ik was in Kirman in December 1895. Sinds eenige maanden hadden onderhandelingen plaats met de perzische regeering ter zake van de grenslijn tusschen Malik Sia en Koeak, die nog niet juist was afgebakend, maar de winter was begonnen, zonder dat men tot een beslissing was gekomen. Toen reisde in de laatste dagen van December de perzische commissaris Ali Achraf Khan door Kirman, en enkele dagen na zijn vertrek werd mij uit Teheran getelegrafeerd, dat ik benoemd was tot de post van assistent-commissaris. Mijn zuster gaf er de voorkeur aan, mijn reis, die vermoeiend en oncomfortabel was, met mij mee te maken, liever dan de vriendelijke aanbieding van lady Durand aan te nemen, bij haar te komen logeeren.

De toebereidselen voor den tocht waren nog al omslachtig, het was een lange reis en wij moesten vooraf zorgen, hier en daar proviand te vinden en daarbij hulpkameelen, als de andere vermoeid waren; onderzoeken, waar water te krijgen was enz. enz. Bovendien waren onze bedienden niet ingenomen met het denkbeeld van de reis door Beloetsjistan en moesten telkens aangemoedigd worden.

Het was reeds zeer koud te Mahoen, onze pleisterplaats; te Hanaka, waar de karavanseraï op een hoogte van bij de 2400 M. ligt, was het werkelijk arctisch koud, maar te Rain, op de zuidelijke helling van den Djoeparketen, werd het weêr gelukkig minder ijzig. Langs de rivier, de Sandoe, ging het naar Abarik een moeilijk eindweegs door het geaccidenteerde terrein. In de warmere streken gekomen, voelden wij ons vermoeid en niet in staat tot eenige inspanning. Wij waren in het district Fehroed, en Abarik en Fehroed zijn in Perzië berucht om den hevigen wind die er veelal heerscht. In een gedicht heet het dat, den wind wordt gevraagd, waar hij woont en dat hij antwoordt: “Mijn armzalige woning is in Fehroed en ik bezoek dikwijls Abarik en Sarbistan.” Dit laatste dorp ligt aan den rechteroever van de rivier, waar ik in 1894 bij hevigen storm kampeerde.

Een nog al vervelende rit langs de droge rivierbedding bracht ons te Darzin. Het dorp is bekend om zijn vroegeren rijkdom. In de 12de eeuw zegt een schrijver: “Wij stonden op het dak van het paleis te Darzin, en wij zagen een groot aantal dorpen, die bijna elkander raakten en heerlijke geuren verspreidden. Zein ed Din maakte de opmerking, dat Fars een groot en vruchtbaar land was en dat hij het geheel had doorreisd, maar dat hij zweren kon in heel Fars niet zulk een mooi plekje te hebben gezien.”

Helaas, hoe is alles veranderd! Darzin ligt in een ellendige woestijn. Toch is er eenige vooruitgang, want een der oude kanats of putten is hersteld, en daardoor zal het bebouwbare land toenemen.

Te Bam vonden wij een onderkomen in een nieuw gebouwd huis, dat uitzag op een schaduwrijken tuin vol palmen. Bam is al sinds de oudste tijden in Perzië een beroemde stad; een mijl van het tegenwoordige fort, liggen de ruïnen van de oude stad. Ten tijde van de verovering door de Arabieren was de stad zeer belangrijk en hoofdplaats der provincie. Bam is herhaaldelijk belegerd en de moderne stad dateert van den jongsten tijd. Het is nu het middelpunt van een rijk district, ligt op een hoogte van 1100 M, heeft een bevolking van 13.000 inwoners, een vruchtbaren bodem en een klimaat, dat even gunstig is voor de cultuur van palmboomen als voor die van de producten der hoogere streken.

De zomerwarmte is er gematigd, want er waait dan een koele wind uit het Noorden, en de belangrijkheid der stad wordt nog grooter door het feit, dat zij in Oost-Perzië het laatste handelscentrum is vóór Quettah. De bloei der plaats vloeit voort uit de productie van henneh, want bijna de geheele opbrengst van die kostbare verfstof wordt in dat district verkregen. De garnizoenen in Beloetsjistan bestaan gewoonlijk uit soldaten uit die provincie, en de gouverneur is meestal een Bami.

Een reiziger verhaalt, dat Bam op een indische stad gelijkt. Die opmerking heb ik niet gemaakt. Misschien zag men er dertig jaar geleden op het tijdstip van die reis nog geen palmen, en zoo zou dan die indruk zijn te verklaren. Ingevolge een bijzondere uitnoodiging bezochten wij het beroemde fort, en wij constateerden, dat de oude stad nog stond, omgeven door een hoogen muur en een gracht. Boven was de woning van den gouverneur. Men heeft er een prachtig uitzicht. Achter ons werden onze blikken getrokken door den Koeh-i-Hazar met zijn mantel van versch gevallen sneeuw, en aan beide kanten van het dal teekenden de bergen zich scherp af op den turkooizen hemel. Boven ons wuifden de bouquetten van de dadelpalmen van Bam, en wij konden de rivier van dien naam naar het Noordoosten volgen.

Vier mijlen van Bam verwijderd, bracht een steile daling ons tusschen de gehuchten, die het dorp Bora samenstellen; er is een bevolking van 5000 inwoners en het voert jaarlijks 120,000 pond henneh uit, behalve granen en dadels.

Te Vakilabad, waar wij aankwamen, na langs een mooi, beschaduwd riviertje te zijn gegaan, hadden wij het district Narmasjir bereikt. Met zijn sierlijke tamarinden en mimosa’s schijnt het land een losgeraakt stukje van Sind. Het is er veel warmer dan in Bam. Tot in het midden der 19de eeuw was het in ’t bezit van de Afghanen, en tegenwoordig begint het eerst weer een weinig vooruit te gaan.

Ook verder bleef de streek goed besproeid, en er groeiden echte boomen, tot we bij een reuzenuitgestrektheid jungle kwamen en van daar in de woestijn, die weer door jungle gevolgd werd, te [272] midden waarvan het dorp Rigan is gelegen. Het lijkt nog al wat op de kaart, maar het bestaat in werkelijkheid slechts uit een fort van gebakken leem, waar een garnizoen ligt van tien soldaten, en uit eenige huizen voor een bevolking van niet meer dan tweehonderd zielen. Te Rigan vonden wij een wanhoopsboodschap van den perzischen commissaris, dien wij bijna overvallen hadden, met verzoek onze komst uit te stellen. Wij hielden met die smeekbede geen rekening.

Tusschen ons en Bampoer strekken zich 250 K.M. van de Loetwoestijn uit. Maar daar het de beide vorige dagen zwaar geregend had, konden wij over meer en beter water beschikken dan meestal de reizigers kunnen doen, en wij legden den weg in negen dagen, bijna zonder ophouden, af.

Te Grazak, ongeveer op twee derden van den weg, verbaasde het ons, eenige tenten van nomaden te zien en een boschje van palmen. Ten slotte bereikten wij de rivier Bampoer bij Koesjgardan, waar ik reeds geweest was. Daar ontmoetten wij eene afdeeling gewapende kameeldrijvers, en ik heb zelden een woester en ongeregelder troep aanschouwd. Beschermd door dat escorte en door onze cavalerie van kleine pony’s, bereikten wij Bampoer en van daar Fahradsj.

Sassanidisch beeldhouwwerk uit Persepolis.

Sassanidisch beeldhouwwerk uit Persepolis.

Op die plaats werden wij met groote staatsie ontvangen; het garnizoen stond langs den weg geschaard, en de muziek speelde het volkslied. De commissaris kwam kort na ons aan.

Wij huurden hier dertig beloetsjistansche kameelen, en kwamen overeen, dat ik een dagreis vooruit zou gaan, om aan de grens tegenwoordig te zijn, als de Perzen kwamen. De dagen begonnen zeer warm te worden. Te Soran meldde een bericht van kolonel Holdich mij, dat zij Pandsjgoer naderde, en dat hij de grens in het midden van Februari hoopte te bereiken.

Te Isfandak vonden wij een bekoorlijk bosch van dadelpalmen, een rivier met kristalhelder water, maar geen bewoners. Het dorpshoofd had zich niet op zijn gemak gevoeld bij het idee, den commissaris te ontmoeten, want hij was in verschillende plunderingen en andere wandaden betrokken geweest. Bij gevolg bivouakkeerden hij en zijn dorpelingen nu in de bergen, afwachtend, wat er zou gebeuren, en ongetwijfeld der Commissie de schuld gevend van hun ballingschap.

Wij waren nu op den linkeroever van de rivier Mesjked of Mesjkil. Men kan nog aan haar breede bedding en steile oevers zien, dat het vroeger een groote waterloop geweest is, terwijl men nu, zelfs in den tijd van hoog water, er gemakkelijk door kan waden. De wateren van de rivier worden door de woestijn ingedronken, en ten oosten van Djalsk voeden zij een gedeelte van de dadelboschjes.

Wij waren slechts twee uren nog verwijderd van ons doel, toen een boodschapper ons kwam berichten, dat de britsche commissie aangekomen was, en weldra konden wij de hand van landgenooten drukken na een reis van meer dan 1000 KM., voor ’t meerendeel door woestijnen, met zeer weinig comfort te onzer beschikking, hetgeen wel een heldenstuk mag heeten voor een per karavaan reizende dame.

Ik wil hier eenige bijzonderheden meedeelen over de grenscommissie, die tusschen Perzië en Beloetsjistan werkte, of zooals zij wel genoemd wordt, de perzisch-kelatsche commissie.

Het is nu meer dan dertig jaar geleden, dat toen er sprake was van een telegraaflijn van Britsch-Indië over land, Sir Frederick Goldsmith dat afgelegen gebied bereisde, en het eindresultaat was toen, dat er een grenslijn getraceerd werd van Koeak naar de zee. Koeak, dat toen als een sterke vesting werd beschouwd, was te dien tijde onafhankelijk en bleef dat ook. In het Noorden tot Seïstan was het land nog onbekend, en men wist eigenlijk niet, aan wien het behoorde, zoodat men daar geen moeite deed voor de vaststelling der grens. Perzië had toen het geluk, er een uitmuntende gouverneur te hebben in den persoon van Ibrahim Khan. Hij deed al wat hij kon, opdat men zich van de vaststelling der grens zou onthouden; maar toen hij het niet kon verhinderen, maakte hij zich van Koeak meester, zoodra de engelsche commissaris vertrokken was. Die daad werd niet erkend door onzen minister van Buitenlandsche Zaken; maar daar wij nog tien jaren lang geen notitie namen van ons protectoraat over Kelat, bleef alles bij het oude. [273]

Een provinciaal gouverneur met zijn staf.

Een provinciaal gouverneur met zijn staf.

Maar toen wij troepen te Pandsjgoer hadden liggen, en de razzia’s ondragelijk werden, gaven wij Zijner Majesteit Nasr ed Din in overweging, het nog onbepaalde gedeelte der grens definitief vast te stellen, terwijl wij terzelfdertijd de quaestie van Koeak zouden oplossen. Er had op die punten een drukke briefwisseling plaats; een oogenblik dreigden de onderhandelingen te zullen worden afgebroken, daar de shah er tegen opzag, zich de kosten te getroosten voor een commissie, die niet ten doel had, zijn inkomsten te vergrooten, toen plotseling Naoroz, khan van Kharan, de palmboschjes van Mesjkil bezette. Dit nieuws bereikte Kirman, waarna de gouverneur mij een officiëelen brief schreef, om mij te verzoeken, de indringers van den perzischen bodem te verdrijven. In mijn antwoord deed ik hem opmerken, dat dergelijke incidenten onvermijdelijk waren, zoolang de grens niet vastgesteld was, en dat het mij onmogelijk was, in dien tusschentijd handelend op te treden. Een copie van dien brief werd door den gouverneur naar Teheran gezonden, en Zijne Majesteit kon zich dus rekenschap geven van de gevaren zijner onverschilligheid. Toen besloot de shah toe te geven en de commissie te benoemen, die op het einde van Februari te Koeah bijeenkwam.

Onze commissie was niet zeer talrijk; voorzitter was kolonel, thans Sir Thomas Holdich, de commissieleden waren kapitein A.C. Kemball en mijn persoon. Luitenant-kolonel R. Wahab leidde de topografische expeditie, en luitenant C.V. Price voerde het bevel over het escorte, dat uit twee compagnieën fuseliers en eenige sowars bestond.

Wij waren te Koeak aangekomen vier dagen na de engelsche commissie en het perzische commissielid kwam den volgenden dag, doch als wij geen haast hadden gemaakt, zouden we ons werk niet voltooid hebben in het koude seizoen. Zelfs op dat oogenblik was de zon om ruim tien uur reeds te brandend heet, om niet gevaarlijk te zijn, en de tijd van helderen hemel, zoo noodig voor topografische opnemingen, duurt slechts tot einde Maart en wordt gevolgd door zes maanden nevel.

Toen allen bijeen waren, deed zich de moeilijke vraag voor, wie het eerste bezoek moest brengen. Onze meening was, dat omdat wij het eerst waren aangekomen, het de Perzen waren; maar dezen, zich op hun etiquette beroepend, hielden een redeneering in tegengestelden zin. Kolonel Holdich, beweerden ze, was slechts een afgevaardigde van den onderkoning van Indië, terwijl de perzische afgevaardigde den koning der koningen zelven vertegenwoordigde. Het debat zou zich dagen aaneen hebben kunnen voortzetten; het liep hierop uit, dat, daar de perzische commissaris en de gouverneur van Beloetsjistan mij te Kirman een bezoek hadden gebracht en te Fahradsj, zij niet konden nalaten, nu hun opwachting bij mijn superieur te maken.

Toen de Perzen kwamen, bewezen wij hun alle [274] mogelijke eer. Maar wij hadden samen slechts een zeer kort gesprek, wat voor een deel het gevolg was van het feit, dat het Perzisch, ’t welk in Indië wordt gesproken en dat van Iran twee geheel verschillende talen zijn. Men had in Indië niet genoeg met dat verschil rekening gehouden, zoodat onze tolk, die voor zijn bemoeiïngen een zeer hoog salaris kreeg, zelfs niet in staat was een brief te vertalen, en dat de geheele taak der vertolking op mij neerkwam.

Het uitgangspunt voor het werk der commissie lag aan de Mesjkil tegenover Koeak; een kunstmatige heuvel werd op den linkeroever opgericht, niet zonder eenigen tegenstand. Maar voor de plaatsing van den tweeden grenspaal was langere discussie noodig. Als mijn zuster den heuvel niet beklommen had, waar wij den hoop steenen opstapelden, zou nooit de dikke gouverneur van Beloetsjistan in de beklimming hebben toegestemd. Eenmaal boven, werd hij, na op adem te zijn gekomen, weerspannig en verklaarde, dat wij hem een kostelijke en vruchtbare provincie afnamen; feitelijk was het een lapje van twintig aren. Het feit, dat de grenzen reeds zóó te Teheran waren getraceerd, beteekende voor hem niets; wij lieten zijn vrienden hem kalmeeren.

De onvermoeide kolonel Wahab verliet ons hier, om de Siaharketen te bestijgen, en wij gaven hem het denkbeeld aan de hand, zich te doen vergezellen door Soliman Mirza, vertegenwoordiger van den gouverneur van Kirman. Deze stemde daar slechts noode in toe; maar hij besteeg toch piek na piek met zijn engelschen collega, die een volleerd bergbestijger was.

De beide commissies begaven zich toen in twee étapes naar Isfandak en van daar naar Djalsk over den Bonsazpas, aan welks begin wij kampeerden. Daar deed zich een nieuw incident voor, want de perzische commissaris had laten rondstrooien, dat een grenspaal ten westen van den pas was geplaatst, hetgeen de gemoederen ten hoogste verontrustte. Wij gingen ons overtuigen, dat het niets anders was dan een paal voor de triangulatie, en wij drukten er onze spijt over uit, dat men ons van zulk een daad verdacht had, waarover de Perzen zich op hun beurt teleurgesteld toonden.

De beide commissies waren uit de meest verschillende elementen samengesteld, Engelschen, Perzen, Beloetsjen, soldaten der geregelde en ongeregelde troepen. Wij hadden veel kameelen bij ons en ezels en muildieren, alsook een kudde schapen en geiten.

Wij bleven veertien dagen te Djalsk, gedurende welken tijd men de grenspalen zette, die de palmboschjes van Mesjkil bij Kelat voegden, zooals te Teheran was afgesproken. Het meer noordelijk gelegen district was slechts woestijn, en kolonel Holdich stelde, om een nieuwe wintercampagne te vermijden, voor, als grens de ketenen aan te nemen, die naar ’t Zuidoosten liepen van den Koeh-i-Malik-Sia af en dan alleen een vliegende colonne uit te zenden voor de exploratie.

Toen de Pers dat goed had gevonden, bleef er niet anders te doen dan te beschikken over enkele niet belangrijke palmbosschen. Daar ik er in 1893 in Sarhad over had hooren spreken en ik enkele aanteekeningen over die quaestie had gemaakt, ging de zaak gemakkelijk.

De oase van Djalsk is zeer groot, zij beslaat een tiental vierkante kilometers. Men vindt er overal dadelpalmen, waaronder gerst en tarwe en boonen groeien, en in de tuinen treft men granaatappelen, vijgenboomen en wijnstokken aan. Een moerassige plas ligt midden in de oase, die acht verspreid liggende dorpen telt.

In de oase zijn een zeker aantal bouwwerken in het bezit van koepels; zij bevatten de graven van een oud vorstengeslacht, dat over Beloetsjistan heeft geregeerd.

Op het perzische Nieuwjaar 21 Maart, even vóór wij uiteen zouden gaan, onstonden nog weer quaesties over den voorrang tusschen den gouverneur van Beloetsjistan en den vertegenwoordiger van den Shah, maar door wat schikken en plooien liep alles goed af.

Den volgenden dag vertrokken wij vroeg van Koeak na een allerhartelijkst afscheid. Zoo eindigde het werk van de perzisch-beloetsjistansche commissie.

Wij moesten nu tot Quettah door Britsch Beloetsjistan reizen. Dat land heeft nog geen historieschrijver gevonden tot heden, ofschoon het materiaal voor zijn historie gereed ligt. Aardrijkskundig breidt het westelijk deel zich als woestijn naar het Noorden uit tot de woestijn Helmand en bestaat in het midden en het Zuiden uit lange, smalle dalen, die met de grootste regelmaat van het Noordoosten naar het Zuidwesten loopen. Meer oostwaarts komt men in de beloetsjistansche bergen, takken van den machtigen Hindoekoesj en op die groote hoogvlakte liggen Kelat en Quettah. Zooals men kan begrijpen, is het klimaat van het westelijk deel des lands bijna gelijk aan dat van perzisch Beloetsjistan, en men vindt te Pandsjgoer dadels, die tot de beste der wereld behooren; maar tusschen Kelat en Quettah is de koude soms vrij hevig, en ik herinner mij, dat de kolonel Wahab mij een plek wees, waar zijn expeditie door een storm was overvallen. In de duisternis hadden zij hun tenten geplaatst achter een heuvel, naar zij meenden, en den volgenden dag bleek het, dat het een hoop ossen waren, die door de vorst waren omgekomen.

De bevolking van britsch Beloetsjistan is zeer gemengd, en zij is nog in ’t geheel niet gewend aan de beperkingen die het leven in de beschaafde maatschappij meebrengt. Men vergeet echter wel eens, dat de eerste vertegenwoordiger van Groot-Brittannië pas voor nog geen twintig jaar te Pandsjgoer verscheen in den persoon van Sir Robert Sandeman. Daar de Indische regeering niet graag noodeloos groote uitgaven wilde doen, begon zij gedurende vele winters alleen een officier op expeditie naar het land te zenden. De Beloetsjen wachtten dan slechts op zijn vertrek, om hun onderlinge twisten te hervatten.

In 1891 beval majoor Muir, die de rechtspraak in handen had, de gevangenneming van Mir Sjahdad, een bekend roover. Deze verzette zich met zijn aanhangers; een ongewapende bediende werd gedood, en de majoor zelf ernstig gewond, terwijl Shahdad er in slaagde, zich uit de voeten te maken. Toen [275] hij daarna op de hoogte was gebracht van mijne aanwezigheid te Kirman, gaf hij zich ten laatste over aan Kemball, toen deze zijn reis ondernam in 1894 en 1895. Er werd toen een paar jaar lang een klein garnizoen te Pandsjgoer onderhouden; maar dat werd in 1896 ingetrokken, daar het land tot rust gebracht scheen.

Eenige kilometers van Koeak verwijderd, werd de eentonigheid van de reis op aangename wijze verbroken door de verschijning van twee beren, de eerste, die ik in Beloetsjistan onder de oogen kreeg; zij joegen Tumbull, die hen had ontmoet, op de vlucht. Wij gingen ze achtervolgen, maar konden ze niet onder schot krijgen. Beren moeten er zeer zeldzaam zijn, en ik heb buiten dezen eenen keer nog slechts een enkele maal hun sporen gezien.

Wij gingen over de Mesjkil, die ongeveer een voet diep was en koffiekleurig water had en betraden toen het Raksjandal. Die rivier is breed en ondiep, maar had ziltig water, dat ook de minst verwende onzer soldaten ondrinkbaar vonden, en het speet ons zeer, dat wij een vat bier aan onze perzische collega’s hadden afgestaan en dat ons meel beschimmeld en oneetbaar was.

Wij stegen intusschen aanhoudend, zooals ook onze aneroïde barometers aanwezen. De tochten waren uiterst eentonig; de eene dag volgde den anderen, zonder dat men ergens een teeken van leven te zien kreeg. Intusschen waagden wij ons aan gissingen omtrent de oorzaken, die de bevolking uit het dal hadden doen vluchten. Wij zagen op de terrasvormige hellingen hier en daar nog hoopen aardewerk en gereedschap. Natuurlijk had de krijg velen verdreven; maar buitendien had in dit district, zoowel als in de naburige provincies, de vernieling der bosschen een vermindering in de hoeveelheid regen, die er viel, teweeggebracht, had de bronnen doen opdrogen en had ten laatste de bevolking op de vlucht gedreven.

Toch kan men zich hier wel water verschaffen, en artesische putten zouden zeker uitstekende diensten kunnen bewijzen; maar wat mij vooral trof, was de geschiktheid van het land voor de teelt van kameelen. Overal was de grond dicht bedekt met kreupelhout, terwijl het klimaat deed denken aan dat van een groot deel van Afghanistan. Kameelen, die daar werden grootgebracht, zouden zeker den dienst over de grenzen kunnen waarnemen, wat niet het geval is met de kameelen uit de vlakte. Zelfs in den jongsten afghaanschen oorlog heeft, zegt men, de miskenning van deze waarheid den dood van zes-en-dertig duizend kameelen veroorzaakt, en niet alleen bracht dat verlies den geheelen transportdienst in de war, maar het veroorzaakte ook veel ziekten. Het blijft in elk geval te betreuren, dat men geen gebruik maakt van deze woeste streek, waar wij 320 K.M. ver geen teeken van leven zagen.

Te Nagha Kelat, waar wij twee dagen bleven, om onze kameelen te laten uitrusten, maakten wij van het oponthoud gebruik, om de reusachtige ruïnen, die er zich bevinden, te gaan zien; vooral die van groote waterréservoirs of gobasta’s waren interessant.

Het werd einde April, toen we Kelat bereikten, de hoofdstad van Beloetsjistan, op de aanzienlijke hoogte van 2100 M. gelegen. De stad heeft een bevolking van bij de 50,000 inwoners, die in aantal wisselt met de seizoenen; midden in den winter is de stad zoo goed als verlaten. De bazars zijn zeer middelmatig, en men ziet aan alles, dat de hier wonende menschen ver beneden de Perzen staan in de vorderingen der beschaving.

In 1838, in den eersten oorlog met Afghanistan, werden britsche officieren naar Kelat gezonden, om de medewerking van den khan te krijgen bij het noodzakelijk reizen door zijn land op den tocht naar Kandahar. Men kreeg eenig wantrouwen, dacht aan verraad, en in November 1839 viel een britsche krijgsmacht Kelat aan en maakte er zich bij verrassing van meester.

In 1877 kochten de Engelschen Quettah, en in den volgenden oorlog met Afghanistan bewees Khoedabad, khan van Kelat, ons groote diensten. Zijn zoon Mahmoed Khan is hem opgevolgd en regeert thans over Kelat.

Maar om mijn verhaal te vervolgen. Wij trokken over een niet zeer hoogen pas in de bergen en kwamen tegenover een schilderachtig gelegen fort, waar zich de broeder van den khan bij de britsche commissarissen aansloot met eenige juist aangeworven lansiers. Ons bivak werd dichtbij de armoedige gebouwen opgeslagen, waar de politieke agent woont; maar wij hadden geen reden tot klagen, want de tuin leverde ons de beste groenten, die wij sinds we te Djalsk waren, hadden geproefd. Daar had men ons een heerlijken schotel linzen voorgezet. Wij waren nu weer aan de telegraaflijn, die wij te Kharan hadden verlaten, en twee étapes verder, na door het heerlijke Mastangdal te zijn gegaan, bereikten wij den weg van Kelat, die toen in aanleg was en die nooit geheel voltooid is geworden.

In ons laatste kamp konden we den spoorweg zien over den Bolanpas, zoo goed als geheel voltooid. Onze perzische bedienden kwamen zeggen, wat het was, blij dat ze ons wat nieuws konden vertellen. Onze paarden namen hier met niet veel genoegen de noodige rust en gingen bijna op hol, toen ze eerst een spoorwaggon en toen het station zagen. Wijzelven waren verrukt van de frischgroene omgeving en de mooie lanen, en toen wij eindelijk het consulaat van Quettah hadden bereikt, voelden wij neiging, om uit te roepen: “Hier moet werkelijk het paradijs zijn geweest!”

De vriendelijke ontvangst van Sir James Brown, zijn mooi huis met het echt engelsche aanzien en vol van smaakvolle weelde, besloten op aangename wijze deze reis, en mijn zuster kon voortaan aanspraak maken op de eer, de eerste vrouw te zijn geweest, die te paard van de Kaspische Zee naar Indië reed over een afstand van meer dan 3000 K.M.

V

Seïstan.—Zijn geschiedenis.—De delta van de Helmand.—Vergelijking van Seïstan met Egypte.—Uitstapjes in Helmand.—Terugkeer van Yezd naar Kirman.

Een nieuwe tocht ter grensvaststelling was noodig, om het werk te voltooien van de engelsch-perzische commissie, tusschen Afghanistan, Beloetsjistan en [276] Perzië. Op 2 Januari 1899 waren wij te Robat-Kelat aangekomen, dichtbij den zuidwesthoek van Afghanistan, en we zouden Seïstan binnentreden. Zonder weer het werk der grensregeling te beschrijven, wil ik een en ander meedeelen over de aardrijkskundige gesteldheid van dit land, dat tot nu toe zoo onvoldoende bestudeerd is.

Seïstan is het land der roemrijke geslachten van krijgers, waar Rustem uit is voortgekomen, de held van Firdoesi’s heldendicht, die nu nog, als vóór duizend jaren, de nationale held der Perzen is. Al wat men niet begrijpt, wordt aan hem toegeschreven, zelfs bij voorbeeld de sassanidische beeldhouwwerken op de rotsen te Persepolis.

De tijd der dynastieën van Parthen en Sassaniden wordt in die provincie door geen merkwaardige gebeurtenissen gekenmerkt; maar de arabische veroveraars zijn er misschien verantwoordelijk voor, dat de zeer oude steden Keikobad en Garsjap totaal verwoest zijn, en dat op die plekken arabische steden zijn verrezen.

In 1363 maakte hij, die later de beroemde Timoer worden zou, zich van verscheiden dorpen meester; maar hij werd verslagen en moest zich in Makran terugtrekken. In dezen veldtocht deed hij de wonde op aan den voet, die hem den bijnaam lang, den kreupele, bezorgde, waardoor hij Timoerlang of Tamerlan werd. Hij verscheen weer één-en-twintig jaren later, maar als veroveraar en moordenaar en maakte zich van Zirra, daarna van Zalidan meester, dat toen waarschijnlijk de hoofdstad der provincie was. Het garnizoen der stad werd aan zijn degen geregen, en de ruïnen bleven aan de jakhalzen overgelaten, die er nog leven. Tot overmaat van ramp vernielde Timoer het groote afdammingswerk, dat den naam van Band-i-Rustem droeg.

Door zulke rampen veranderde geheel het voorkomen der provincie. Seïstan, bestaande uit het meer en de delta, door de Helmand gevormd, was op dat oogenblik door aanslibbing der rivieren aan de noordzij van het meer ontstaan, terwijl het latere bewoonde Seïstan op de plaats lag van het verdwenen en uitgedroogde meer.

Dat Alexander de Groote op zijn tocht deze streken passeerde, bewijst, dat zij toen niet zoo droog waren als tegenwoordig, en op een groot deel van Azië is ditzelfde van toepassing.

Het tegenwoordige Seïstan heeft de Helmand of Hilmend tot oostgrens, terwijl zich in het Noorden en Westen de hamoen uitstrekt, de lagune. In het Zuidoosten van het bewoonde Seïstan bevindt zich de Gand i Zirra of het Zirrahol, waarin het water der lagune gebracht wordt door den Sjelag, een waterloop van 350 M. breedte met 15 M. hooge oevers, waar ik er overheen trok. Het groote bekken zelf is minstens 160 KM. lang en 50 KM. breed; het heeft zeker al het water opgenomen, dat men nu in het meer vindt, of ten minste al het overvloedige van de hooge waterstanden, anders kan men zich onmogelijk de groote uitgestrektheid verklaren. Als het meer veel water heeft, is de Sjelag een rivier met zout water, die met de Helmand evenwijdig loopt maar in tegengestelde richting en daarvan gescheiden is door zandduinen. In ’t algemeen is er niet anders dan een moeras in de laagste inzinking, en zelfs in het voorjaar bedekken de wateren geen tiende deel van zijn oppervlakte. Volgens Istakhri liep de Helmand uit in het meer Zirra. Vóór de aankomst van Tamerlan was de rivier afgedamd en van dien dam, de Band-i-Aok of Akoa ging een breed kanaal uit, dat diep was en waaruit het district in het Zuiden werd besproeid. Men vindt er nu niet anders dan de resten van groote steden. De grootste was Hauzdar, waar volgens de legende de zoon van Rustem gedood werd.

De hoofdarm van de delta vloeide toen naar het Noordwesten, maar toen na den inval der Tartaren en de verwoesting der kanalen Hauzdar zijn toevoer van water verloor, werd Sekoeba de hoofdstad van Seïstan.

Voor zoo ver wij weten, hadden er geen groote veranderingen plaats, tot een zestigtal jaren geleden volgens Conolly, die er kort daarna een reis ondernam, de nieuwe afdammingen door het water weggesleurd werden en Seïstan tot droogte veroordeelden. Tusschen 1840 en 1850 heeft men weer nieuwe leidingen aangelegd.

Toen Sir Frederick Goldsmith als scheidsrechter was benoemd tusschen Perzië en Afghanistan, plaatste hij de grens aan de rivier, waarvan de loop niet was veranderd. Maar acht jaren geleden baande zij zich, door de alluviale aanslibbingen waarschijnlijk, een doorgang naar het Westen, en op den tijd van ons bezoek stroomde de hoofdarm van de Helmand onder den naam van Roed Perian naar het Oosten en evenwijdig met de Roed Nasroe, die Djahanabad, Ibrahimbad en Djalalabad had verwoest, de wieg der kejanische dynastie. Men begrijpt, dat de rivier, die geen tegenstand meer ontmoette, haar oorspronkelijken loop hernam, en van toen af konden de Afghanen zich terecht beklagen, dat zij op een droogje werden gelaten, daar de arm de Nad-i-Ali slechts weinig water had.

Om op de geschiedenis terug te komen, het land werd na Tamerlan bestuurd door den stam der Kejaniërs, die voorgeeft, af te stammen van de koninklijke familie der Achemeniden. Het hoofd was nu en dan onafhankelijk, maar toen de dynastie der Saffaren haar hoogtepunt van macht had bereikt, moest hij zich onderwerpen en erkende het oppergezag van Perzië.

Toen Isfahan belegerd was geworden door de Afghanen, kwam Malik Mahmoed, de regeerende vorst, te hulp met 10,000 soldaten, maar daar de overweldigers hem het bezit van Khorassan hadden beloofd, liet hij de koningsstad aan haar lot over. Kort daarna werd hij te Mesjed door Nadir gevangen genomen, die zich op de eerste plaats begon te dringen, en zijn erfgenamen, twee broeders, hielden een beleg van zeven jaren uit op den Koeh-i-Khoya; maar zij verzoenden zich ten laatste met den overheerscher en onderwierpen zich.

Zigeunervrouwen uit Zuidoost-Perzië

Zigeunervrouwen uit Zuidoost-Perzië

Bij den dood van Nadir Sjah werd het koninkrijk Afghanistan gesticht door shah Ahmed, die geheel Oost-Perzië in bezit had, met Kain en Seïstan erin begrepen, provincies, die van Herat uit bestuurd werden. De stam van de Kejani’s verdween langzamerhand; op het eind der 18de eeuw werd [278] de stam der Nahrveï’s uit Beloetsjistan uitgenoodigd, zich in Seïstan te vestigen, om een tegenwicht te vormen tegen de Sjahreki’s en Sarbandi’s.

Tegen 1850 werd Ali khan, het hoofd der Sarbandi’s, schatplichtig aan Perzië en verkreeg de hand der dochter van Bahram Mirza, een bloedverwant van den shah. Doch deze werd overwonnen en gedood door een van zijn neven Tadsj Mohammed, die eerst erkend werd, doch later in de gevangenis geworpen, toen ontsnapte en verder een zwervend leven leidde, dat hij te Quettah eindigde.

Daarna nam de perzische regeering geleidelijk Seïstan in bezit en begon de forten aan de overzij van de Helmand weer te bezetten. Maar Sjïr Ali, de beheerscher van Afghanistan trachtte dat te beletten, en om een oorlog tusschen Perzië en Afghanistan te voorkomen, stemde de britsche regeering erin toe, scheidsrechterlijk op te treden, volgens het tractaat van Parijs.

Het was een moeilijk geval. De scheidsrechter had niet alleen tusschen tegenstrijdige eischen te kiezen, maar moest ook den waren status quo vaststellen. Toen generaal Goldsmith echter inzag, dat een volledige enquête onmogelijk was, kwam hij naar Teheran terug en liet van daar zijn beslissing vallen, waardoor de Helmand de grens werd, en Perzië het geheele gedeelte kreeg, waar eenige opbrengst van was te verwachten. Toch kwamen beide partijen in hooger beroep, en de beslissing werd uitgesteld.

Seïstan werd een weinig uit het oog verloren. Maar de openstelling van den weg Quettah-Noesjki-Khorassan, een der resultaten van de perzisch-afghaansche onderneming tot vaststelling der grens, vestigde er weer de aandacht op, en kapitein Webb Ware bracht er een bezoek aan in 1897. Er werd een russische vice-consul benoemd in den herfst van 1898, en in datzelfde jaar kreeg ik de opdracht, er een britsch consulaat te vestigen.

Intusschen waren wij aangekomen bij de zwarte, lage bergketen Koeh-i-Malik-Sia, die alleen belangrijk is, omdat daar de drie rijken, Groot-Brittannië, Perzië en Afghanistan aan elkander grenzen.

Ik ontmoette Wood en zijn expeditie bij het station Hoermak, het laatste waar wij vóór Helmand nog versch water zouden vinden. Dan zou een eindelooze, dorre vlakte volgen, die een troosteloozen aanblik opleverde.

Den volgenden morgen kwamen wij aan den oever der Sjelag, die groote zoutwaterplassen vormde, waar eenige eenden in rondzwommen. In een diagonaal passeerden wij de breede, diepe bedding der rivier, en na den linkeroever te hebben bereikt, zagen wij de eerste ruïnen. Wij sloegen ons kamp op te Girdi-Sjah, waar ik mijn post moest vestigen niet ver van de Ramroed-ruïnen, waar de huizen, van leem opgetrokken en reeds zoo lang verlaten, nog zoo goed als bewoonbaar waren. Girdi-Sjah, de eenige plaats, die mijlen ver in ’t rond drinkbaar water had aan te bieden, wordt altijd aangedaan door de karavanen, die uit Perzië of uit Afghanistan komen. Mijn sowars hebben er wat koren gezaaid en hebben de putten en bronnen schoon gemaakt, zoodat daar later een dorp zal kunnen ontstaan, wat een groote weldaad voor de karavanen zal zijn.

De volgende etape bracht ons door een gebied van verlaten steden en dorpen. We passeerden de ruïnen van Koendar en Hauzdar, en we kampeerden te Asak-Sjah, waar wij eenige bronnen met vrij goed water aantroffen, in de buurt waarvan groote kudden schapen graasden. We waren nu dicht bij het bewoonde Seïstan.

Over een grasvlakte rijdend, kregen wij weldra het eerste besproeiïngskanaal te zien, dat wel 5 M. diep was. Onze paarden waren overgelukkig, en zij dronken zoo begeerig, dat wij hen wel tot hun eigen heil moesten weghalen. Langs door het water afgesleten rotsen kwamen we bij Varmal, een groot dorp, bevolkt met een duizendtal inwoners. In ons kamp aangekomen, genoten we van de verrassing, daar zakken met gerst en meel te vinden; we waren nu weer in een land van overvloed.

Ik ben getroffen geworden door de overeenkomst, die er bestaat tusschen Seïstan en Egypte aan den eenen kant, en Sarhad en Palestina aan den anderen. Seïstan is even afhankelijk van de rivier de Helmand of Hilmend als Egypte van den Nijl, en de beide districten zijn de korenschuren voor de omringende gebieden. Eveneens maakt de droogte juist als in Palestina het land in Sarhad onbewoonbaar; de kudden schapen en geiten sterven door gebrek aan voedsel. Als ik in Sarhad onderzoek deed naar een stam, die er vroeger had gewoond, luidde onveranderlijk het antwoord, dat hij naar Seïstan was gegaan.

Zooals Abraham en Jacob genoodzaakt waren naar Egypte te gaan, om het bestaan van hun gezinnen te verzekeren, zoo vereenigen de nomaden zich in Seïstan en in de buurt. Om de vergelijking te voltooien nog dit, dat, zooals de reiziger in Egypte door de arabische woestijn trok met het oog gericht op de Middellandsche Zee, zoo sleepen zich de herders, die van hongersnood te lijden hebben, met moeite door de woestijn naar Seïstan en zien daar de breede Helmand en de moerassen, het vochtige land, dat herders en kudden van den dood zal redden.

Ons eerste bezoek aan het meer vertoonde ons een groote uitgestrektheid water, volkomen open en bedekt met myriaden wilde vogels. Als ze opvlogen maakte dat hetzelfde geluid als de zee kan maken, als de golven breken op de kust. Zij waren buiten het bereik van onze geweren, en wij hadden geen boot om erbij te komen.

In het kamp teruggekeerd, vonden wij er een ambtenaar, dien de gouverneur gezonden had, om ons naar zijn residentie te geleiden. Gedurende den tocht naar Nasratabad vielen velen onzer kameelen met hun lasten neer, soms in de irrigatie-kanalen. Er is geen treuriger aanblik, dan zoo’n arm schip der woestijn in het water te zien.

Op zes kilometer afstands van Nasratabad voegde zich de gouverneur, Mir Masoem Khan, bij ons. Maar na enkele begroetingen en wat muziek ter eere van den avond, die aan den Ramadan voorafgaat, liet men ons in ons kamp met rust.

Het fort van Nasratabad, vroeger Nasirabad, is [279] gebouwd door den emir van Kain, nu zoowat dertig jaar geleden, in den tijd toen Perzië zich in Seïstan vestigde, in de onmiddellijke nabijheid van Husseinabad, een belangrijk dorp van twintig duizend zielen. Het bestaat in een omsloten ruimte van een weinig meer dan 50 HA. oppervlakte, omringd door negen meter hooge muren van aanzienlijke dikte, waar torens op zijn geplaatst dicht bij elkaâr. Daaromheen een overdekte weg met schietgaten en een diepe gracht, die soms vol water is.

In het inwendige ziet men van vijftig tot honderd winkels, waar soldaten zich met den handel bezig houden tijdens hun verblijf in Seïstan. Ook treft men hier en daar enkele kleine, bebouwde velden aan en overal ontmoet men ezels als rij- en lastdieren. Het garnizoen van Nasratabad bestaat uit twee regimenten.

Mir Masoen Khan, de gouverneur, is een jonge man van negentien jaren, wien ik op ’t eerste gezicht vijf-en-twintig zou hebben gegeven, misschien gedeeltelijk omdat hij een blauwen bril droeg. Wij brachten hem den dag na onze aankomst een bezoek. Hij had een bleeke, ongezonde tint, en ik vond hem zeer onwetend en lichtelijk ijdel, wat in die omgeving van perzische hovelingen niet te verwonderen was.

Van Nasratabad keerden wij naar Varmal terug, waar ik samen zou komen met de expeditie Webb Ware. Twee dagen later verliet zij ons, en om het gevoel van eenzaamheid te overwinnen, besloot ik den Koeh-i-Khoya te gaan bezoeken.

Het is de eenige berg van Seïstan, en hij speelt een groote rol in de oude heldengeschiedenis van het land. De berg is niet hoog en vlak, en men zou hem zeker den Tafelberg hebben genoemd, als de Perzen tafels hadden. Alleen van het zuiden en zuidoosten was de berg toegankelijk. De geheele oppervlakte was overdekt met openingen, resten van mijnen en grachten, van waterleidingen en réservoirs van het regenwater, of men vond er gesloten graven, waar ruw opeengestapelde steenblokken op lagen of een koepeltje van leem was gebouwd.

Van den Koeh-i-Khoya ging ik naar Band-i-Seïstan aan de Helmand. Te Dolatabad, stond de omgeving onder water en het dorp was een eiland geworden. De huizen zijn ellendige leemen hutten met modderpoelen ervoor en een ezel ernaast. Zoo is het heel Seïstan, ook te Sehkoeba, het volgende dorp, dat doorgaat voor de hoofdstad van Seïstan.

Wij brachten meer dan één bezoek aan de Helmand, de Etymander uit de oude aardrijkskunde. Het is een mooie rivier, even breed als de Theems vóór den Tower van Londen, en na vele maanden reizens door de woestijnen, was voor ons de aanblik bijzonder verkwikkend.

De dam bij Band-i-Seïstan scheen zeer weinig soliede. Maar misschien ligt zijn kracht in zijn zwakheid, want hij kan gemakkelijk hersteld worden, terwijl een steenen dam, op die plek aangelegd, een verandering zou kunnen teweegbrengen in den loop der rivier.

Ten tijde van de expeditie naar Seïstan had hij de volgende afmetingen. De totale lengte was 220 M. de grootste breedte 33 M., de hoogte 5½ M. Op den tijd van mijn bezoek waren breedte en hoogte van den dam sterk verminderd, en ofschoon het laag water was, vloeide de stroom erdoor of er overheen. Het eenige hout, dat erbij gebruikt was geworden, was dat der tamarinde; palen van geringe dikte waren in de bedding der rivier geslagen en dunne takken waren er doorheen gevlochten. Om de constructie steviger te maken, worden er takkebossen aan toegevoegd, die ieder jaar vernieuwd moeten worden. Zoo is Seïstan feitelijk zonder water, als de toevloed, teweeggebracht door het smelten der sneeuw op de Berberbergen opgehouden heeft, en duizenden dorpelingen moeten dan aan het werk gaan, om den dam te herstellen.

Er wordt beweerd, dat de Helmand uitstekende visch levert; maar die wij vingen, was altijd flauw en smakeloos. De oevers van het kanaal, dat Madar Ab of Moeder der wateren wordt genoemd, zijn bedekt met een dichten plantengroei van lage tamarinde, een der weinige jungles, die ik in Perzië heb gezien.

Wij gingen in den omtrek op snippen en eenden jagen. Het was geen kwaad jachtterrein; maar wij liepen onophoudelijk door het water, en zoo werd het zwaar werk. Al dit land, dat nu met tamarindestruiken en hoog riet bedekt is, was nog slechts enkele jaren bebouwd.

Men vindt er ook nog ruïnen van oude steden, als Sjahristan en Zahidan. De belangwekkendste waren die van een toren van gebakken steen, omstreeks twintig meter hoog. Een breede bres aan de zuidzijde bedreigt hem met verval en instorting, welke ramp niet lang meer kan uitblijven. De toren, waarop koefische opschriften zijn te lezen, was blijkbaar de minaret van een verdwenen moskee.

Nadat wij weer eenige dagen in het kamp te Nasratabad hadden doorgebracht, toog ik er op uit voor eene nieuwe excursie, waarbij ik mij voorstelde, de lagune te bezoeken. Rondom het dorp Haldimi woont aan de oevers der lagune de stam der Sajaden, die mij belang inboezemden, omdat ze waarschijnlijk tot de oorspronkelijke bevolking van het land behoorden. Dat beweren ze ten minste, en hun uiterlijk schijnt het te bevestigen.

Dichtbij hen wonen de Gaudars, wier kudden zich te goed doen aan het jonge riet van de lagune. De koeien van Seïstan genieten een goede reputatie.

De Sajaden zijn volgens hun zeggen de eenige echte Seïstani’s, en dat is mogelijk, want zij alleen hebben kunnen ontkomen aan de mongoolsche horden, door voorraden mee te nemen aan boord van de groote vlotten en zich ermee in het riet te verbergen. De stam telt ongeveer vierhonderd gezinnen.

Wij gingen door Djalalabad, vroegere bezitting van den stam der Kejans, nu een onbeteekenend plaatsje. De nieuwe loop van de rivier heeft het dorp gespaard, maar ’t bouwland vernield. Wij bezochten de ruïnen aan de Roed Nasroe. Men vindt daar overblijfselen van steenen huizen, die op een beteren bouwtrant wijzen dan de gewone leemen verblijven. Zeker hebben Timoer en shah Roek aan de perzische beschaving een zwaren slag toegebracht, waardoor de loop der geschiedenis een wijziging heeft ondergaan.

Mian Kangi bleek een dichte jungle van tamarindestruiken tusschen die Roed Persian en de Helmand, [280] waar op de open plekken dorpen lagen. De rivier, de Helmand, is er zeer ondiep; de bedding was bijna droog, toen wij erdoor trokken. Daar wij niet door de dichte struiken konden marcheeren, moesten wij wel de rivier volgen, en in de weinige dorpen hoorden wij telkens verhalen over de onderdrukking door de Afghanen.

De uit Europa gekomen schrijvers zijn naar mijn bescheiden meening veel te streng, als zij over toestanden in Perzië oordeelen. Om alleen maar over deze provincie Seïstan te spreken, vóór de perzische regeering er bezit van nam, was het leven van geen enkel reiziger er veilig. En ten tijde van de eerste zending naar Seïstan was daarin reeds veel verbetering gekomen, terwijl men nu in het district even veilig is als in de meeste landen van Europa. Een geregelde immigratie heeft er plaats uit Afghanistan, en zoo neemt het bebouwde deel van het land steeds toe; het is wel verviervoudigd onder de regeering van Nasr ed Din.

De Nadirzuil als een vuurtoren in de woestijn.

De Nadirzuil als een vuurtoren in de woestijn.

Mijn beide excursies hadden mij Seïstan goed doen zien, en ik kan er nu met kennis van zaken over oordeelen. Het wordt, zooals ik heb gezegd, in twee deelen verdeeld, de boomlooze streek en de jungle. In beide is de grond dezelfde en bestaat in hoofdzaak uit een lichte leemsoort. Op sommige einden treft men veel vierkante kilometers van zandheuvels, die toch wel voor bebouwing geschikt zouden zijn. Rondom Nasratabad bevat de grond veel zout en men vindt er veel gaten en kuilen en ondiepe plassen, die een opperbeste kweekplaats opleveren voor schadelijke muskieten. Gelukkig dat er van April tot Juni in Seïstan een nog al krachtige wind waait, die het district bewoonbaar maakt en, hoewel warm en niet aangenaam, toch de malariadampen wegvoert.

Lord Curzon behandelt in zijn boek over Perzië uitvoerig de quaestie van Seïstan uit politiek oogpunt. Ik heb haar slechts beschouwd met het oog van den geograaf. Er is reeds opgemerkt, dat het een klein Egypte was, een korenschuur voor de omliggende streken. Dat karakter wordt nog meer in het oog vallend door de ligging van het land halfweg tusschen de russische bezittingen en de Perzische Golf, met aan beide zijden zeer weinig bevolkte landstreken. Daarbij is het ’t eenige bebouwde district tusschen Quettah en de provincie Kirman. Aan den anderen kant bestaat het bebouwbare Seïstan met een bevolking van nauwelijks 100,000 inwoners, 7000 nomaden daaronder begrepen, uit niet veel meer dan de delta der Helmand. Ik geloof niet, dat de groote hoeveelheden water, die tegenwoordig ongebruikt worden gelaten door een andere mogendheid dan die, welke den bovenloop der rivier in haar bezit heeft, kunnen worden gebruikt, en in die omstandigheden kan men niet verwachten, dat de bebouwde gronden sterk zullen toenemen in den eersten tijd.

Auvergne.

(Puy de Dôme en Cantal).

Door G. Bosch.

De keten der Puy’s.

De keten der Puy’s.

1

In den afgeloopen winter speelde het toeval mij kort na elkaar boeken en tijdschriften in de hand, die den geologischen toestand van het hoogland van Auvergne behandelden.

Het gelezene wekte zoo zeer de belangstelling op, dat uitgebreider lektuur over dit onderwep gezocht en gevonden werd, en langzamerhand het plan tot rijpheid kwam om in den zomer die streken eens te gaan bezoeken.

De eerste bronnen, die voor de reis geraadpleegd werden, waren natuurlijk reisgidsen en onder deze bijzonder die van Ioanne “Auvergne et Centre”, omdat voor eene streek in Frankrijk een fransche reisgids het beste geacht moest worden. Toch bleek later dat dit niet geheel uitkomt. De schrijver toch van dien gids is niet kunnen ontsnappen van het algemeen gebrek zijner landgenooten. De Franschen houden namelijk zoo verbazend veel van hun land, dat zij niet kunnen nalaten zich aan overdrijving schuldig te maken, als zij er over spreken of schrijven. Wat bekoorlijk en lief is, wordt prachtig; wat minder goed en minder fraai is, wordt verzwegen. Mijn indruk van het land, in korte woorden saâmgevat, is, dat de vorming van het land, bijna aan alle zijden en bij elken stap herinnerende aan zijnen vulkanischen oorsprong, zoo hoogst belangwekkend is, en dat daarnaast de historische gebouwen, zoowel de nog in hun geheel aanwezige als de bouwvallen, zóó mooi en zóó belangrijk zijn, dat de reiziger niet eens de inderdaad fraaie natuurtafereelen, die niet zelden naast en dikwijls boven het andere de aandacht trekken, noodig heeft om zich schadeloos te stellen voor het minder aangename dat eene minder bereisde streek hem soms bieden kan.

Wanneer de fransche gids (uitgave van 1904) zegt, dat men, buiten de meer bezochte streken komende, verstandig zal doen een inwoner mede te nemen als gids, omdat de bevolking in opschudding zou komen indien een toerist zich alleen vertoonde, en omdat de politie zich verontrusten zou en hij zich aan vervelende onaangenaamheden zou blootstellen,—waarom men in elk geval van een soort van paspoort of ander officieel stuk voorzien dient te zijn,—dan maakt die fransche schrijver zich, ten koste van zijn eigen volk, schuldig aan eene flauwe overdrijving. Gedurende een veertiendaagschen tocht heen en weer door ’t gansche land, alléén en als toerist, met den ransel op den rug, afgelegd, had ik mij nergens minder over te beklagen, dan over de plattelandsbevolking. De menschen waren overal even vriendelijk en beleefd. Bij het maken van een praatje in eene herberg of op eene boerderij,—langs den weg ontmoet men er weinig menschen,—deed zich echter een ander, minder prettig verschijnsel voor. De menschen verstonden mij wel, maar konden dikwijls niet in het fransch antwoorden. Kinderen en jongelieden, die ik bijv. naar den weg vroeg, gaven altijd vlug, nauwkeurig en beleefd [178] antwoord in een benijdenswaardig zuiver fransch; zij leeren dat op de school; maar de Auvergnaten hebben van ouds hunne eigene taal, de “langue d’Oc”. Zoo lang zij in de steden of op de buitenplaatsen als dienstboden verkeeren, of zoo lang de mannen hunnen dienstplicht vervullen, onderhouden zij hun fransch; maar in de dorpen teruggekeerd, vergeten zij het op lateren leeftijd en spreken onderling alléén de eigen taal. Het is mij meermalen voorgekomen, dat men mij in een gesprek, dat al dadelijk niet vlotten wilde, zeide: “ik heb mijn fransch vergeten”. Misschien hebben zij aan dat onbeholpene den naam van stuursch en teruggetrokken te zijn te danken.

“De guide Ioanne” overdrijft nog aan eene andere zijde. Opzettelijk prijst hij de hotels, zelfs op de kleine plaatsen, en noemt maar een paar dorpen op, waar de zindelijkheid twijfelachtig zoude zijn. Nu is mijne ondervinding wel eenigzins anders. Op het platteland en in de kleinere steden krijgt men overal in de herbergen goede maaltijden. Heerlijk grappig waren de zelden ontbrekende menu’s, met onbeholpen hand geschreven en, met minachting van alle taalregels, zuiver naar den klank gespeld! De bedden zijn ook in den regel goed; maar de netheid der vertrekken laat wel eens te wenschen over. De wijze van ontvangst is evenwel overal zoo echt fransch beleefd en aangenaam; de gesprekken waarin men door waard of waardin gewikkeld wordt zijn zoo gezellig, dat men ongemerkt veel over ’t hoofd ziet. Als heer alléén kan men zich overal redden, en er is aan alle zaken ook een vroolijken kant,—maar aan dames zoude ik niet aanraden in Auvergne op andere plaatsen te logeeren, dan in de grootere badplaatsen en verder te Clermont Ferrand, te Vic-sur-Cère en te Lioran. In deze beide laatste plaatsen vindt men hotels van den Orleans-spoorweg, die niets te wenschen overlaten. Gelukkig kunnen de belangrijkste punten van die plaatsen uit bezocht, en kunnen van daar uit prachtige bergtoeren ondernomen worden, zoodat Auvergne met glans op de lijst der pleizier-reizigers gehandhaafd blijft.

Naast deze opmerkingen nog eenige algemeene zaken.

Wat gaat men in Auvergne zien?—De vulkanische vormingen en de monumenten van middeneeuwsche bouwkunde.

In de eerste plaats de vulkanische vorming van het land. Ik geloof niet dat er een streek in Europa is, die den leek na eenige voorloopige lectuur over vulkanen, zoo goed op de hoogte kan stellen van de vervormingsgeschiedenis der aarde. Ik wil niet verbergen, dat toen Auvergne op mijn reisprogram kwam, mijne vulkanische wetenschap niet van aanbelang was. Vesuvius en Krakatau, met Gruadaloupe, ziedaar de voornaamste punten; eene duidelijke voorstelling van wat ik er moest gaan zien, had ik niet. Gelukkig kwam ik in aanraking met een geoloog, die zoo vriendelijk was, mij in algemeene en zeer juiste trekken een en ander mede te deelen. De lezer houde mij eenige vreemd klinkende woorden ten goede, de toelichting is zonder die lastige namen niet te geven; ze zijn trouwens niet talrijk.

De vulkanen, zoo zeide mijn deskundige, worden verdeeld in massa-vulkanen, en in strato-vulkanen. De massa-vulkanen voeren in hunne gloeiende lava geene gassen en dampen mede; ze breiden zich rustig uit en de lava bouwt de kegels op. De strato-vulkanen voeren daarentegen in de lava vele dampen en ontploffende gassen mede. Het gevolg daarvan is onverhoedsche en heftige uitbarstingen, waarbij steenen, asch en waterdampen de lucht ingeslingerd worden. Bij het terugvallen der vaste stoffen, bouwen deze dan ook weder de kegels op. De meeste vulkanen van den tegenwoordigen tijd zijn strato-vulkanen, en hiertoe behooren ook de nu uitgedoofde in Auvergne. De plotselinge uitbarstingen der strato-vulkanen hebben eene voortdurende verandering der kegels ten gevolge, en dikwijls vernielen zij de bestaande. Bij de massa-vulkanen is de voortdurend betrekkelijk rustig uitvloeiende lava oorzaak, dat de kegels steeds hooger op gebouwd worden. De meeste vulkanen hebben meer dan één krater, of eene reeks er van, die om den hoofdkrater zijn geschaard. De Vesuvius bijv. heeft ongeveer 900 van die bijkraters. Soms ook is er geen hoofdkrater, en vloeit de lava uit spleten naar buiten.

De kegel van een strato-vulkaan is dus opgebouwd uit eene onzamenhangende massa asch en steenen. Komt er aandrang van binnen, dan zijn de wanden van den kegel dikwijls niet stevig genoeg om weerstand te bieden tot de lava zich boven ontlasten kan, en men krijgt dan zijdelingsche ontladingen, die instorting der kegels tengevolge hebben. De kegels krijgen dan den vorm van een hoefijzer, dat op het overblijvende deel van den kegel rust. Dergelijken heb ik in Auvergne veel gezien.

Strato-vulkanen staan altijd langs de zeekust of bij groote binnenmeren; over den geheelen aardbodem vindt men daar voorbeelden van, zooals Japan, Formosa, de Sunda-eilanden. In Auvergne treft men als ’t ware twee reeksen van vulkanen aan, en die hebben dan ook vroeger aan de kust gestaan. Door de nabijheid van water worden de massa-vulkanen strato-vulkanen; de waterdampen hebben dan spoedig heftige uitbarstingen tengevolge. De vulkanen in Auvergne werkten toen Noord-Frankrijk, België en Nederland nog niet bestonden en Auvergne een kustland was. Zij werkten—nu komen een paar erg vreemde woorden—in het jonge tertiaire tijdvak. Nederland is in ’t opvolgende tijdperk, het quaternaire, ontstaan.

Ziedaar wat ik vernam, en wat voldoende was, om ’t geen ik later zag te begrijpen. Eene verdere vraag, aangaande de kenteekenen der verschillende voorkomende gesteenten, als daar zijn graniet, basalt, lava en nog heel veel andere, kan voor een leek niet voldoende beantwoord worden. In het algemeen is lava niet zoo vast van vorm; het heeft poriën, dikwijls grootere holten en gaten, en ziet er soms ook weer glasachtig uit; maar er zijn tal van soorten, wier bijzondere kenmerken alleen door den deskundige te vatten zijn. De overige vulkanische gesteenten zijn niet zoo eenvoudig aan te duiden; zij gaan buitendien te veel in elkander over; de kleuren zijn ook niet vast, maar wijzigen zich naar den warmtegraad waaronder zij gevormd werden, en later onder den invloed der lucht. [179]

De ouderdom der vulkanen; de tijd waarin zij werkten en sinds wanneer zij rusten, laat zich niet anders dan bij duizendtallen eeuwen meten.

Wat nu aangaat ’t geen men in Auvergne in de tweede plaats gaat zien, de monumenten der middeneeuwsche bouwkunde, daarover kan beter gesproken worden bij het bezoeken der monumenten zelve.

Zijn deze aanduidingen omtrent de vulkanen wellicht te algemeen, bij latere bespreking der landstreek valt er wellicht nog meer ter toelichting te zeggen. Van harte hoop ik dat de lezer aan ’t gegevene genoeg heeft;—zoo niet, dan helpe hem verdere studie en een onderzoek ter plaatse!

Ik noodig u thans uit, de reis met mij te aanvaarden,—zonder paspoort en zonder zorg voor onaangename ontmoetingen, als gevolg van dien. Nog eene aangename mededeeling vooraf. Het reizen in Auvergne is zeer goedkoop, en gidsen zijn overal overbodig; men komt er wel.

En nu van Amsterdam met den morgentrein naar Parijs, denzelfden avond nog van het P.L.M. station naar Clermont-Ferrand, om daar tegen 4 uur in den ochtend aan te komen en nog een aangename nachtrust te genieten eer we de stad gaan bezichtigen. In het Hôtel de la Poste, op de Place de Jaude, vinden we alles wat we wenschen kunnen.

Clermont-Ferrand is eene aangename, ruim gebouwde stad met 52000 inwoners. Het oude gedeelte, dat tegen en over de hoogte gebouwd is, heeft zeer schilderachtige hoekjes, en hier en daar mooie oude huizen, een enkel in romaanschen, meest alle in renaissance-stijl. ’t Zijn echter gewoonlijk maar enkele deelen die de aandacht trekken: eene fraai gebeeldhouwde deur, eenige mooie vensters, eene binnenplaats met een wenteltrap. Want er is in Clermont maar weinig geheel onaangeroerd gebleven; ’t meeste is sterk vernieuwd of geheel nieuw.

De stad is gebouwd ter plaatse van eene oude gallische nederzetting, en zelfs in de latere tijden gaven enkele opgedolven voorwerpen recht tot de onderstelling, dat er vóór de Galliërs reeds een ouder oorspronkelijk volk woonde. De Romeinen noemden het Augusta Nimetum; de tegenwoordige naam komt eerst in de achtste eeuw voor. Spoedig na de stichting werd het de zetel van een bisdom, en niettegenstaande de inwoners zich in den loop der tijden herhaaldelijk eenige zelfregeering trachtten te verschaffen, is hun dit eigenlijk nooit voor in den nieuwen tijd gelukt. Zij kregen eerst een eigen bestuur tijdens de groote omwenteling, en zijn daar toen wel wat ruw bij te werk gegaan. Een zelfde geschiedenis is die van geheel Auvergne; bij de verwisseling van de overmacht der geestelijken heeren tegen die van den adel kwam de bevolking altijd van den regen in den drop; dat dit tot het einde der 18de eeuw heeft kunnen duren, mag ons eenige verwondering baren, omdat het bij ons meer geleidelijk is gegaan, en daarom bij ons dan ook het overgangstijdperk niet zoo heftig is geweest.

Museums zijn er te keur in Clermont, maar er worden geene groote merkwaardigheden in bewaard, en daarom ging ik ze voorbij. Op den Cours Sablon bewonderde ik de fontein van Amboise, een keurig monument uit de 16de eeuw, bestaande uit een achthoekigen staander, die in een kleine gotische lantaarn uitloopt. Zij heeft twee bassins boven elkaar, keurig in steen gebeeldhouwd. Het is een sierlijk stuk werk.

Het middenpunt van verkeer is de Place de Jaude, een ruim plein, versierd met een ruiterstandbeeld van Vercingetorix in steen en een bronzen standbeeld van generaal Dessaix. Het uitzicht op den Puy de Dôme, dat men van dit plein heeft is opmerkelijk mooi. Behalve het monument “du Centenaire”, dat men bijna in elke fransche stad van eenige beteekenis heeft, is er nog een standbeeld van Blaise Pascal: de beroemde schrijver is geplaatst in een bloemrijk parkje, in smaakvolle omgeving.

De cathedraal, in 1248 begonnen, is in zuiver gothischen stijl, maar maakt geen indruk; ze werd gerestaureerd door Violet le Duc en is van buiten geheel in donkere Auvergne-steen. ’t Inwendige is kaal; de mannen der revolutie hebben ook daar huisgehouden. Het beeldhouwwerk is ook niet bijzonder. De gothische stijl is in Auvergne nooit gewild geweest, wellicht omdat hij opkwam toen het land in oorlogen gewikkeld was. De romaansche stijl kwam er vroeger, in voorspoedige dagen, tot hoogen bloei, en een keurig voorbeeld is de Nôtre Dame du Port, een juweel van bouwkunst, thans verscholen in onaanzienlijke straten en staande in eene diepte,—en met alle juwelen dit gemeen hebbend, dat de leek in de bouwkunst het schoone er van begrijpen en genieten kan.

* De Notre-Dame du Port te Clermont-Ferrand.

* De Notre-Dame du Port te Clermont-Ferrand.

Wat is nu het bijzondere dier romaansche bouwkunst? Natuurlijk zou daar niet zoo bijzonder bij stilgestaan worden, indien de schrijver niet eene bijzondere voorliefde voor dien bouwstijl had. Eene voorliefde te omschrijven is moeielijk, maar ’t kwam mij altijd voor, dat die uiting der kunst in de middeneeuwen zoo beminnelijk eenvoudig was; dat zij alles gaf wat men toen kon daarstellen, en nooit naar kunstmiddelen van verdacht gehalte zocht, om ’t geen men zich toch wel bewust was dat er aan ontbrak te bedekken. Dat werd in latere tijden wel eens over ’t hoofd gezien, en men verkreeg daardoor gebouwen die niet bevredigen. De romaansche bouwstijl uitte zich het meest volkomen in de kerken, en werd daarin ook het best bewaard. In den eersten tijd van het Christendom was de grondvorm van alle kerken een langwerpig vierkant2; de binnenruimte werd door twee of meer rijen van pijlers in drie of meer afdeelingen (beuken) overlangs verdeeld. De wanden werden versierd met kleuren en figuren; het dak was een gewoon schuin dak, zooals men zich dat in den eenvoudigsten vorm op ieder huis denkt; de dakgebinten waren gewoonlijk geheel zichtbaar. Van die monumentale kerken—men noemde ze “basilica”—zijn nog enkelen uit dien vroegeren tijd over in Klein-Azië, maar vooral in Italië; te Rome nog uit den tijd van keizer Constantijn. Later in de middeneeuwen, en wel tijdens en onmiddellijk na Karel den Grooten, ontwikkelde zich voor de kerken een nieuwe bouwstijl; hij had de oud-romeinsche kunst tot grondslag en ontleende daaraan zijn [180] naam “romaansch”. Een zijner voornaamste kenmerken, de ronde bogen, werd uit de romeinsche bouwkunst overgenomen.

In plaats van het langwerpig vierkant kreeg nu de kerk den vorm van een kruis. De korte bovenarm werd het koor; de zijarmen heetten het transept; de lange arm het schip. Aan weêrszijden van het schip waren zijgangen, evenals in de basilica, alleen er van afgescheiden door kolommen. Langs het transept en het koor werden spoedig kapellen bijgebouwd; later werden de zijgangen ook om het koor heen gebouwd, en nog weêr later ook om de zij-armen van het transept heen; overal kwam daardoor langs die zijbeuken gelegenheid tot het aanbrengen van kapellen. De ronde bogen werden niet alleen aangebracht boven ramen en deuren, maar ook tusschen de pijlers; en de gewelven die schip en koor en zijbeuken bedekten, in afwijking van het vroegere schuine dak, waren ook rond; aanvankelijk zoogenaamde tongewelven, later kruisgewelven, maar alles altijd half cirkelvormig.

* Gezicht op Clermont Ferrand.

* Gezicht op Clermont Ferrand.

De krypten of onderkerken, die zich aanvankelijk alleen onder het koor, later onder de geheele kerk uitstrekken, werden algemeen. De ingangen tot die onderkerken zijn meestal naast het koor. De krypten zijn allen overwelfd; zij zijn zeer eenvoudig gehouden, met wel de soberste versiering die men zich denken kan: een enkel gebeeldhouwd kapiteel aan eene kolom. Maar dat is dan ook alles.

De torens waren aanvankelijk achthoekig en laag, geplaatst boven de vierkante ruimte waar de armen van het kruis elkander snijden. Bij latere kerken komen ook torens voor aan weerszijden van den ingang, en die ingang was dikwijls uitgebouwd en daksgewijze afgedekt, of tot een karakteristiek klokkentorentje opgetrokken. Was eene romaansche kerk inwendig arm aan versieringen, des te meer werk werd er gewoonlijk van den ingang gemaakt.

We hebben dus, in afwijking van het vroegere, een kerk in kruisvorm en eene overspanning door gemetselde gewelven, waar in de vroegere kerken de bedekking eenvoudig uit een gewoon schuin dak bestond, iets dat trouwens bij de romaansche kerk als buitenste afdekking bleef bestaan, ’t Spreekt van zelf dat bij de uitsluitende toepassing van halfronde bogen en gewelven, de kerken altijd wat lager bleven; zoodra men in later tijd voor goed had bevonden, dat een gemetselde boog ook spits kon toeloopen en dientengevolge ook spitsbooggewelven gebouwd konden worden, werd de vorm der gebouwen ook slanker; en toen er eenmaal slankere kerken ontstonden, maakten de vroegere den indruk van plomp en gedrukt te zijn. De bouwmeesters in Auvergne hebben dat niet kunnen overwinnen; langs den Rijn en in Engeland waren ze in dat opzicht wat gelukkiger.

Er zijn nog meer bijzonderheden aan den toenmaligen bouwstijl eigen. Bijv. de kolommen, die de zijbeuken van het schip scheiden, zijn nooit allen [181] gelijk, maar om den anderen werd eene doorloopende zuil geplaatst. De versieringen aan de kapiteelen en den voet der kolommen waren allen hoogst eenvoudig en steeds weinig uitspringend, de groote muurpanden die ontstonden boven de halfronde bogen waren vlak en later dikwijls beschilderd. Na de 12de eeuw kwam de tijd der spitsbogen; de bouworde bleef in hoofdzaak romaansch, maar de nieuwe bogen kwamen steeds meer op den voorgrond en de wijze van constructie der gebouwen moest dientengevolge gewijzigd worden; gedurende een betrekkelijk lang tijdperk kreeg men een gemengden stijl. De bouwmeesters zochten naar verbetering en brachten allerlei versieringen aan, waaruit ten laatste de gothische stijl ontstond; deze ontwikkelde zich uit het romaansch, zooals het romaansch zich uit het romeinsch ontwikkeld had, maar nam weer van zijnen voorganger over.

* De Puy de Dôme, van Laschamps uit gezien.

* De Puy de Dôme, van Laschamps uit gezien.

In Auvergne waren weinig overblijfselen van romeinsche bouwkunst; in het naburige Provence en elders juist veel; de Auvergnaten konden dus minder van de romeinsche voorbeelden overnemen, en zoodoende kregen hunne gebouwen een bijzonder karakter; en dit te meer omdat zij, arm aan voorbeelden, rijk waren aan goede bouwstoffen en daardoor een anderen weg opgingen bij het versieren van hunne gebouwen. Al dadelijk door verschillende steensoorten te gebruiken, sommige glad, sommige poreus, dan weer van verschillende kleuren, die zij alle in hunne bergen voor het nemen hadden. Het bijzonder karakter der monumenten in Auvergne moet dus meer beschouwd worden als een gevolg van bestaande toestanden, dan wel als de gewilde uitkomst van eene kunstschool.

De Notre-Dame-du-Port beantwoordt geheel aan de gegeven algemeene trekken van den romaanschen bouwstijl. De geheele kerk is overwelfd, de zijbeuken zijn door halve tongewelven gedekt. De kapiteelen der zuilen dragen als versiering bloemen, fantastische voorstellingen van dieren; enkele dragen menschelijke figuren met opschriften. Prachtig is dit beeldhouwwerk niet; de beeldhouwers in Auvergne stonden niet zoo hoog in kunstvaardigheid als de bouwmeesters; maar de kinderlijke eenvoud der voorstelling houdt gelijken tred met de wijze van uitvoering, en maakt een zeer aangenamen indruk. De muurvakken zijn alle wit; hier en daar zijn met zachtgekleurde steenen figuren aangebracht, geen van alle buiten het vlak der muur uittredende. Eene ruit, een vierkant, een cirkel, een kruis, een klaverblad, alles in heerlijken eenvoud, maar aardig doende in die stemmige omgeving. De buitenmuren van het schip vertoonen kleurige figuren, verkregen door het inmetselen van verschillende steensoorten. De kerk is gebouwd in de 11de en begin der 12de eeuw. De hoofdingang is eene dubbele deur, door een gebeeldhouwden stijl gescheiden. Aan de zuidzijde is nog een ingang, met aan weerszijden groote figuren in laag relief; het halfcirkelvormige boogschild boven de deur (het tympaan) is rijk met kleine figuren voorzien; jammer genoeg zijn deze wat geschonden.

De Notre-Dame-du-Port te Clermont, de kerk te Issoire en die te Orcival zijn de fraaiste typen van den romaanschen stijl in deze streken.

Ruïnen van den romeinschen tempel met observatorium op den top van den Puy de Dôme.

Ruïnen van den romeinschen tempel met observatorium op den top van den Puy de Dôme.

Er zijn te Clermont twee versteenende bronnen, die de moeite van een bezoek overwaard zijn. Het bronwater bevat veel koolzuur en kan daardoor eene [182] groote hoeveelheid ijzer- en kalkverbindingen opgelost houden. Zoodra het koolzuur aan de lucht ontsnapt, slaan de ijzer- en kalkzouten neer; van deze eigenschappen heeft men gebruik gemaakt tot het vervaardigen van aardige voorwerpen. Men voert het water door buizen, waarin men er eerst zoo veel mogelijk het ijzer aan ontneemt, en laat het dan als regen neerkomen op de voorwerpen die men versteenen of, beter gezegd, met eene kalklaag overdekken wil, zooals mandjes met vruchten, druiventrossen, vogelnestjes met eieren, enz. De uitkomst is inderdaad verrassend. In de tuinen om de bronnen heen zijn allerlei versteende wonderen tentoongesteld; menschen, vee, paarden; natuurlijk waren het poppen of opgezette exemplaren, en daar nu het verkalken van dergelijke voorwerpen langen tijd vordert en op de eene plaats al wat dikker uitvalt dan op de andere, winnen de voorwerpen niet in losheid en natuurlijkheid, ’t Kwam mij voor, dat deze reeds van af de straat zichtbare lokvogels wel wat al te veel van een boerenkermis hadden.

Eene andere merkwaardigheid van Clermont-Ferrand is niet daar, maar te Mont-Ferrand te vinden, dat ongeveer drie kwartier van de stad ligt. De tramrit er heen geeft weder een verrassend mooi uitzicht op den Puy de Dôme. Mont-Ferrand is een stadje van 3500 inwoners, dat men alleen bezoekt om enkele oude huizen te zien. Het huis l’Elephant, aldus genaamd naar een geschilderden dikhuid boven een der ramen, dagteekent waarschijnlijk uit de 12de eeuw. Het huis Adam en Eva, naar een gevelsteen. Het huis van den apotheker is, evenals het vorige, uit de 16de eeuw; de eerste verdieping is in steen, de twee volgende in houten vakwerk, telkens boven elkaar vooruitspringend; boven in den topgevel zijn een paar beeldjes aangebracht, die aan het huis zijn naam gaven. Er zijn nog verscheidene andere merkwaardige huizen, ’t eene bekend om een deur met keurig smeedwerk, ’t andere om eene aardig versierde binnenplaats; dan weer een met een fraaie wenteltrap. Jammer is het dat van instandhouding geen sprake is. Die huizen zijn thans alle in gedeelten door kleine neringdoenden bewoond, en inzonderheid de binnenplaatsen en wenteltrappen van eene ongeëvenaarde onzindelijkheid en in diep verval.

Met het bezichtigen van dit alles bracht ik den eersten dag door. Den volgenden ochtend vroeg zou ik uitgaan op eene wandeling in den omtrek en de bestijging van den Puy de Dôme. Daartoe wenschte ik, gelijk ook voor de verdere reis, eenige nadere inlichtingen te hebben en begaf me naar het kantoor van het “Syndicat” (Vereeniging ter bevordering van het vreemdenverkeer) van Clermont. Al mijne vragen werden voorkomend en beleefd beantwoord, en de inlichtingen bleken naderhand geheel juist te zijn. Kaarten kon ik niet koopen, maar men gaf mij ’t adres van den besten winkel voor die zaken op. Doch eene fout mag ik niet onvermeld laten. Men ontraadde mij een diligence-rit over Beaumont naar Montdore, en beval mij aan om per spoor tot Issoire en van daar per diligence naar Montdore te gaan. De beide routen zijn goed, maar ’t bleek me later op de diligence, onder een vriendschappelijk gesprek met den koetsier, dat de aanbevolen rit eene onderneming van het Syndicat was, en de rit over Beaumont eene van een mededinger te Montdore. ’t Is te betreuren dat zulke syndicaten zich niet buiten dergelijke ondernemingen houden; zij verliezen daardoor het zoo hoog noodige onzijdig karakter. Onder het gesprek met den beambte van het syndicat bleek mij ook, dat voetreizigers hier tot de uitzonderingen behooren; in den tijd der auto’s krijgen ze een al te sterke ouderwetsche tint. Ik ontmoette dan ook op den geheelen tocht geen collega’s en in de meeste hotels (herbergen) werd ik duidelijkshalve als “le Touriste” aangeduid.

Behoorlijk uitgerust met eene kaart, uitgave van het Ministère de l’Intérieur, toog ik er den volgenden ochtend op uit; van Clermont den weg naar Royat op, naar Chamalières en van daar langs voetpaden naar Villars. De omgeving was mooi, maar de wegen waren ongemakkelijk en hier en daar bitter slecht onderhouden. Gunstig stak daarbij af een deel van eene oud-romeinsche heerbaan, die me tot Villars bracht; het is een stuk van den ouden weg van Clermont naar Limoges. Aan weêrskanten een flink verhoogd voetpad; de rijweg belegd met regelmatig behakte, langwerpig vierkante lavablokken, trots de eeuwen van zijn bestaan nog een voorbeeld hoe wegen gelegd moeten worden. Van Villars loopt het pad verder over La Baraque, maar men kan ook door het dorpje Cheix gaan, al naar dat de vele kronkelingen er u heenleiden. Ik trof onderweg een vriendelijk oud vrouwtje uit Cheix aan, die mij in de hitte niet verder wilde laten gaan, eer ik bij haar eene verfrissching had gebruikt. Na Cheix heeft men nog een aardig kijkje op het dorp Orcines en gaat dan over den straatweg voorbij het kruispunt Le Font de l’Arbre naar den Col de Ceyssat. Gedurende die wandeling heeft men den Puy de Dôme steeds rechts voor zich en begint het hoe langer hoe duidelijker te vinden hoe hij aan dien naam kwam. Op den Col de Ceyssat staan een drietal herbergen, die zich alle drie met den naam van hotel tooien, en waar men u keur van maaltijden aanbiedt. Men heeft dan nog 432 M. te klimmen, en hoe de meeste reizigers er toe komen om daar eerst een dejeuner te gebruiken voor men met klimmen begint, wilde mij niet recht duidelijk worden.

Het pad naar den top (1465 M.) is vol afwisseling en een aangenaam bergpad. Eerst door weiden, spoedig in dennenbosch, om later wat steiler, over en langs rotspartijen, boven te komen. De uitzichten worden bij elke kronkeling in het pad mooier, en hier en daar is voor eene bank gezorgd. Men krijgt spoedig den indruk dat geen der bergen daar hoog is, het uitzicht gelijkt meer op eene vlakte met heuvels.

Bij Villars was ik reeds langs eene cheire gekomen; dat zijn oude lavastroomen, die, nog onverweerd, volkomen onvruchtbaar bleven. Wanneer men er zoo van boven opziet en de kronkelingen waarneemt,—de gladde, bruinroode oppervlakte spiegelt zelfs hier en daar in de zon,—dan krijgt men eerst voor goed den indruk van zoo’n lavastroom, [183] en heeft men een voorproef van de vele overblijfselen van het vulkanisch tijdperk in Auvergne. Hier en daar langs het pad ziet men ook rotsblokken op en door elkaar, die u doen denken aan uitgebrande steenkoolslakken. In deze omgeving maken ze echter meer den indruk van merkwaardig grillige vormen, dan van vulkanische overblijfselen.

Boven op den Dôme is ook eene cantine, waar het eenvoudige maal zeer goed smaakt.

Op het hoogste punt staat het meteorologisch observatorium, dat als eerste plaats van waarneming van dien aard in Europa, in 1876 ingewijd werd. In 1648 had de Puy d